Tot voor kort was er weinig wetenschappelijk onderzoek rond alfabetisering bij volwassenen. De meeste theorieën zijn gebaseerd op onderzoek bij kinderen die leren lezen en schrijven in hun eigen taal. Dit artikel is een synthese van drie onderzoeken naar alfabetisering bij volwassen Nederlandse migranten.
Hoe denken ongeschoolde volwassenen na over taal? Welke kennis hebben zij over de formele kenmerken van hun eigen taal? Wat zijn hun metalinguïstische vaardigheden?
Hoe komen analfabete NT2-leerders best tot lezen (woordherkenning)?
Hoeveel studietijd hebben zij nodig en welke factoren hebben een positieve invloed op hun leren?
Tot voor kort was er weinig wetenschappelijk onderzoek rond alfabetisering bij volwassenen. De meeste theorieën zijn gebaseerd op onderzoek bij kinderen die leren lezen en schrijven in hun eigen taal. Dit artikel is een synthese van drie onderzoeken naar alfabetisering bij volwassen Nederlandse migranten.
Hoe denken ongeschoolde volwassenen na over taal ? Welke kennis hebben zijn over de formele kenmerken van hun eigen taal ? Wat zijn hun metalinguïstische vaardigheden ?
Hoe komen analfabete T2-leerders best tot lezen (woordherkenning)?
Hoeveel studietijd hebben zij nodig en welke factoren hebben een positieve invloed op hun leren ?
Onderzoek 1 : metalinguïstische bewustzijn
Metalinguïstisch bewustzijn is de kennis over de formele kenmerken en de structuur van een taal en geldt als een belangrijke voorwaarde om tot lezen en schrijven te komen. Bij kinderen ontwikkelt dit bewustzijn sterk rond de leeftijd van 6 jaar. Er zijn 3 hypotheses over deze ontwikkeling.
Metalinguïstische ontwikkeling :
valt samen met algemene cognitieve ontwikkeling.
valt samen met taalontwikkeling.
groeit door kennismaking met de geschreven taal.
In de praktijk vallen bij kinderen al deze fasen samen, maar dat is niet het geval bij analfabete volwassenen. Zij zijn ervaren taalgebruikers van hun eigen taal en staan verder in hun cognitieve ontwikkeling. De enige overeenkomst is dat ze, net als jonge kinderen, niet kunnen lezen en schrijven.
Als metalinguïstische kennis, zoals in de tweede hypothese, een direct gevolg is van taalontwikkeling kan men een verschil verwachten tussen volwassenen (zowel lezers als niet-lezers) en kinderen.
Indien, zoals in de derde hypothese, metalinguïstisch bewustzijn vooral groeit door de kennismaking met geschreven taal verwachten we eerder een groot verschil tussen lezers en niet-lezers, en minder een verschil tussen analfabete volwassenen en kinderen.
Het onderzoek vergelijkt een groep kleuters, een groep ongeletterde volwassenen en een groep laaggeschoolde volwassenen. Men laat de deelnemers verschillende taken doen om het metalinguïstisch bewustzijn te onderzoeken. Deze taken hebben betrekking op rijmen, herhalen, woorden in fonemen opdelen, zinnen in woorden opdelen, de samenhang en de episodes zien in beeldverhalen.
Onderzoek 2 : woordherkenning
Woordherkenning wordt beschouwd als één van de belangrijkste vaardigheden bij aanvankelijk lezen. Er zijn twee dominerende modellen : het fase-model en het niet fase-model.
Het fasemodel stelt dat er verschillende fases zijn die een nieuwe lezer moet doorlopen om tot lezen te komen.
De logografische fase. Woordherkenning is hier direct en gebaseerd op de visuele memorisering van het woord.
De alfabetische fase. Woordherkenning is hier indirect en gebaseerd op het decoderen van de letters. We koppelen elk letterbeeld (grafeem) aan een klank (foneem) en voegen deze samen tot een woord. De verklanking speelt hier een belangrijke rol.
De orthografische fase. Decoderen gebeurt hier automatisch als een zeer snel proces in onze hersenen en woordherkenning gebeurt terug direct.
Het niet-fasemodel koppelt visuele symbolen direct aan betekenis. Het zet vooral in op de woordherkenning en verklanking is geen noodzaak. Door voldoende woorden te herkennen komen we automatisch tot lezen. Dit model is nogal populair in Engels-sprekende landen, omwille van een complexe orthografie. In veel landen wordt het ook gebruikt bij T1-leerders, wanneer zij in het verleden slechte ervaringen hadden met het fasemodel.
Onderzoek 3 : factoren die een positieve invloed hebben op leren
Voor dit grootschaliger onderzoek werden 58 alfabetiseringscursussen onderzocht met behulp van enquêtes onder cursisten en docenten, en op basis van de geletterdheidstesten niveau A, B en C van het Cito.
Conclusies
Uit het onderzoek blijkt dat de metalinguïstische vaardigheden van ongeschoolde volwassenen meer overeenkomen met die van kinderen in een voorschoolse periode dan met die van laaggeschoolde (anderstalige) volwassenen. Het is dus vooral de kennismaking met de geschreven taal die leidt tot een hoger metalinguïstisch bewustzijn. De manier waarop deze volwassenen leren lezen en schrijven verloopt volgens dezelfde fases als die kinderen doorlopen bij het leren lezen en schrijven.
Ongeschoolde NT2-leerders beschouwen taal niet als een systeem van klanken en tekens, maar als een communicatiemiddel en een referentiekader. Als zij reflecteren over taal gaat het niet over de vorm maar over de inhoud, of over de manier waarop dingen worden gezegd. Bij woorden denken ze aan concrete objecten of taalhandelingen. Bij het indelen van zinnen gebruiken ze inhoudelijke in plaats van taalkundige strategieën.
Ongeschoolde NT2-leerders doorlopen drie verschillende fases in de ontwikkeling van hun woordherkennings- en spellingvaardigheden. In de eerste fase herkennen ze woorden visueel en aan de hand van de context. In de tweede, zogenaamde alfabetische fase ontcijferen zij woorden eerst klank voor klank, waarna ze in de derde, zogenaamde orthografische fase woorden geleidelijk aan automatisch herkennen.
Ongeschoolde NT2-leerders hebben veel moeite met klank-letterkoppeling omdat ze fonemen van een tweede taal moeten leren die maar ten dele gelijk zijn aan die van hun eerste taal.
Ongeschoolde NT2-leerders moeten alle fases van de alfabetisering succesvol doorlopen om effectief te kunnen lezen en schrijven. Ze hebben hiervoor veel tijd nodig.
Ongeschoolde NT2-leerders leren het best als ze veel contact hebben met moedertaalsprekers Nederlands, met regelmaat de lessen bijwonen en huiswerk doen, individueel of in kleine groepen werken, ondersteuning krijgen in hun eigen taal, een portfolio gebruiken en het verband kunnen leggen tussen hun dagelijks leven en wat ze in de klas leren
Nederlandst. bewerking Wim Verbinnen
Kurvers, J. (2015). Emerging literacy in adult second-language learners: A synthesis of research findings in the Netherlands. Writing Systems Research, 7(1), 58-78. Doi: 10.1080/17586801.2014.943149