Tekst Feestrede 1e OASE lustrum Uitgesproken door Theo Schoenaker Doetinchem 31-5-1969Bron: Aspecten van Psycho-hygiëne in de “Doetinchemse Methode” (OmniPageScan: Adrie van der Horst a-mvanderhorst@hetnet.nl )Van THERAPIE NAAR PREVENTIE Van Reëducatie naar educatie
Vanaf 1959 waren mijn vrouw en ik logopedisten. Het boek van A. Goeman “Het probleem van het stotteren” was ons beider lijfboek. Goeman legde met zijn warme menselijkheid de basis voor onze liefde tot stotteraars. Hij laat echter in zijn boek duidelijk uitkomen dat de bestrijding van het stotterprobleem een moeilijke zaak is en over de prognose laat hij zich niet erg duidelijk uit. Gelukkig hadden mijn vrouw en ik dezelfde docent voor het vak stotteren gehad, de heer J. Heymans uit Nijmegen. Behalve een bruikbare methode en nuttige wenken gaf hij ons vooral het geloof mee dat het stotterprobleem met succes kon worden aangepakt en hij noemde eens en passant de noodzakelijkheid van een stotterinternaat. Deze idee hebben wij opgepikt en zoals U weet in 1964 gerealiseerd toen mijn schoonouders het geweldige besluit namen om omwille van ons internaat het veld te ruimen, d.w.z. hun huis Wijnbergseweg 15 te verlaten en naar een flat te trekken.
In 1959 begonnen we dus met de liefde van Goeman, het geloof van Heymans en ons eigen fanatisme aan de behandeling van stotteraars. We werkten indertijd met de bewegings-gevoelspraakmethode van de heer Heymans. Een heel zinvolle manier van werken waarbij het kinaesthetische element aanvankelijk op zeer eenvoudig niveau werd aangesproken en later werd ontwikkeld naar het niveau van het kinaesthetisch (gevoelsmatig) beleven van het spreken.
We hadden wel Heymans geloof, maar niet zijn wijsheid. Hele groepen stotterende kinderen werden met die methode systematisch aangepakt, de ouders werden erbij gehaald en deze kregen de opdracht om te zorgen dat de kinderen:
a) hun oefeningen deden
b) overdag ook deze techniek gebruikten.
Toen ons eerste blinde enthousiasme voorbij was en we minder oog kregen voor onze eigen activiteit en meer voor de uitkomsten ervan, toen zagen we vrij kort na elkaar enkele merkwaardige verschijnselen die bekend staan als symptoomsubstitutie. Een geval was heel duidelijk en bepalend voor onze verdere ontwikkeling, zelfs aanleiding tot het ontstaan van de OASE.
Geval:
Henk, een jongen van 10 jaar, zeer intelligent met ernstige stottersymptomen, uit een gezin waar nogal spanningen heersten. Vader was astmatisch. De ouders, die bij de behandeling werden ingeschakeld zorgden er heel goed voor dat de zoon graag, of met tegenzin, zijn oefeningen deed en dat hij overdag zijn spreektechniek toepaste. De jongen zelf had last genoeg van zijn stotteren om er ook wel wat voor te willen doen en hij was intelligent genoeg om te snappen hoe dat moest. Na 3 maanden was er van stotteren geen spoor meer. Zoon en ouders namen dankbaar afscheid van de van trots stralende therapeuten en kwamen na 3 maanden weer terug aan onze deur omdat daar ook “ademtherapeut” opstond. Dezelfde jongen leed toen aan ernstige astma-aanvallen. Onze ademtherapie bestond toen nog uit actieve buikbewegingen en fixatieoefeningen voor de borstkas om zo het middenrif te mobiliseren.
Na enkele maanden oefenen. even intensief onder dezelfde serieuze controle van pa en ma kon de jongen met de ademtechniek zijn astma-aanvallen onder controle krijgen en werd de behandeling afgesloten.
Toen ik enkele maanden later moeder in de stad ontmoette, vertelde ze dat het heel goed ging met Henk. Ze was nu echter bij de zenuwarts voor de behandeling van zijn bedplasserij, die na zijn astma was begonnen.(Toen begon bij ons een lampje te branden) De zenuwarts maakte dat het bedplassen ophield het stotteren begon weer.
Zo, dat is het verhaal. We hebben toen het besluit genomen om met deze soort van behandeling op te houden. We meenden, dat onze taak verder ging dan het verplaatsen van symptomen. We begrepen toen wat we eigenlijk hadden kunnen weten n.l. dat we niet alleen het stottersymptoom in engere zin, maar dat we de angst en spanning die daar achter zitten moeten behandelen. Heymans deed dat ook wel, maar zoals gezegd: “We hadden wel Heymans methode, maar niet zijn wijsheid”. We besloten niet meer met kinderen te werken, omdat we toen begrepen dat je kinderen niet kunt behandelen zonder de ouders te behandelen. Kinderen zijn immers ook in hun gestoordzijn een product van de ouders en van het milieu waarin ze opgroeien.
We gingen zoeken naar andere methoden en kwamen bij de Yoga terecht. Dat was eind 1960. Veel stotteraars hebben met ons de “kopstand” geoefend en andere standen uit de Hatha Yoga getraind. Er werd heftig geademd en hoe meer er geademd werd hoe vaster de stottersymptomen kwamen te zitten. We waren duidelijk op de verkeerde weg.
Toen hield midden 1961 in Arnhem een man een lezing over “Yoga en de Westerse mens”. Hij vertelde niet zoveel over Yoga, hij vertelde over ontspanning en over zijn lerares Alice Schaarschuch, over intasten en rekposities, over houding en de relatie daarvan tot de adem, over bovenpool en benedenpool en hij ontvouwde daar een therapeutisch beeld zo simpel en zo zinvol, dat we halverwege de lezing al wisten: “Dat is onze man!” We kregen anderhalf jaar lang elk weekend les van hem. Hij bracht ons in kontakt met F. Mathias Alexander, (houdings- en coördinatieprincipes) Gerhard Meyer (adem-en stemmethode). Elsa Gindler (ontspannings-en bewegingstherapie), Graf von Dürkheim (Hara). Hij was ons een echte goeroe (leraar) die ons minder leerde door woorden dan door zijn voorbeeld. Door deze man maakten we ook kennis met de wereldomvattende leringen van Bahá'u'lláh. Leringen die een dagelijkse aanmoediging zijn tot zelfwerkzaamheid en daarmee de belangrijkste inspiratiebron voor de positieve geest van de therapie die we sindsdien zijn beginnen te ontwikkelen. De man die ons de nieuwe wereld opende was geen logopedist, hij was balletdanser geweest bij het ballet van Joost, had in Italië gezongen en bij Gerhard Meyer zang gestudeerd, gaf Yogaoefeningen en noemde zich ontspanningsleraar. Deze man was Arnold van Ogtrop. Zijn leraren waren onze leraren en toen we eenmaal als reizende leerlingen van leraar tot leraar trokken, toen vonden we zelf nog enkele typische logopedische leraren - w.o. de onvergelijkelijke Dr. Helene Fernau Horn - erbij. Zo konden we in 1964 met de eerste interne behandeling beginnen. Een behandeling geschoeid op een heel andere leest dan in 1959. De ouders van mijn vrouw hadden ons de ruimte gegeven en mijn moeder werd de moeder van de OASE.
Door haar bescheidenheid en liefdevolle inzet voor de huishoudelijke zaken veroverde ze een bijzonder plaatsje in het hart van velen, die enige tijd in ons, huis verbleven. (De liefde gaat door de maag)
Iets van de Yoga-achtige ideeën was toch aan ons blijven kleven. De ontspanning vormde voor ons een ietwat mystieke schemerige wereld, waarin we ons geborgen voelden. We hebben - omdat de ontspanningstechniek voor ons een redding uit een werkelijke nood vormde de waarde van de ontspanning aanvankelijk wel overschat. Het boek HARA van Dr. Karlfried Graf von Dürckheim heeft daaraan wel bijgedragen. Natuurlijk vindt de mens door het ontspannen in zichzelf rust en zekerheid; natuurlijk komt hij door zelfanalyse tot een zekere mate van zelfkennis, maar - en daar zat ons hiaat, de mens functioneert pas volledig als hij zich als sociaal wezen leert gedragen IN de gemeenschap.Dat leerden we niet van Dürckheim. Ons ontspannen was een tijdlang doel, waar het middel had moeten zijn.
Deze gerichtheid op de oefening onder verwaarlozing van de gemeenschap maakte dat we de ouders volledig buiten de therapie hielden. Daar zijn moeilijkheden uit ontstaan. Sommige stotteraars gedroegen zich nogal geheimzinnig als ze thuis in een half donkere kamer op de grond hun ontspanningsoefeningen deden, met het gevolg dat de ouders heel merkwaardige gedachten gingen ontwikkelen over “die oefeningen” van de Schoenakers.
Fouten zijn ervoor om te corrigeren. Zo ontstonden de eerste ouderdagen. Het idee: “open kaart” spelen met je stotteren en: “je omgeving erbij betrekken” werden verder uitgewerkt en nu zijn we zover dat ieder zich bewust is, dat hij als een pendel is vastgehecht in de therapie en zichzelf in dienst van zijn eigen vooruitgang beweegt tussen zijn binnenkamer en de gemeenschap, waarbij de gemeenschap kan worden gezien als het terrein waar je vooruitgang getest wordt,
Als overgangsgemeenschap vormde aanvankelijk “Demosthenes” met allemaal bekende vrienden nog een sterk besloten en beveiligde groep. Nu zijn de oefengroepen de veilige havens en de weekends van, “Demosthenes” met tegen de 70 deelnemers levensechte gemeenschappen met steeds nieuwe gezichten van stotteraars en logopedisten. Deze Demosthenes gemeenschap vormt zo een vloeiende overgang naar elke willekeurige gemeenschap, waar de stotteraar zich als stotteraar met zijn middelen en zijn groeiend gevoel van zelfvertrouwen leert bewegen. Dat deze pendel-idee juist is blijkt uit de resultaten die bij de groepen uit 1969 aanzienlijk beter zijn dan bij de groepen uit 1964/1965, toen het accent meer lag op de individuele oefening.
Ook de grotere groepen van tussen 20 en 30 man lijken een bijdrage te zijn aan de positieve ontwikkeling van het individu. De grote groep is niet zo een besloten veilige haven als een groepje van 6 tot 8 man. De grote groep leeft meer een eigen leven en staat niet van minuut tot minuut onder invloed van de therapeut. Ze is levensechter, moeilijker voor de stotteraar. Het levensechte komt tot uitdrukking in de reacties van zo'n grote groep. Het zijn reacties van goedkeuring of afkeuring van elkaars gedrag. Het zijn reacties die gevoeld worden als reacties van straf of beloning en daaraan valt heel wat op te voeden voordat deze reacties een nuttige bijdrage zijn voor de therapie. Immers de reacties van goedkeuring of afkeuring, van beloning en straf in zo'n groep zijn die welke ook in onze maatschappij gangbaar zijn. Ieder van ons kan aan zijn gevoel van eigenwaarde afmeten dat die methoden heel dikwijls frustrerend, niet erg opbouwend zijn geweest.
Waar opvoeden voor een belangrijk deel bestaat uit reacties van goedkeuring of afkeuring daar mag een mens zich gelukkig prijzen als hij een goede opvoeder in zijn leven ontmoet, omdat beloning en straf op de verkeerde plaats ernstige gevolgen kunnen hebben. Teveel negatieve reacties ontmoedigen ons en versterken ons gevoel van minderwaardigheid of van anderszijn-dan-de-anderen; teveel lof, teveel beloning kan ons aanleiding geven tot zelfoverschatting en ons bovendien afhankelijk maken van de lof van de ander. We worden dan niet zelfstandig.
Mijn vader was zo'n verstandig opvoeder. Hij strafte alleen onmiddellijk na het gedrag dat hij wilde bestraffen. Als wij - mijn broer en ik - een kwajongensstreek uithaalden in zijn afwezigheid, dan was hij zelfs op moeders verzoek niet bereid daar bij zijn thuiskomst voor te straffen. Hij praatte dan gewoon met ons en gaf ons het gevoel dat hij ons vertrouwde. Voor ons werd dat op den duur een heerlijke zekerheid, want in de praktijk kwam het erop neer dat hij vrijwel nooit strafte. Zijn consequente houding heeft een geweldige indruk op me gemaakt. Toen ik dan ook met de therapie begon begreep ik heel goed, dat je een stotteraar die je wilt corrigeren midden in zijn blokkade moet grijpen en niet achteraf met hem moet praten over wat hij ter correctie eigenlijk had moeten doen. Voor het compliment geldt dat ook. Natuurlijk is het wel fijn als iemand achteraf tegen je zegt dat je toen en toen iets goed deed, maar de waarde van de onmiddellijke correctie of de onmiddellijke waardering is dat ze die bepaalde gevoelens van dat moment als juist of als onjuist kleurt en de leerling daardoor dat wat juist is doet ERVAREN. En daarmee is het belangrijkste woord gegeven. De mens leert door ervaring en niet door toespraken.
Dat leerden we vooral van Gerhard Meijer, de stemvormingkunstenaar uit Krommenie. De man, waar we onze zuigoefeningen leerden kennen, de man die je met weinig woorden ongelooflijk veel leert, de man die werkelijk weet waar hij het over heeft als hij over stemtherapie spreekt. Gerhard Meijer zegt zelden iets. Hij oefent met je. Hij knikt van JA of maakt één beweging van NEE. Hij laat je stoppen, wijst met zijn vingers in de richting van waar je op dat moment je aandacht moet richten, laat je ademen en daaraan ziet of hoort hij of hij hm(ja) of hm(nee) moet doen en als hij hm(ja) doet dan blaas je als leerling de hoogste tonen eruit.
Op dat moment doet Meijer..... (hand scheef, hoofd scheef, lippen tuten). Daar wordt niets bij gezegd en als je als leerling thuiskomt van les, dan ga je niet achter de piano zitten denken: “wat zei hij ook weer?” nee, dan zoek je de sensaties, die je daar beleefde in je eigen lijf weer op. Je zoekt de juiste coördinatie.
Meijer geeft met gebaren en een enkel woord instructies voor de juiste coördinatie. Die voorbereidingen bekrachtigt hij (hm,ja hm,nee) en de beloning voor je medewerking ervaar je in jezelf als je toon daarna goed en makkelijk zit. Deze beloning die je in jezelf vindt ondersteunt hij slechts (hand, hoofd scheef, lippen tuten).
Iedere pedagoog bekrachtigt op zijn eigen manier en door onze ervaring met veel pedagogen waar we lessen kregen in ademen, zingen en spreken, ontspannen, bewegen en houding hebben we leren onderscheiden.
Bij Dr.Walter Werner (leerling uit de school van Schlaffhorst-Andersen) gingen we “tönen”. Het “tönen” is een manier van zingen waarbij per uitademing maar één, hoogstens twee tonen geoefend worden. Het gaat eigenlijk meer om de inademing, die NA de toon komt.
Toch is ook de toon weer voorwaarde voor een goede inademing. Het is dus begrijpelijk, dat zowel de toon als de inademing door Werner bekrachtigd worden. Als de leerling een goede toon zingt, dan kijkt hij met zijn kleine fonkelende varkensoogjes vanachter de piano naar de leerling en net even voordat de te verwachten inademing komt, juicht hij met armen en benen en bevestigt “Da --- hast du ne Einatmung!” Dat geeft je een geweldige beleving van die inademing en het lijkt alsof jouw beleving afhankelijk is van zijn enthousiasme. En dat is ook zo. Werner had werkelijk plezier in zo'n inademing, die als nieuw leven bij zijn leerling geboren werd, maar zijn reacties schoten over…..
Als leerling ga je op zulke reacties speculeren omdat je ze nodig hebt. De leraar moet dan steeds enthousiaster reageren om jou je beleving te bezorgen. Je wordt afhankelijk van de beloning. Je leert niet in jezelf een innerlijke norm voor juist of onjuist te vinden.
Je wordt niet zelfstandig, niet volwassen.
Door kennismaking met de gedragstherapie (ik ontmoette de heer Zwaan in 1966) leerde ik voor het eerst de therapeutisch bedoelde begrippen “beloning en straf” -samen te vatten als BEKRACHTIGING - kennen. De gedragstherapie heeft ons veel geholpen om ons eigen werk beter te begrijpen. Ook de stotteraars hebben veel geleerd van de lezingen van de Heer Zwaan. De gedragstherapie waarschuwt ook tegen teveel en onsystematisch belonen en straffen. Het is interessant dat in de groepen bijna steeds dezelfde reacties tegen de begrippen “beloning” en “straf” te beluisteren zijn Er wordt als het ware tegen geprotesteerd.
Het begrip “beloning” heeft een niet onverdeeld prettige klank. Voor een BELONING doe je iets, zoals we geleerd hebben te werken OMDAT we ervoor betaald. (beloond) worden. We zijn zelfs geneigd harder, langer te werken als we meer loon ontvangen (loon verzoet de arbeid), naar we voelen aan dat deze verhouding in de therapie niet opgaat. Als stotteraars willen we wel erkenning vinden, we willen wel van de leider, de leraar, de therapeut horen wat juist en wat onjuist is, om dan tussen goed en fout onze menselijke keus te leren maken maar we willen niet naar het niveau van de dressuur waar we met klontjes en tumtummetjes beloond worden in dienst van gedragsconditioneringen. Misschien is het omdat we niet meer accepteren dat er een autoriteit is die door straf en beloning zijn macht, zijn superioriteit kan tonen.
Voor de opvoeding en de zelfopvoeding wil ik daarom nog eens het begrip BEMOEDIGING aanbieden. Bemoediging gaat verder dan beloning. Bemoediging is de uitdrukking van geloof en vertrouwen in de mogelijkheden van de ander, ook op een moment dat deze zich niet volgens de regels gedraagt. Als we de mens zien als een bron van positieve mogelijkheden, die slechts tot ontwikkeling komen door het positieve in hem aan te spreken dan zijn al onze reacties bemoedigend. Als we de ander respecteren, dan zullen we niet kritisch of anderszins negatief op hen, reageren. Het begrip bemoediging en de daarmee verbonden verhouding tussen opvoeder en leerling op basis van menselijke gelijkwaardigheid, wederzijds respect en achting past beter in ons huidig democratisch denken dan beloning en straf. Democratie is hier niet bedoeld als politieke denkrichting, naar als levenshouding.
Dr. P.H. Damsté heeft erg veel voor ons betekend. Hij heeft geloof ik nooit gezegd dat hij ons zo knap en zo flink vond of zo iets. Hij heeft nooit extra geapplaudisseerd. Hij heeft ons nooit beloond om daarmee ons gedrag te conditioneren. Hij heeft ons altijd helemaal vrij gelaten om onze eigen vorm te vinden. Hij is mee gaan denken, mee gaan ervaren. Hij was de eerste medicus, die ik ontmoette, die bereid was om op de grond te gaan liggen om daardoor te ervaren wat ik bedoelde. Als een man die een goede naam te verliezen heeft, zijn naam aan jouw werk wil verbinden en daarbij ook in tijden dat de algemene opinie niet onverdeeld positief is, geen extra voorwaarden stelt voor jouw gedrag, dan is dat een uitdrukking van geloof, van vertrouwen, van waardering voor jouw persoon en je werk. Dan is dat geen beloning, dan is dat een bemoediging van de zuiverste soort. Bemoedigingen gaan boven elke beloning uit. Mensen belonen is een techniek, die geleerd moet worden. Mensen bemoedigen is de uitdrukking van een positieve levenshouding.
Zuivere bemoedigingen ontvingen we ook van stotteraars, van logopedisten en psychologen en vrienden, die in de eerste experimentele stadia vertrouwen en geloof in ons toonden door trouw te blijven en mee te werken aan de ontwikkeling van onze ideeën. Vooral de heren Wiwel en Bastijns, die als psychologen onze eerste groepsbehandelingen begeleidden, hebben bijgedragen tot de richtingsbepaling in de eerste tijd. De heer Wiwel was toen nog studerende en heeft nu een belangrijke functie in het oosten des lands. De heer Bastijns deed bij ons de eerste logopedische stotterervaring op en is nu het Hoofd van de Logopedische Dienst aan de Universiteit van Leuven. U ziet maar weer hoe ver een mens het kan brengen als hij in de OASE begint. (OASE: School voor Ontspanning, Ademing en Stemvormende Expressie, de naam van het eerste stotterinstituut van de Schoenakers. AvdH)
Ik heb aan het thema beloning en bemoediging nogal wat aandacht besteed omdat het ons allemaal aangaat. We zijn allemaal opvoeders ook de stotteraars, die immers in de vereniging Demosthenes om de beurt het leiderschap van een oefengroep krijgen toegewezen. Bovendien zijn er nogal wat stotteraars, die nu of in de toekomst zullen assisteren bij de behandeling van jongere stotteraars. Weet U, de achtergrond van ons aller opdracht om te bemoedigen en op de juiste wijze te belonen ( =op de juiste wijze op te voeden) is het advies dat al sedert duizenden jaren aan de mensheid is gegeven door de werkelijk grote opvoeders der mensheid. Dat zijn de grote godsdienststichters.. Zover ons de geschiedenis daarvan bekend is hebben deze figuren ons altijd geleerd dat we niet “moeten hechten aan vruchten van ons werk” en dat we “het beste uit onszelf moeten geven zonder daarvoor iets terug te verwachten. Eigenlijk bedoelen deze twee uitspraken hetzelfde. Als je een prestatie hebt geleverd, dan moet je daar niet aan hechten d.w.z. daar niet innerlijk mee verbonden blijven totdat iemand zegt dat het goed was. Je moet er niet iets voor terug verwachten. Je moet dus niet pas dan tevreden zijn, als je voor je bijdrage een compliment krijgt. Deze eeuwenoude oproep tot werkelijke volwassenheid helpt ieder van ons in zichzelf en de ander te vervullen als hij BEMOEDIGING in gouden letters boven zijn deur hangt en de techniek van BELONING op de juiste wijze leert hanteren.
Dit was een klein deel van de terugblik.
De beperkte tijd laat niet meer terugblik toe. Laten we eens kijken naar het heden.
Hoe ziet het er nu na 5 jaar uit?
We hebben:
Een stotterinstituut voor behandelingen van volwassenen boven 16 jaar en jongens van 13-16 jaar.
Wetenschappelijk onderzoek van de behandelingsresultaten en onderzoek van de methode.
Vereniging Demosthenes met vele regionale oefengroepen. Zij organiseert werkweekends en zorgt voor voorlichting.
Stichting ter Bestrijding van het Stotteren.
Werkgroep methode Schoenaker
Opleiding in Ontspanningstherapie en Stottertherapie
Groeiend logopedisch kader
Kadergroep van stotteraars, die als leiders kunnen optreden.
Nieuwe methoden: Alexander, Fernau-Horn, Zuigen e.d., waar logopedisten hun voordeel mee doen.
Vertrouwen van stotteraars in de toekomst.
En hoe gaat het nu verder?
We moeten weten wat de eisen van dit moment zijn. De behandeling van volwassen stotteraars ontwikkelt zich nu vanzelf. De methode ontwikkelt zich ook in de handen van anderen zolang de geest zuiver blijft. Deze geest wordt geboren uit en in stand gehouden door de zelfwerkzaamheid van de therapeuten. Als deze geest eruit gaat, dan blijft er alleen maar een methode over. De zaak verstart, verdroogt en geeft geen vruchten meer. Wat overblijft zijn onwerkzame oefeningen en in het ergste geval een organisatie die deze oefeningen vertegenwoordigt. De therapeuten, die werkelijk begrepen hebben waar het om gaat - en dat zijn er gelukkig heel wat - die hebben zelfwerkzaamheid als punt 1 op hun dagagenda staan. Dat gaat dus verder wel goed. Behandelen van volwassen stotteraars is als het paard achter de wagen spannen. We lossen het stotterprobleem immers niet op door te wachten tot de mensen volwassen zijn. Nee, we moeten nu langzamerhand naar het kind. Sinds Herman Poort mij attent heeft gemaakt op het boek van Wendell Johnson: “People in Quandaries”, houdt het thema mij voortdurend bezig. Wendell Johnson beweert dat het stotteren niet begint in de mond van de stotteraar maar in het oor van de luisteraar. Als dat waar is dan is het de eis van dit moment om meer en meer aandacht te besteden aan de oren van luisteraars. Johnson bedoelt met die oren de opvoeders en daartoe behoren op de eerste plaats de ouders. Als we de ouders konden leren zich op de juiste manier t.o.v. hun kinderen te verhouden dan zouden we het stotteren kunnen voorkomen. Johnson stelt de ouders verantwoordelijk voor het ontstaan van stotteren. Zij hebben het kind in zijn spraakontwikkeling gekritiseerd en attent gemaakt op zijn overigens normale struikelingen en haperingen en daaraan de label stotteren gehangen. Johnson zegt: “Omdat men bij dit onschuldige verschijnsel de diagnose: “Stotteren” stelt, daarom ontstaat het echte stotteren. Hij noemt stotteren een “Diagnostogene storing.” Johnson heeft Indianenstammen gevonden waar geen stotteraars voorkomen en hij schrijft dat toe aan het feit dat kinderen daar niet in hun spraakontwikkeling op negatieve wijze gekritiseerd worden.
De les die ik van Johnson leer is deze: Er zijn kleinere samenlevingen (o.a. Indianenstammen) waar de mensen meer achting voor zichzelf en elkaar hebben dan wij. Waar niet door luide stemmen, kritiek en vitterij wordt opgevoed. Daar tegenover staat onze betrokkenheid op de fouten, onze diep gewortelde neiging tot kritiseren op basis van gebrekkig wederzijds respect, die maakt dat onze pogingen tot opvoeden eerder tot ontmoediging dan tot bemoediging leiden. Ontmoedigde kinderen zijn kinderen die door voortdurende meestal goed bedoelde kritiek het vertrouwen in hun eigen mogelijkheden verloren hebben. Ontmoedigde kinderen zijn kinderen met gedragsstoringen met leerstoringen, met astma, het zijn kinderen die bedplassen, kinderen die stotteren.
Wat kunnen we doen om aan de eisen van dit moment, nl. hulp aan stotterende kinderen, iets te kunnen doen. Het antwoord geeft Johnson. We moeten bij de ouders zijn. Nee, niet de ouders inschakelen als verlengstuk van de logopedist in die zin, dat de ouders moeten zorgen dat de kinderen hun oefeningen doen. Dat deden we vroeger ook (zie geval Henk). Daarmee spelen we juist de gestoorde relatie ouders - kind in de kaart, We moeten ouders leren hun ideeën over opvoeding en hun mening over zichzelf in positieve zin te wijzigen.
Opvoeden is nooit een makkelijke taak geweest. Nooit hebben mensen die gingen trouwen van tevoren een opleiding gehad in opvoedingsprincipes. Misschien was dat ook niet zo nodig. We hadden immers een traditie van kinderen opvoeden waarbij ieder het er over eens was dat de opvoeder de autoriteit was waaraan de opvoeding te gehoorzamen had.
Ideeën als “Je doet het omdat ik het je zeg” en “kinderen mogen wel gezien, naar niet gehoord worden” waren algemeen geaccepteerd.De opvoedeling moest respect hebben voor de opvoeder en deze gehoorzamen anders werd er gestraft. Zo ging het van generatie op generatie. De geweldige technische en maatschappelijke ontwikkelingen en vooral de daarbijbehorende democratisering van onze huidige samenleving met haar principe van menselijke gelijkwaardigheid maken de oude opvoedingsideeën krachteloos. Waar het democratisch principe terrein won, daar verloor vader zijn dominerende positie over moeder en beide verloren ze de absolute heerschappij over de kinderen. Leraren en andere zg. gezagdragers wordt de autoriteit ontzegd. Beloning en straf als opvoedingsmiddelen uit een autocratisch systeem hebben niet meer die uitwerking die opvoeders ervan verwachten. Opvoeden is nooit een makkelijke taak geweest, maar nu we nog met één been in de oude autocratische en met één been in de nieuwe democratische wereld staan, nu is opvoeden zonder hulp van nieuwe psychologische principes, gebaseerd op ideeën over een democratische manier van samenleven niet meer mogelijk. De crises in de gezagsverhoudingen zowel binnen de gezinnen als binnen de kerken, aan de scholen en de universiteiten, zijn allemaal te beschouwen als geboorteweeën van een nieuw tijdperk. We moeten nieuwe methoden vinden die passen bij het positieve vrije zelfbewustzijn van de jeugd. De jeugd, die de kiemdrager is van dit nieuwe tijdperk. Die methoden zijn er, maar er moet nog veel ervaring opgedaan worden om de principes op concrete gevallen toe te passen.
Er is een belangrijke stroming in de Individualpsychologie die onder aanvoering van Prof. Rudolf Dreikurs, kinderpsychiater in Chicago, al veel ervaring en goede resultaten heeft. We koesteren al lang de wens om deze man en zijn medewerkers eens te ontmoeten. We zouden daar veel van kunnen leren.
De ideale vorm van behandeling van kinderen zoals we die nu zien is: Een interne behandeling waar ouders en kind worden opgenomen. De ouders leren hun eigen gedragingen en reacties kennen en corrigeren! (Ontspannen, ademoefeningen en groepsgesprekken spelen daarbij een belangrijke rol). Tevens worden ze bekend gemaakt met opvoedkundige principes, die ze onder leiding van de therapeut op hun kind leren toepassen. Ouders en kinderen werken samen aan de verbetering van de spraakstoring.
Deze nieuwe vorm van therapie zullen we in de komende 5 jaren realiseren. Dit wordt een zaak van even grote omvang als wat er in de afgelopen 5 jaren tot stand is gekomen. Daarbij zullen we elkaar allemaal weer hard nodig hebben. De eerste oudercursus start nog dit jaar en bestaat uit 15 avonden verdeeld over een jaar. Deze cursus is nog alleen voor ouders (van stotterende kinderen.) De eerste cursus voor stotterende kinderen van 9 tot 11 jaar samen met hun ouders vindt plaats in de zomer van 1970. Een aanvulling op de ideeën die we zelf op dit gebied hebben ontwikkeld krijgen we in augustus op een congres op het eiland KRETA. We zijn tot deelname aan dat congres uitgenodigd door onze Baha'i vriend Erik Blumenthal die samen met Prof. Dreikurs uit Chicago dat congres organiseert.
Zo gaat dan onze lang gekoesterde wens om de mensen uit de school van Dreikurs te ontmoeten toch nog dit jaar in vervulling. We vinden dit een mooi jubileumgeschenk.
De beweging van onze activiteit gaat van THERAPIE naar PREVENTIE van reëducatie naar educatie en dat is de titel die ik aan dit verhaal wil geven.
Tot slot nog een blik in 1974 Zo ziet het er dan uit.
Een Nationaal Behandelcentrum (N.B.C.) en opleidingscentrum voor stottertherapeuten. Tevens wetenschappelijk centrum.
Regionale Behandelcentra (R.B.C.) zijn tevens stage centra voor de opleiding van stottertherapeuten en bieden gelegenheid tot het geven van scholingscursussen.
“Oudercursussen Democratische Gemeenschap”. Tevens opleidingcentra voor logopedisten en leerkrachten.
Gediplomeerde stottertherapeuten met jaarlijkse bijscholingscursussen in het N.B.C. waar zij ook hun jaarlijkse proeve van bekwaamheid afleggen.
Vereniging Demosthenes, die zorgt voor voorlichting, voor organisatie van weekends en voor de opvang van stotteraars en hun verdeling over oefengroepen.
Oefengroepen van Demosthenes met leiders die opgeleid zijn in het N.B.C.
zomercursussen voor jongens van 14-16 jaar, georganiseerd door leiding R.B.C. in samenwerking met Regionale Demosthenes Afdelingen. Tevens stagecentra voor opleiding stottertherapeuten en vormingscentra voor kader Demosthenes (leiders).
Zomercursus voor jeugdige stotteraars van 9-11 jaar en/of 12-13 jaar met hun ouders te verzorgen door R.B.C, en kaderleden van R.D.A.
Dit is wat er allemaal gaat gebeuren. Daarvoor zullen we elkaar verschrikkelijk hard nodig hebben. Ieder van ons speelt in het tot stand komen hiervan een belangrijke rol. Mijn vrouw en ik danken allen voor hun steun en medewerking aan de verwezenlijking van onze ideeën in de afgelopen jaren. Als ieder van jullie samen met ons hard gaat werken aan de nieuwe plannen, dan zal dat - daar vertrouwen we op - niet zijn omdat je ervoor beloond wordt, maar omdat ieder weet dat het hard nodig is.