Bron: Logopedie en Foniatrie 1964 (1-8)
Schoenaker, Th, Schlaffhorst-Andersen school voor ademing en stemvorming.
HET ZUIGEN van Ulrich & Meijer
HET ZUIGEN.
Toni en Theo Schoenaker.
Van de zangpedagoog Gerhard Meijer te Krommenie leerden we in 1962 het zuigend inademen kennen.
Onze eigen ervaringen in dagelijkse oefeningen en de ervaringen van enkele honderden leerlingen, waaronder zowel logopedisten als stotteraars en stempatiënten rechtvaardigen het enthousiasme over deze oefenmethode voor de adembeweging, die we kortweg het zuigen noemen.
Instructie
De instructies aan de beoefenaar kunnen als volgt luiden:
“Zet uw mond in de oe – stand die volgt op een bilabiale w. (Iemand heeft deze stand eens een “varkenssnuit” genoemd.)
Door deze stand ademt U rustig in. U hoort een donkere ruis.
De eerste weerstand voelt U bij de lippen, de tweede weerstand voelt U tussen de boventanden en de binnenzijde van de onderlip. Als uw lippen verder van elkaar zijn voelt U alleen de weerstand tussen boventanden en binnenzijde van de onderlip.
Op de plaats van de weerstand voelt U een koude luchtstroom.
De mondstand bij de uitademing is van geen belang, maar als U de juiste inademingsstand gevonden hebt, heeft het wel praktische waarde om bij de uitademing voorlopig de mondstand maar zo te houden.”
Bij de inademing werkt als belangrijkste spier het middenrif. De verbetering van de middenriffunctie is één van de doelen van de ademoefeningen. Bij het zuigen vernauwen we de inademingpoort bij de lippen, zodoende wordt aan de instromende lucht weerstand geboden.
Om deze weerstand te overwinnen moet het middenrif meer dan normale inademingactiviteiten ontwikkelen. Het beroep dat gedaan wordt op meer inademingkracht roept echter makkelijk activiteit van de ademhulpspieren op, zo zelfs, dat we bij de eerste zuigoefeningen vaak een paradoxale adembeweging kunnen waarnemen.
Om dit te voorkomen kunnen we de leerling vragen zijn aandacht op het buik/flanken/lendengebied te richten en daar de adembeweging te laten geschieden. Deze instructie leidt echter meestal tot verstijving en tot zinloze bewegingen van buik - en flankenspieren.
Gerhard Meijer lost dit probleem op door tijdens het zuigen bewegingen te laten uitvoeren met de schouders; de nek, de amen of de heupen. De aandacht van de beoefenaar is niet gericht op de plaats van de adembeweging, maar op de souplesse van de beweging van lichaamsdelen. Door die bewegingen wordt de werking van de hulpspieren grotendeels uitgeschakeld en wordt voor de inademing rechtstreeks een beroep gedaan op het middenrif. De meer of mindere elasticiteit van de romp, de huls waarin de long zich in haar samenspel met het middenrif moet ontplooien, is dan nog verantwoordelijk voor de ademcapaciteit.
De leraar, die ziet en/of hoort, dat de leerling bepaalde spiergroepen inschakelt die de beweeglijkheid van de romp en daarmee de inademingcapaciteit remmen, laat bewegingen uitvoeren op de plaats waar het op dat moment nodig is.
Vrijwel alle bewegingen verlopen onafhankelijk van de adembeweging d.w.z. de inademing en uitademing gaan niet synchroon met op - en neergaande bewegingen van schouders of met heen - en weergaande bewegingen van een been. De bewegingen zijn hoogstens als accenten in de ademstroom hoorbaar.
Zowel het ademen als het bewegen geschieden met groot gemak indien de instelling er één is van vanzelfsprekendheid, die de leerling overneemt uit het voorbeeld van zijn leraar. Ook hier geldt, dat het goede voorbeeld van de meester meer waarde heeft dan uitvoerige verbale correcties. Het gemak, de vanzelfsprekendheid, de ontspannenheid, kortom de gratie waarmee bewegingen tegelijk met het zuigen tot stand komen, getuigen van hun doeltreffendheid.
Mondopening
Door variaties in de mondopening aan te brengen kunnen we de eisen aan de inademingspieren hoger of lager stellen. Als de mondopening groot is en het aanzetstuk wijd horen we een donkere ruis. Dit is een teken, dat de weerstand slechts gering is en dat de inademingspieren slechts weinig belast worden.
Onder deze conditie is er weinig kans op de niet gewenste medewerking van ademhulpspieren. Als de mondopening kleiner wordt is de weerstand groter en de kans op onnodige spanningen groter. Als we de invloed van mondopening en zuigsnelheid overwegen dan ontstaan het volgende overzicht, dat voor de praktijk erg nuttig kan zijn.
Mensen, die het zuigen als ademtraining nodig hebben beschikken in de regel niet over goed ontwikkelde inademingspieren. Het is daarom goed heel voorzichtig te beginnen en te zorgen voor langzame toename van de eisen en vooral voor afwisseling in die eisen. Bij spieroefeningen is afwisseling een absolute noodzaak omdat herhaalde contracties van dezelfde spiergroepen tot spoedige vermoeidheid en verstijving leiden. Men kan b.v. de ene keer wat meer aandacht besteden aan de donkerte van de ruis en de lipstand en de volgende keer wat meer aan de ademlengte of de souplesse van bewegingen. Het is nuttig om bij de afwisseling te bedenken, dat een langzame gerekte inademing meer middenrifactiviteit vraagt en daarentegen elke korte energieke, maar toch diepe inademing meer borstkasheffing en uitzetting behoeft.
Het zuigen is een actieve bezigheid. Het overwinnen van de lipweerstand vraagt energie. De leerling moet zich dus meer of minder inspannen. Het appel op zijn wilskracht kan hem ertoe verleiden teveel kracht aan te wenden. Het gevolg is dan dat er verstijvingen optreden, waardoor er minder lucht binnenkomt dan bij een meer ontspannen instelling mogelijk zou zijn geweest.
Spanningen kunnen in de inademingspieren, maar ook in de uitademingspieren optreden. Bij het uitademen trekken de uitademingspieren zich samen terwijl de inademingspieren zich ontspannen, Als nu de volgende inademing snel op de uitademing moet volgen, dan kan het gebeuren, dat de uitademingspieren onvolledig ontspannen. Zij veroorzaken dan een antagonistische spanning. De inademing wordt belemmerd. De leerling heeft het gevoel, dat hij tegen een weerstand ademt. De leraar hoort dat de inademingcapaciteit kleiner is dan bij de vorige inademing, die zonder deze antagonistische spanning tot stand kwam.
Behalve afwisseling in mondstand en ademsnelheid zal daarom de leraar ook de ademfrequentie op een zinvolle wijze in het oefenprogramma weten onder te brengen. Een te hoge ademfrequentie bij te weinig lichaamsbeweging kan na enige tijd leiden tot hyperventilatie. Dit gevaar kan voorkomen worden door de ademfrequentie laag te houden, voor voldoende bewegingen te zorgen en tijdig rustpauzen in te lassen. Het accent bij het oefenen van het zuigen zal echter steeds liggen op de soepelheid van de bewegingen. Soepelheid is immers het zichtbare teken voor de goede samenwerking van antagonistische spiergroepen. In de praktijk zien we dikwijls aan de hoekigheid der bewegingen dat synergisten en antagonisten in het geheel geen beeld van goede samenwerking vertonen. Bij spiergroepen, die te gespannen zijn, vinden we meestal antagonistische groepen, die te slap zijn. Als we deze slappe spieren willen versterken, dan kan het zuigen ons daarbij een hulp zijn, maar pas op het moment dat de gespannen spiergroepen in staat zijn de spanning los te laten. Ontspanning, langzaam zuigen en voorzichtige bewegingen vormen daarom de bakens op de veilige weg.
Zuigen en stemvorming
Het zuigen is een van oudsher gebruikte ademmethode ter versterking van de ademmusculatuur.”Farinelli” de beroemde kastraat uit de Napolitaanse zangschool van Porpora (midden 1700) bracht uren per dag door met ademoefeningen en daarbij hoorde ook het zuigen. In Kofler's (I) “Die Kunst des Atmens” vinden we het zuigen als oefening nr, II aangeduid onder verwijzing naar Farinelli. Ook Stampa (2) wijst nog eens op het nut van het zuigend inademen en baseert zich daarbij op Kofler en op de ervaringen uit de school van Schlaffhorst-Andersen (3).
B. Ulrich (4) p die in 1928 zijn boekje “Die Sängeratmung” publiceerde, heeft blijkbaar los van bovenvermelde bronnen het zuigen herontdekt door zijn pogingen om geknepen stemmen meer “ruimte” te geven. Deze ruimte zocht hij in de ruimte van het aanzetstuk. Hij schildert het beeld van een ruim aanzetstuk met een ruime keelholte en een sterk geheven strotklep. De mondruimte tussen het harde gehemelte en de tong is groot. Het zachte gehemelte sluit naar boven achter de keelholte volledig van de neusholte af. Het strottenhoofd staat laag. Zo is het aanzetstuk in een ideale ruime toestand. Hij herinnert eraan, dat zo een ruim aanzetstuk verkregen kan worden door energieke inademingactiviteit. Wie echter niet energiek kan inademen omdat zijn inademingspieren te slap of zijn uitademingspieren te stijf zijn, die kan ook geen wijd aanzetstuk tot stand brengen.
Ulrich formuleert de relatie tussen de inademingactiviteit en verwijdingspanning van het aanzetstuk op verschillende manieren.
Hoe sterker we inademen, hoe groter de verwijding van het aanzetstuk uitvalt.
De kracht van de verwijdingspieren van het aanzetstuk komt overeen met de kracht van de inademingspieren.
Wie werkt aan de versterking van zijn inademingmusculatuur, die werkt aan de voorwaarden om een ruim aanzetstuk te kunnen maken.
In zijn samenvatting zegt hij:
“Een ruim aanzetstuk is voorwaarde voor een vrije of sonore resonerende toon. Een ruim aanzetstuk komt tot stand door een energieke inademing. Wie het vermogen om energiek in te ademen doet toenemen, die vergroot het vermogen om het aanzetstuk te verruimen en schept voorwaarden om een klankrijke toon te produceren”
Zijn eindconclusie is:
“De klankrijkdom van een toon hangt af van de hoogst mogelijke krachtsontplooiing van de inademingmusculatuur,
De inademingmusculatuur kunnen we op een veilige en doeltreffende manier versterken door de inademing te belemmeren zoals dit door het zuigen geschiedt. Zuigoefeningen kunnen zo een nuttige bijdrage zijn tot de conditietraining, die voor stemvorming nodig is.
Voordelen van het zuigen
Het hoorbare ademen maakt een rechtstreekse controle mogelijk op:
de ademlengte
de relatie tussen instromende lucht en uitzetting van de romp
de overgang tussen in - en uitademing en dus ook tussen inademing en de inzet van de fonatie.
de weerstand bij de lippen versterkt de inademingmusculatuur
het overwinnen van de weerstand versterkt de inademingmusculatuur
de combinatie van zuigen en bewegen is een goede ontspanningsmethode
Indikaties: Alle soorten van ademsufficienties bij lichamelijk gezonde mensen.
Literatuur:
Kofler, L., Die Kunst des Atmens, Kassel 1961
Stampa, A., Atem Sprache und Gesang, Kassel 1956
Schlaffhorst, C., en Andersen, H., Atmung und Stimme, Wolfenbüttel 1928
Ulrich, B., Die Sängeratmung, Leipzig 1928
Schoenaker, Th, Schlaffhorst-Andersen school voor ademing en stemvorming. Lo.en Fo.1964 (1-8)
Adem
Ademing
Ademhaling
Ademtherapie
Wat we nodig hebben is een ademtherapie die de mens in staat stelt om spontaan te leren ademen. Het is goed te weten dat de hele mens ademt. Niet zijn buik, niet zijn borst, niet zijn middenrif, maar de hele mens. Om dit te begrijpen hoeven we weer slechts onszelf en anderen gade te slaan in rust en beweging én in de veelvuldige reacties op levenssituaties.
In spanningen ademen we niet meer vrijuit:
Als er een beroep op ons wordt gedaan, dan ademen we uit als we daar toe niet bereid zijn; we ademen echter diep in als we daartoe wel bereid zijn.
Als we in het nauw gebracht worden trekken we ons op onszelf terug. We ademen niet meer vrijuit, maar als de situatie voor ons een gunstige wending neemt dan leven we weer op en krijgen we spontaan een diepe inademing.
Angst en spanning reageren het eerst in de benedenpool, waardoor de benedenpool wordt geblokkeerd. Vandaar de uitdrukking: “Hij knijpt 'm” of "Hij aarzelt" etc.
Het is steeds de mens die leeft in een wereld van wisselingen waarop hij als ademend wezen reageert. We kunnen de ademfunktie dus niet los van de mens beschouwen.
De plaats waar de adem ons beweegt is dus nauw verbonden met onze psychische houding.
De buikademing is de uitdrukking van zelfvertrouwen, gevoel van eigenwaarde, zelfstandigheid, zelfvertrouwen.
De borstademing is de uitdrukking van het streven, het zelfbehoud, het willen, het sterk gericht zijn op iets, het domineren.
We kunnen dus geen buikademhaling (is bewust) eisen daar de ademing een uitdrukkingsvorm is van onze houding ten opzichte van bepaalde situaties. Het enigste wat we kunnen doen is ‑de toestand‑ veranderen. Zowel de lichamelijke als geestelijke toestand!
De juiste psychische ademing komt voort uit de beweging van het middenrif. Zij wordt, als het in orde is, niet tot stand gebracht maar komt en gaat helemaal vanzelf. Is de beweging van het middenrif niet in orde, dan wordt zij overgenomen door een beweging van de hulpspieren, die, ‘meer naar boven’ zitten.
Zuigoefeningen worden door zangers veel gedaan ter versterking van het middenrif. De instromende lucht wordt door een vernauwing bij de lippen wat tegengehouden. Deze weerstand wordt door een grotere activiteit van het middenrif overwonnen. Het middenrif wordt door deze oefening versterkt. Om de hulpspieren uit te schakelen, maakt men tijdens dit zuigen bewegingen met de schouders, nek, armen etc. (Door tijdens de oefening deze bewegingen aandachtig gade te slaan oefent men tevens in de bewustwording.) Een plotseling te grote belasting, dus overbelasting, van het middenrif heeft een tegengestelde uitwerking. We dienen het middenrif dus langzaamaan, volgens een hiërarchie, meer te laten doen.
Grote mondopening en langzaam zuigen geeft heel weinig spierspanning.
Grote mondopening en snel zuigen geeft meer spierspanning.
Kleine mondopening en langzaam zuigen geeft nog meer spanning.
Kleine mondopening en snel zuigen geeft zeer veel spierspanning.
uit: "actief ontspannen Doetinchem, mei 1964.