Na het classicisme volgt eerst de verlichting (le Siècle des lumières). In deze periode staat het menselijk verstand centraal. Nadat de Franse literatuur een tijd compleet in dienst van de koning (Louis XIV) heeft gestaan, zal hij nu in dienst staan van de mens en zijn kritische geest en de vrijheid van meningsuiting. Dit is ook de tijd van de Franse revolutie.
Hoewel deze tijd voor Frankrijk zeker niet onbelangrijk is geweest vliegen wij meteen door naar het romantisme, waarin de Franse literatuur zich afzet tegen de strenge regels van het classicisme.
De XVIIIe eeuw valt gemakkelijk samen te vatten als filosofische eeuw, of de eeuw van de encyclopedie, maar voor de XIXe eeuw is dat echter niet gemakkelijk te doen. In deze eeuw komen drie grote literaire stromingen tot bloei waarvan geen duidelijke begin- en eindtijd bekend is. Deze drie grote stromingen zijn: de romantiek, het realisme en het naturalisme, en het symbolisme.
Tijdens de romantiek - le romantisme - (ca. 1800 - 1850) ging men vooral in tegen de regels die tijdens het classicisme juist zo belangrijk waren. De nadruk lag in de kunst en in de literatuur op de gevoelens.
Er heerst veel onvrede in Frankrijk, waardoor deze vlucht in jouw gevoelens alleen maar aantrekkelijker wordt. De onvrede komt voort uit de mislukte idealen van de Franse Revolutie, de negatieve gevolgen van de industriële revolutie voor arbeiders (zij werken in slechte omstandigheden voor zeer lage salarissen en wonen ook nog eens in slechte, te snel gebouwde huizen) en het harde bewind van Napoléon zorgen voor een gevoel van onvrede, dit heet le mal du siècle.
Deze mal du siècle komt in de literatuur op twee manieren tot uiting. Aan de ene kant zijn er romantische schrijvers die de misstanden in de maatschappij aan de kaak stellen, zoals wij zullen zien in de werken van Victor Hugo. Aan de andere kant zijn er romantici die willen vluchten uit het hier en nu. Hun werk speelt zich af in het verleden en/of in denkbeeldige oorden in verre landen.
Tijdens de romantiek staat het culte du moi centraal. Dit culte du moi zijn het individu en zijn persoonlijke gevoelens. Het gaat hier om een ik die lijdt onder het mal du siècle en die volop in zijn gevoelens zit. Auteurs schrijven vanuit hun individuele beleving, in de ik-persoon. Hierdoor ontstaat een aantal nieuwe genres: het dagboek en de autobiografische roman. Ook in de poëzie wordt de ik-persoon nu gebruikt, vooral om persoonlijke gevoelens te uiten en de verhoudingen van de dichter tot zijn omgeving te omschrijven. Dit noemt men lyriek.
Een grote inspiratiebron voor romantici is de natuur, in tegenstelling tot de klassieke oudheid bij de classicisten. In een snel veranderende geïndustrialiseerde wereld staat de natuur pal tegenover de de nieuwe geïndustrialiseerde en vervuilde stad. De natuur staat hier voor vrijheid, puurheid en vrede. Romantici zoeken bescherming, troost en begrip in de natuur.
Literaire thema's die in de romantiek vooral veel terugkomen zijn:
- de geschiedenis van Frankrijk (tegenovergesteld tot de klassieke oudheid tijdens het classicisme)
- de Bijbel en de christelijke middeleeuwen (tegenovergesteld tot de oud-Griekse goden en godinnen)
- de natuur (de manier waarop de personages zich voelen komt tot uiting in de natuur)
- specifieke objecten of omgevingen, zoals: ruïnes, de maan en de couleur locale
In tegenstelling tot het classicisme laat men zich in de romantiek niet meer beïnvloeden door de klassieke teksten van bijvoorbeeld de oude Grieken, maar wel door buitenlandse literatuur (bijv. Goethe, Shakespeare).
Tussen de grote dichters, theatermakers en schrijvers van deze tijd zien wij één naam telkens terugkomen, Victor Hugo (1802 - 1885). Een aantal bekende Franse dichters van deze tijd zijn Lamartine, Alfred de Vigny, Alfred de Musset en Victor Hugo. Een aantal grote theatermakers: Alfred de Musset en Victor Hugo. En nog steeds bekende schrijvers van deze tijd: Stendhal, Balzac, George Sand en Victor Hugo. Je ziet het, hij was van alle markten thuis.
De heersende onvrede over maatschappelijke verhoudingen maakt dat sommige schrijvers zich willen inzetten voor hervormingen. Dit engagement vindt zijn uitdrukking in een nieuw genre: le roman social.
Deze sociale romans zijn meestal spannende boeken, geschreven voor een groot publiek, waarin de problemen van het gewone volk centraal staan. De ellende van de personnages wordt uitvergroot en overdreven om zo het medelijden en de verontwaardiging van de lezer op te wekken. Op die manier probeert de schrijver een aanzit tot verandering te geven. Zo ook Victor Hugo.
De schrijver en politicus Victor Hugo is een voorvechter van democratie en sociale hervormingen. Hij wordt na de revolutie van 1848 verkozen in het parlement, maar komt in conflict met Napoléon III na zijn staatsgreep in 1852. Vanwege zijn felle kritiek op de alleenheerschappij van de keizer wordt Hugo verbannen. Tijdens zijn ballingschap op het eiland Guernsey schrijft hij felle pamfletten tegen de keizer, maar ook zijn invloedrijke sociale roman Les Misérables (1862).
Victor Hugo wil in Les Misérables dus niet alleen een spannend verhaal vertellen, maar ook de ellende van eht volk beschrijven en een analyse geven van de oorzaken. Hij stelt ook de kracht van het Goede en de Liefdadigheid, soms in de vorm van personages, als voorbeeld in zijn boeken.
Les Misérables werd in delen uitgebracht en was zó succesvol dat mensen al 's ochtends in de rij stonden om het vervolg te kunnen bemachtigen. Het verhaal is erg spannend en veel lezers herkennen zich in de problemen die beschreven worden, waardoor zij gemakkelijk met de personages mee kunnen leven.
Victor Hugo, 1876
De moeder van de kleine Cosette is overleden. Ze woont nu bij de familie Thénardier, die haar erg slecht behandelt. Ze wordt midden in de nacht het bos in gestuurd om water te putten.
Elle fit ainsi une douzaine de pas, mais le seau était plein, il était lourd, elle fut forcée de le reposer à terre. Elle respira un instant, puis elle releva l'anse (het hengsel) de nouveau, et se remit à marcher, cette fois un peu plus longtemps. Mais il fallut s'arrêter encore. Après quelques secondes de repos, elle repartit. Elle marchait penchée en avant, la tête baissée, comme une vieille ; le poids du seau tendait et raidissait ses bras maigres ; l'anse de fer achevait d'engourdir et de geler ses petites mains mouillées ; de temps en temps elle était forcée de s'arrêter, et chaque fois qu'elle s'arrêtait l'eau froide qui débordait du seau tombait sur ses jambes nues. Cela se passait au fond d'un bois, la nuit, en hiver, loin de tout regard humain ; c'était un enfant de huit ans. Il n'y avait que Dieu en ce moment qui voyait cette chose triste.
Et sans doute sa mère, hélas !
Car il est des choses qui font ouvrir les yeux aux mortes dans leur tombeau.
Elle soufflait avec une sorte de râlement douloureux ; des sanglots lui serraient la gorge, mais elle n'osait pas pleurer, tant elle avait peur de la Thénardier, même loin.
C'était son habitude de se figurer toujours que la Thénardier était là.
Cependant elle ne pouvait pas faire beaucoup de chemin de la sorte, et elle allait bien lentement. Elle avait beau diminuer la durée des stations et marcher entre chaque le plus longtemps possible, elle pensait avec angoisse qu'il lui faudrait plus d'une heure pour retourner ainsi à Montfermeil et que la Thénardier la battrait. Cette angoisse se mêlait à son épouvante d'être seule dans le bois la nuit. [...]
En ce moment, elle sentit tout à coup que le seau ne pesait plus rien. Une main, qui lui parut énorme, venait de saisir l'anse et la soulevait vigoureusement. Elle leva la tête. Une grande forme noire, droite et debout, marchait auprès d'elle dans l'obscurité. C'était un homme qui était arrivé derrière elle et qu'elle n'avait pas entendu venir. Cet homme, sans dire un mot, avait empoigné l'anse du seau qu'elle portait.
Il y a des insticts pour toutes les rencontres de la vie. L'enfant n'eut pas peur.
Victor Hugo et la jeune République, Adolphe-Léon Willette, 1893
Lithographie parue dans La Plume du 15 juillet 1893, avec la légende :
« Comme Jean Valjean aidait Cosette / Victor Hugo a aidé la jeune Marianne ».
Lis le texte ci-dessus et choisis les bonnes réponses.
1) Cosette s'arrête souvent en route parce que...
A) elle a peur dans le noir.
B) elle ne connaît pas le chemin.
C) le seau est trop lourd pour elle.
2) Qui accompagne Cosette dans le bois ?
A) Madame Thénardier.
B) Personne, elle est toute seule.
C) Sa mère.
3) Que fait l'homme inconnu ?
A) Il aide Cosette à porter le seau.
B) Il demande où elle va.
C) Il vient la chercher au nom de Mme Thénardier.
Relis le texte et fais attention aux émotions de Cosette. Réponds aux questions en néerlandais.
4) Deze passage is grotendeels geschreven vanuit het perspectief van Cosette. Geef een voorbeeld waaruit dat bijkt.
5) Waarom durft Cosette niet te huilen?
6) Hoe reageert Cosette op de ontmoeting met de onbekende man?
Relis le texte et l'introduction et réponds aux questions en néerlandais.
7) In de sociale roman wordt de ellende van de personages vaak dik aangezet. Nome drie elementen uit de tekst die bedoeld zijn om medelijden bij de lezer op te wekken.
8) Victor Hugo is in zijn romans niet objectief, maar neemt het op voro de armen en de onderdrukten. Citeer een passage uit de tekst waarin de schrijver duidelijk zijn mening laat horen.
9) Cosette staat in deze roman voor alle onderdrukten. Waar staat de onbekende man voor?
10) Regardez la bande annonce du film de la comédie musicale Les Misérables.
Quels sont les aspects du romantisme que vous y retrouvez ?
Faites une comparaison entre le fragment du livre que vous avez lu et la bande d'annonce en analysant
comment les aspects du romantisme y sont reflétés.
Het réalisme is een reactie op het romantisme. De meest prominente karakteristieken van deze stroming zijn: l'objectivité en l'impersonnalité. Dit betekent dat de schrijver zich wegcijfert en beschrijft wat hij om zich heen observeert. In deze periode zijn schrijvers vooral bezig met het gedetailleerd beschrijven van de alledaagse realiteit. Daarbij draait het vaak om de ontwikkeling van een jong iemand die zijn weg moet zien te vinden in de Franse standenmaatschappij.
De realisten maken het alledaagse leven dus tot onderwerp van hun romans, en richten hun blik ook op de middenklasse. Dat wordt in eerste instantie niet geaccepteerd, omdat men nog gewend is aan personages die een soort uitvergroting zijn van de werkelijkheid. In de romantiek is de hoofdpersoon bij voorkeur van hoge afkomst, heeft hij een nobel karakter en triomfeert hij over het kwade. De realisten zien in dat het in het echte leven veel ingewikkelder ligt en komen met complexe personages die juist eerder antihelden zijn. Het vernieuwende zit hem niet alleen in de thematiek, maar ook in de manier van vertellen. In de romantiek is er meestal een auctoriële verteller die de lezer direct aanspreekt en commentaar geeft op de gebeurtenissen. Deze verteller is alwetend: hij kan in de hoofden van de personages kijken en weet hoe het verhaal zal aflopen. In het realisme ligt het perspectief vaak bij de personages en moet de lezer zelf zijn standpunt tegenover de gebeurtenissen bepalen. In het geval van een ik-verteller zie je als lezer alles vanuit het gezichtspunt van één personage, wat zorgt voor een grote mate van identificatie. Dit effect kan ook bereikt worden met een personaal perspectief. Daarbij is sprake van een 'onzichtbare' verteller die spreekt in de hij/zij-vorm, maar niet alwetend is. Je beleeft de gebeurtenissen dan ook via een van de personages. Realisten experimenteren met deze vertelvormen om een meer genuanceerde blik op de werkelijkheid te kunnen geven.
Henri Beyle (1783-1842), bekend onder zijn schrijversnaam Stendhal (vernoemd naar een Duitse stad), is een auteur waarvan het werk deels romantisch en deels realistisch is. Hij baseert zijn romans op waargebeurde verhalen, vaak ook uit zijn eigen leven, hierdoor is zijn werk deels autobiografisch. Hij houdt ervan om, net als in de romantiek, avontuur en meerdere theatergrepen terug te laten komen in zijn werk.
Zijn realistische werken lijken waargebeurd en raken degene die het leest. Zijn belangrijkste thema is de liefde en de individuele van de hoofdpersoon naar geluk.
Hij gaat nauwkeurig na, middels methoden uit het wetenschappelijk onderzoek, of de reacties van zijn personages waar zouden kunnen zijn en baseert zijn werk altijd op waargebeurde evenementen. Zo beschrijft hij bijvoorbeeld heel precies wat er gebeurt als je op iemand verliefd wordt, dit noemt hij kristallisatie. Kristallisatie houdt in dat je aan iemand op wie je verliefd bent in je verbeelding allerlei ideale eigenschappen toekent. Ook plaatst hij zijn personages altijd in een voor hem bekende en vertrouwde omgeving, zodat hij dit zo natuurgetrouw mogelijk kan beschrijven.
Vanwege deze thematiek komen in zijn boeken elementen van de romantiek, maar ook van het realisme terug. Voor Stendhal is de roman een spiegel van de werkelijkheid en een instrument om herkenbare personages psychologisch te analyseren. Stendhal wordt vandaag de dag dan ook gezien als een voorloper van de psychanalyse: hij is misschien nog meer een pyscholoog dan een realist.
Stendhals roman Le Rouge et le Noir is gebaseerd op een waargebeurd verhaal over de noodlottige relatie tussen een arbeidersjongen en een rijke vrouw.
Stendhal, alors consul de France, peint par Olof Södermark (1840)
Julien Sorel komt uit een arbeidersfamilie, zijn vader is houtzager. Al jong komt men er achter dat hij niet uit hetzelfde hout gesneden is als zijn andere broers en zijn vader, zwaar lichamelijk werk lukt hem niet. Wel blinkt hij uit door zijn intellectuele capaciteiten. Hij kan al snel het Nieuwe Testament in het Latijn uit het hoofd opzeggen. Hierdoor komt hij onder bescherming te staan van de priester van zijn dorp, curé Chélan. De priester zorgt ervoor dat Julien een opleiding geniet tot priester en raadt Monsieur de Rênal, burgemeester van Verrières, aan Julien in huis te nemen als leraar voor zijn kinderen.
Avec la vivacité et la grâce qui lui étaient naturelles quand elle était loin des regards des hommes, Mme de Rênal sortait par la porte-fenêtre du salon qui donnait sur le jardin, quand elle aperçu près de la porte d'entrée la figure d'un jeune paysan presque encore enfant, extrêmement pâle qui venait de pleurer. Il était en chemise bien blanche, et avait sous le bras une veste fort propre de ratine violette.
Le teint de ce petit paysan était si blanc, ses yeux si doux, que l'esprit un peu romanesque de Mme de Rênal eut d'abord l'idée que ce pouvait être une jeune fille déguisée, qui venait demander quelque grâce à M. le maire. Elle eut pitié de cette pauvre créature, arrêtée à la porte d'entrée, et qui évidemment n'osait pas lever la main jusqu'à la sonnette. Mme de Rênal s'approcha, distraite un instant de l'amer chagrin que lui donnait l'arrivée du précepteur. Julien, tourné vers la porte, ne la voyait pas s'avancer. Il tressaillit quand une voix douce dit tout près de son oreille :
- Que voulez-vous ici, mon enfant ?
Julien se tourna vivement, et ,frappé du regard si rempli de grâce de Mme de Rênal, il oublia une partie de sa timidité. Bientôt, étonné de sa beauté, il oublia tout, même ce qu'il venait faire. Mme de Rênal avait répété sa question.
- Je viens pour être précepteur, madame, lui dit-il enfin, tout honteux de ses larmes qu'il essuyait de son mieux.
Mme de Rênal resta interdite, ils étaient fort près l'un de l'autre à se regarder. Julien n'avait jamais vu un être aussi bien vêtu et surtout une femme avec un teint si éblouissant, lui parler d'un air doux. Mme de Rênal regardait les grosses larmes qui s'étaient arrêtées sur les joues si pâles d'abord et maintenant si roses de ce jeune paysan. Bientôt elle se mit à rire, avec toute la gaieté folle d'une jeune fille, elle se moquait d'elle-même et ne pouvait se figurer tout son bonheur. Quoi, c'était là ce précepteur qu'elle s'était figuré comme un prêtre sale et mal vêtu, qui viendrait gronder et fouetter ses enfants !
- Quoi, monsieur, lui dit-elle enfin, vous savez le latin ?
Ce mot de monsieur étonna si fort Julien qu'il réfléchit un instant.
- Oui, madame; dit-il timidement.
Mme de Rênal était si heureuse, qu'elle osa dire à Julien :
- Vous ne gronderez pas trop ces pauvres enfants ?
- Moi, les gronder, dit Julien étonné, et pourquoi ?
- N'est-ce pas, monsieur, ajouta-t-elle après un petit silence et d'une voix dont chaque instant augmentait l'émotion, vous serez bon pour eux, vous me le promettez ?
---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
S'entendre appeler de nouveau monsieur, bien sérieusement, et par une dame si bien vêtue, était au-dessus de toutes le prévisions de Julien : dans tous les châteaux en Espagne de sa jeunesse, il s'était dit qu'aucune dame comme il faut ne daignerait lui parler que quand il aurait un bel uniforme. Mme de Rênal, de son côté, était complètement trompée par sa beauté du teint, les grands yeux noirs de Julien et ses jolis cheveux qui frisaient plus qu'à l'ordianire, parce que pour se rafraîchir il venait de plonger la tête dans le bassin de la fontaine publique. A sa grande joie, elle trouvait l'air timide d'une jeune fille à ce fatal précepteur, dont elle avait tant redouté pour ses enfants la dureté et l'air rébarbatif. Pour l'âme si paisible de Mme de Rênal, le contraste de ses craintes et de ce qu'elle voyait fut un grand événement. Enfin elle revint de sa surprise. Elle fut étonnée de se trouver ainsi à la porte de sa maison avec ce jeune homme presque en chemise et si près de lui.
- Entrons, monsieur, lui dit-elle d'un air assez embarrassé.
De sa vie une sensation purement agréable n'avait aussi profondément ému Mme de Rênal, jamais une apparition aussi gracieuse n'avait succédé à des craintes plus inquiétantes. Ainsi ces jolis enfants, si soignés par elle, ne tomberaient pas dans les mains d'un prêtre sale et grognon. A peine entrée sous le vestibule, elle se retourna vers Julien qui la suivait timidement. Son air étonné, à l'aspect d'une maison si belle, était une grâce de plus aux yeux de Mme de Rênal. Elle ne pouvait en croire ses yeux, il lui semblait surtout que les précepteur devait avoir un habit noir.
- Mais, est-il vrai, monsieur, lui dit-elle en s'arrêtant encore, et craignant mortellement de se tromper, tant sa croyance la rendait heureuse, vous savez le latin ?
Ces mots choquèrent l'orgeueil de Julien et dissipèrent le charme dans lequel il vivait depuis un quart d'heure.
- Oui, madame, lui dit-il en cherchant à prendre un air froid ; je sais le latin aussi bien que M. le curé, et même quelquefois il a la bonté de dire mieux que lui.
« Le Rouge et le Noir », de Stendhal, chapitre VI, la rencontre entre Julien et Mme de Rênal, Henri Joseph Dubouchet
Lis le texte ci-dessus jusqu'au trait noir.
11) Où se trouvent les personnages durant le récit ?
12) Comment Mme de Rênal voit-elle Julien ? Quelle est sa première impression (eerste indruk) de lui ?
13) Quelles émotions perçoit-on dans ces personnages ? Quelle en pourait être la raison ?
Relis le texte en entier.
14) Wat herken je in het fragment dat typisch hoort bij het realisme?
15) De verhoudingen tussen de personages worden sterk bepaald door hun onderlingen standsverschil. Wie is er hoger geplaatst en waaruit leid je dat af?
16) Op een gegeven moment verandert de manier waarop Mme de Rênal tegen Julien praat. Waarom is dit? Wat is het effect hiervan op Julien?
17) De bovenstaande scène is beroemd vanwege de subtiele manier waarop Stendhal de ontluikende gevoelens tussen de personages beschrijft. Hij maakt gebruik van perspectiefwisselingen om duidelijk te maken hoe de personages elkaar waarnemen en wat dat bij hen losmaakt. Er zijn verschillende aanwijzingen te vinden voor de beginnende verliefdheid tussen Mme de Rênal en Julien. Noem er één.
Tijdens het naturalisme is de roman niet meer een soort documentaire, zoals in het realisme wel zo was, maar gaat het meer om een experiment. Het zo nauwkeurig mogelijk beschrijven van de maatschappij is niet meer voldoende, maar het gaat juist om het - haast wetenschappelijk - observeren en beschrijven van de menselijke reacties. Als een soort wetenschapper die een dier of een plant beschrijft, maar daarbij ook de moeilijke moment van het leven benadrukt.
Het naturalisme is een verhevigde vorm van realisme die de problemen van de laagste maatschappelijke klassen beschrijft. Zo gebeurt dit ook in de romans van Émile Zola (1840-1902). Zola bepaalt van zijn personages eerst de achtergrond (sociaal en erfelijk) en plaatst hen daarna in bepaalde situaties, waarna hij in zekere zin alleen observeert wat er gebeurt.
Het menselijk gedrag wordt hier bepaald door genen en de omgeving, dit noem je determinisme.
Naturalisten zien de mens niet als verantwoordelijk voor zijn daden, maar denkt dat de sociale en erfelijke omstandigheden minsten zo belangrijk zijn. In hun werk tonen zij de ellende van de allerarmsten en maken zij hun neiging tot alcoholisme, prostitutie en misdaad begrijpelijk.
Autoportrait au béret,
Émile Zola (1902)
La Bête humaine is een roman van Zola uit 1890 en maakt deel uit van een serie boeken over dezelfde familie, Les Rougon-Macquart. Het verhaal van La Bête humaine speelt zich af rond de spoorwegen tussen Parijs en Le Havre. De personages die hier veel besproken worden zijn Jacques Lantier en zijn locomotief, Lison, die als een vrouw voor hem is. La Bête humaine is een thriller en een roman over erfelijkheid, aangezien Jacques lijdt aan een moordzuchte drang waar het alcoholisme in zijn familie wel eens de oorsprong van zou kunnen zijn.
Jacques heeft sinds hij kind is last van hevige pijnen in zijn schedel. In de puberteit gaan deze pijnen samen met moordlustige buien waar hij nooit meer vanaf zou komen. Liefde voor een vrouw gaat bij hem altijd samen met de grote drang om haar te vermoorden. Als hij in eerste instantie geïnteresseerd raakt in zijn nicht Flore besluit hij weg te vluchten, omdat zijn eigen moordzuchtige gedachten hem te veel kwellen. Later wordt hij de minnaar van Séverine, maar op en dag gaat dit ook mis...
Mais Jacques s’étonna. Il entendait un reniflement de bête, grognement de sanglier, rugissement de lion ; et il se tranquillisa, c’était lui qui soufflait. Enfin, enfin ! Il s’était donc contenté, il avait tué ! Oui, il avait fait ça. Une joie effrénée, une jouissance énorme le soulevait, dans la pleine satisfaction de l’éternel désir. [...] La femme, il l’avait tuée, il la possédait, comme il désirait depuis si longtemps la posséder, tout entière, jusqu’à l’anéantir. Elle n’était plus, elle ne serait jamais plus à personne.
[...]
La femme qu’il aimait, dont il était aimé passionnément, gisait sur le parquet, la gorge ouverte ; tandis que le mari, l’obstacle à son bonheur, vivait encore, avançait toujours, pas à pas, dans les ténèbres. Cet homme que, depuis des mois, épargnaient les scrupules de son éducation, les idées d’humanité lentement acquises et transmises, il n’avait pu l’attendre ; et, au mépris de son intérêt, il venait d’être emporté par l’hérédité de violence, par ce besoin de meurtre qui, dans les forêts premières, jetait la bête sur la bête. Est-ce qu’on tue par raisonnement ! On ne tue que sous l’impulsion du sang et des nerfs, un reste des anciennes luttes, la nécessité de vivre et la joie d’être fort. Il n’avait plus qu’une lassitude rassasiée, il s’effarait, cherchait à comprendre, sans trouver autre chose, au fond même de sa passion satisfaite, que l’étonnement et l’amère tristesse de l’irréparable.
18) Waar vergelijkt Jacques zichzelf mee aan het begin van de tekst? Hoe past dit bij de titel?
19) Jacques heeft zojuist zijn minnares vermoord. Leg een verband tussen deze daad en de titel van het verhaal.
20) Hoe komt het determinisme terug in dit tekstfragment? Citeer het zinsdeel of de zinsdelen waar je dit in terugziet.
21) In de psychologie is al decennialang een debat gaande over nature versus nurture. Wat is dit? (Je mag online zoeken als je het antwoord niet weet.) Welk standpunt heeft Zola in deze discussie? Leg een verband naar de bovenstaande tekst.