Wanneer je stage gaat lopen doe je een heleboel nieuwe indrukken op. Je leert de dagindeling en de collega’s op de stageplek kennen. Om je te helpen een beter inzicht in je beroep te krijgen en de geleerde theorie in te zetten in de praktijk zal je met oefenopdrachten gaan werken. De oefenopdrachten kun je bekijken via de licentie van digibib of in het Fasenboek Dienstverlening.
Wanneer je stage gaat lopen doe je een heleboel nieuwe indrukken op. Je leert de dagindeling en de collega’s op de stageplek kennen. Om je te helpen een beter inzicht in je beroep te krijgen en de geleerde theorie in te zetten in de praktijk zal je met oefenopdrachten gaan werken. Door deze opdracht ga je inzicht krijgen in het werken met digibib en weet je welke opdrachten jij straks tijdens de BPV moet gaan uitvoeren. Daarnaast ben je op de hoogte van de criteria waaraan je moet voldoen wanneer je de oefenopdrachten uitvoert en waar op gelet zal worden door de stagebegeleiding.
De oefenopdrachten kun je bekijken via de licentie van digibib of gebruikt het Fasenboek Dienstverlening.
Doel; De student weet wat hem te wachten staat en wat van hem verwacht wordt m.b.t. de oefenopdrachten.
De student logt in bij digibib of gebruikt het Faseboek Dienstverlening.
Je werkt individueel de onderstaande vragen uit;
1. Wat hebben het kwalificatiedossier en de oefenopdrachten met elkaar te maken?
2. Waarmee oefen je door de oefenopdrachten uit te voeren?
3. Waaruit bestaat een oefenopdracht?
4. Welke stappen doorloop je tijdens het werken aan de oefenopdrachten?
5. Welke verschillende soorten oefenopdrachten zijn er?
6. Beschrijf drie voorbeelden van soorten bewijsstukken?
7. Op welke manier wordt er omgegaan met het beoordelen van de oefenopdrachten?
De leerlingen lopen bij de werkvorm wandel en wissel door het lokaal. Wanneer de leraar ‘stop’ zegt, vormen de leerlingen een duo met de persoon die het dichtstbij staat. Vervolgens bespreken ze één van de bovenstaande vragen en vergelijken hun antwoord. Op deze manier werken leerlingen samen die elkaar in eerste instantie misschien niet zouden opzoeken, daarnaast zorgt het overleggen over de opdracht of de vraag ervoor dat leerlingen zich beter oriënteren op het onderwerp of nieuwe kennis verwerven.
Wanneer alle vragen en antwoorden ten minste één maal met een medeleerling zijn uitgewisseld stopt de ‘wandeling’.
De student krijgt de gelegenheid om de eigen antwoorden bij te stellen en de vragen zo uitgebreid mogelijk te beantwoorden.