De kerk van de Potterie is met zijn meer dan 700 jaar één van de oudste bedevaartsoorden van Europa. Het beeld van de Lieve Vrouwe werd én wordt er aanzien als miraculeus en kende al die eeuwen een volksdevotie van een omvang die we ons nog nauwelijks kunnen voorstellen. Stille aanbidding, aanroeping, smeking, het opdragen van missen, processies, ommegangen en vele uitingen van diepchristelijke devotie tot Maria kwamen er gedurende vele eeuwen tot stand. Zelfs een etappe op de weg naar Santiago de Compostella heeft het beeld aan zich gebonden. De processie van Blindekens naar de Potterie is daar het beste en mooiste voorbeeld van. Het is de uiting van dé "Brugse Belofte" die sinds 1304 gehouden wordt. Deze uitingen van volksreligie zijn als een spiegel van onze samenleving. Broederschappen werden opgericht met het oog op de bevordering van de devotie tot Onze-Lieve-Vrouw. Hiermee wou men in de eerste plaats het geestelijk leven van de gelovigen verdiepen, waarbij vooral het zielenheil van de leden zelf als voornaamste punt gold. Tevens konden zij door hun levenshouding bijdragen tot een gunstige beïnvloeding van de gemeenschap. Confrérieën vervulden een niet te onderschatten socialiserende rol: al deze leden kwamen geregeld op allerlei activiteiten samen zoals tijdens processies, misvieringen, begrafenisplechtigheden en herdenkingsmissen.
Wie zijn die mannen met een epitoga op de linkerschouder die je elke zondag in het kerkje van de Potterie aantreft? Deze kerk heeft een zeer actieve broederschap of Confrérie van Onze-Lieve-Vrouw ter Potterie genaamd. Hun "standplaats" is de kerk van de Potterie waar je ze elke zondag in de hoogmis ziet, rechts vooraan waar de eerste rijen stoelen hun vaste stek zijn. Ze dragen het schouderstuk als afspiegeling van hun lidmaatschap en hun verbondenheid. Ze gaan gezamenlijk naar de offerande en ter communie. Enkelen hebben er een specifieke taak: cantor, misdienaar, lector, materiaalmeester, ceremoniemeester. In de vergadering van de Raad van bestuur zijn er nog de deken', de secretaris, de proost, de penningmeester en Zuster Overste die tevens kosteres is. Op de hoogdagen dragen ze hun groene gewaden met hoed. Je ziet ze in de H. Bloedprocessie en in de processie op Maria-Hemelvaart aan de Potterierei. Voltallig zijn ze (momenteel) met 17 en dat is dan meestal op de hoogdagen. Ze zijn ook buiten de stad op plechtigheden van religieuze oorsprong aanwezig: in,de openluchtmis in de ruïnes van de abdij van Koksijde en de bedevaart naar Baldjescruus. Ze gaan ook naar de jaarlijkse plechtigheid op de Pevelenberg.
Een regel uit de statuten van de confrérie schrijft voor dat de raadsleden op Heilig Bloeddag aanwezig moeten zijn in de hoogmis en aan de processie moeten deelnemen. In een processie hebben ze immer een flambeeuw in de hand.
Confrérieën speelden in de middeleeuwen een belangrijk sociale rol. De trend van broederschapstichtingen uit de 17de eeuw zette zich in de 18de eeuw in nog sterkere mate door. Bedevaartsoorden bleven een groot aantal gelovigen lokken. De confrérieën kenden gedurende deze eeuwen een groot succes en hebben het godsdienstig leven van de gelovigen beïnvloed.
De Confrérie van O.-L.-V. van de Potterie moet zijn ontstaan situeren in de 18de eeuw.
In het ongelofelijk waardevolle kerkarchief van de Potterie gaat document nr. 99 van 4 augustus 1776 over de stichting van de Confrérie, dit aangevuld door document 100 van 16 november 1776, de pauselijke bul nopens de oprichting.
Recenter onderzoek in het archief van het bisdom brengt echter een oprichtingsdocument aan het licht met vermelding van de naam van de oprichters, de eerste spelregels en eerste vermelding en omschrijving van de functie van deken. Aan dit document werd door Bisschop Johannus Baptist Ludovicus de Castillion, Bisschop van Brugge en erfpachtig “Cancelier van Vlaanderen goedkeuring gegeven op 22 maart 1751. Deze datum wordt gehanteerd als stichtingsdatum van dit broederschap.
Het broederschap neemt tijdens een kerkdienst een nieuwe broeder in haar gelederen op. Bij die gelegenheid dragen alle confraters hun fraaie mantels. Op voordracht van een confrater, een zuster of de rector wordt men voorgesteld en eventueel, na beraadslaging, op proef voor een jaar aangenomen. Indien hij tijdens deze tijd voldeed, aan de voorwaarden gesteld in de statuten, wordt hij op Pinksteren op plechtige wijze tijdens de hoogmis aangesteld. Ruim een jaar heeft hij op zijn officiële kleding moeten wachten. De raadsleden van de Confrérie dragen tijdens de plechtige kerkdienst hun mantel met daarop het wapen van de broederschap en de 'deken' heeft de zilveren draagmedaille omgehangen. Met stralende gezichten schrijden ze na afloop van de ceremonie in processie de kerk uit. Ze mogen met maximaal 22 zijn. Op aanvraag kunnen zij emeritus worden. Onder het toeziend oog van de proost die kort tevoren de nieuwe broeder plechtig in de Confrérie had opgenomen. De raadsleden houden wel op z'n tijd van traditie en decorum. De fraaie mantels en draagmedaille horen nu eenmaal bij de geschiedenis van de broederschap. En die gaat heel ver terug zelfs tot in de middeleeuwen. De huidige confraters dragen hun gewaad alleen bij religieuze gelegenheden. Na de ceremonie in kerk verdwijnen de tenues in de kleerkasten in het kleedlokaal en worden er op de eerstvolgende hoogdag weer uitgehaald.
Ook op 15 augustus worden die weer te voorschijn gehaald, want dan treedt de broederschap weer in vol ornaat naar buiten tijdens de Blindekensprocessie. Dit is wel de belangrijkste doelstelling van de Confrérie namelijk de uitstraling van de devotie tot Maria.