Schoolondersteuningsprofiel De Meent
In 2026 zal een nieuw schoolondersteuningsprofiel gemaakt worden.
Het meest actuele schoolondersteuningsprofiel is hieronder te bekijken.
Dit zijn de afgesproken categorieën van het bestuursondersteuningsprofiel van SPOVenray
Tot het direct voor school toegankelijke aanbod behoren tenminste :
ondersteuning van kind en leerkracht t.b.v. kinderen met cluster 3 en 4-problematiek.
ondersteuning van school en ouders op het gebied van opvoeding in relatie tot het functioneren van het kind in het onderwijs (bijv. gezinscoaches).
het incidenteel “invliegen” van speciale expertise wanneer de stoornis of handicap van een kind het aanbod of kennis van de school overstijgt. Dit is met name aan de orde bij stoornissen of handicaps die een zodanig specifieke aanpak vergen dat redelijkerwijs niet mag worden verwacht dat het regulier onderwijs hiermee ervaring heeft kunnen opdoen.
Het schoolbestuur waarborgt daarbij het behoud, verdieping en verbreding van expertise op de diverse begeleidingsniveaus door de inrichting van persoonlijke leer- en ontwikkeltrajecten, leren van en met elkaar (binnen het bestuur), samenwerking met gespecialiseerde instellingen (bijv. het SO) en regelmatige uitwisseling van expertise en ervaringen met collega’s van andere besturen.
Positie van de ouders
Afspraken over de extra ondersteuning in ondersteuningsniveau 3 moeten altijd tot stand komen in overleg met relevante inhoudsdeskundigen en in afstemming met de ouders. Ouders worden dus altijd betrokken bij het interdisciplinair overleg, het formuleren van doelen en activiteiten en bij het formuleren van het ontwikkelingsperspectief (OPP) als dit van toepassing is van de leerling. Minstens 1 keer per jaar wordt het OPP met de ouders geëvalueerd..
Toewijzing van extra ondersteuning
Als de behoefte aan extra ondersteuning vanuit het samenwerkingsverband blijkt, zal deze optie eerst worden besproken in een overleg op de basisschool (intern begeleider, leerkracht , ouders en evt. orthopedagoog). De intern begeleider bespreekt de aanvraag van een ondersteuningsarrangement met de orthopedagoog van het Ondersteuningsloket (OSL); samen wordt geïnventariseerd wat nodig is. Vervolgens biedt een ambulant begeleider van SPOV de gevraagde ondersteuning. Een ondersteuningsarrangement is tijdelijk en wordt voor de duur van een half jaar toegekend; voor trajecten waarbij sprake is van algehele leerproblemen of waarbij een complexe gedragsproblematiek speelt, kan in overleg met de orthopedagoog van het OSL afgeweken worden van de duur van een half jaar. De ondersteuning betreft maximaal 1 uur per week (kan ook 2 keer 30 minuten per week zijn) en wordt gestart op het moment dat er een ambulant begeleider beschikbaar is. Een ondersteuningsarrangement is een optie, geen recht. De school bepaalt of een ondersteuningsarrangement passend is in het begeleidingstraject van de leerling. Het kan voorkomen dat het koppelen van trajecten of het werken met meer dan één leerling een meerwaarde heeft. De intern begeleider van de school heeft de regie over het ondersteuningsarrangement. Voor elke leerling die een ondersteuningsarrangement krijgt wordt door de school een Ontwikkelingsperspectief (OPP) opgesteld.
NB: Cluster 1 (blind, slechtziend) en cluster 2 (doof, slechthorend en ernstige spraak-taal-moeilijkheden) behoren feitelijk niet tot Passend Onderwijs. Voor extra ondersteuning vanuit cluster 1 en 2 geldt daarom een enigszins afwijkende procedure. Bij cluster 1 ligt het initiatief vaak bij de begeleidende instelling (Visio) in samenspraak met de ouders. Bij cluster 2 zal een trajectbegeleider in het ondersteuningsloket met school en ouders een ondersteuningsarrangement formuleren en dat als advies via een Multidisciplinair team van de samenwerkende cluster-2-besturen voorleggen aan een Commissie van Onderzoek (CvO). Na accorderen wordt de inzet vanuit cluster 2 toegankelijk.
Afgifte van een toelaatbaarheidsverklaring
Voor kinderen die niet binnen regulier basisonderwijs passend onderwijs kunnen krijgen, is het speciaal basisonderwijs (SBO) resp. het speciaal onderwijs (SO) beschikbaar.
Voor toelating tot deze speciale vormen van onderwijs is een toelaatbaarheidsverklaring nodig. Voor SO cluster 1 (blind, slechtziend) en 2 (doof, slechthorend, ernstige spraak- en taalmoeilijkheden) geldt een andere procedure dan voor cluster 3 (ZMLK, lichamelijke problemen en meervoudige handicaps) en 4 (gedrags- en omgangsproblemen) en SBO.
Afgifte van een toelaatbaarheidsverklaring voor SO cluster 1 en 2
Over de toelaatbaarheid voor cluster 1 en cluster 2 beslist een daartoe bevoegde landelijke commissie. Er worden eisen gesteld aan de ernst van de stoornis en aan de handelingsverlegenheid van de basisschool. Zodra er meer helderheid is over de concrete uitwerking van de procedure, zal deze hier worden opgenomen. De voortekenen zijn dat de procedure erg zal lijken op de procedure voor toelating tot cluster 3 en 4 (hierna), met dien verstande dat het dossier daarna nog moet worden voorgelegd aan een Commissie van Onderzoek die uiteindelijke een besluit neemt.
Afgifte van een toelaatbaarheidsverklaring voor SBO en SO cluster 3 en 4
Een besluit over de noodzaak voor plaatsing in SBO en SO cluster 3 en 4 (hierna: SO) wordt genomen door het ondersteuningsloket in een interdisciplinair overleg van inhoudsdeskundigen die kennis van zaken hebben over de ontwikkelings- en/of opvoedingsvragen van de leerling, over de context (school en verdere omgeving), over de ondersteuningsbehoefte van leerlingen in het Speciaal (basis-)onderwijs en over de gevraagde (mogelijke) oplossing. Gezamenlijk zijn ze dus in staat om het beoogde onderwijsondersteuningsarrangement te definiëren. Ouders worden uitgenodigd om aan dit overleg deel te nemen.
Als blijkt dat een kind is aangewezen op speciaal basisonderwijs of op speciaal onderwijs, zal er een toelaatbaarheidsverklaring worden afgegeven. De eerder genoemde termijn van 6 – 10 weken is ook op dit traject van toepassing.
Voorzitter van het overleg is de bovenschools ondersteuningscoördinator van SPOVenray. Ouders en/of school (liefst in gezamenlijkheid) melden hun kind aan bij het ondersteuningsloket. Het overleg (en de voorbereiding daarvan) is er op gericht om het functioneren van de leerling in de bestaande context en de belangrijkste ondersteuningsbehoeften van het kind en de school van herkomst eenduidig in beeld te brengen. Dan kan het benodigde ondersteuningsarrangement worden gedefinieerd, waaruit al dan niet de noodzaak voor plaatsing in het SBO resp. SO kan worden afgeleid. De in beeld gebrachte ondersteuningsbehoeften van de leerling vormen de basis voor de verdere begeleiding binnen de (toekomstige) school van de leerling. Hierdoor kan er direct na plaatsing in een nieuwe schoolsetting gericht met de leerling gewerkt worden. Zo nodig wordt in dit verband tevens geadviseerd over aanvullende interventies die ten dienste staan van het kind en zijn/haar omgeving (school en thuis). Hierbij valt te denken aan vormen van jeugdzorg.
Aanvullend onderzoek kan worden aangeleverd of worden uitgevoerd door school, het ondersteuningsloket en/of (externe) inhoudsdeskundigen. Onderzoek dat vooraf al heeft plaatsgevonden wordt meegenomen in de voorbereiding en de afwegingen die tot besluitvorming moeten leiden.
Als het ondersteuningsloket (via het interdisciplinair overleg) uiteindelijk geen unaniem besluit kan nemen, wordt een door het samenwerkingsverband aangewezen persoon aan de commissie toegevoegd die een bindend advies geeft.
Een besluit is niet eerder definitief dan wanneer ouders in de gelegenheid zijn gesteld hierop te reageren waarbij hun inbreng is meegenomen in de afweging. De ouders kunnen bezwaar aantekenen tegen dit besluit bij een door het samenwerkingsverband aangewezen commissie die een bindend advies geeft. Als ouders het daarmee niet eens zijn kunnen de ouders het besluit voorleggen aan de rechter.