Krijgsgevangenkampen
De Japanners hadden krijgsgevangenkampen in: Japan, Formosa, Birma en in Indie. In de kampen werden de gevangen genomen militairen gezet. Plaatsen en aantallen in Indie
Cijfers
In Borneo, 4500 kg waarvan 800 KNIL, 805 Britten, 185 Amerikanen. De meesten zijn op Borneo gebleven Celebes (p. 577), 2700 militairen en een aantal inheemsen. Zij zijn deels naar Japan vervoerd voor verdere ondervraging, deels naar Java.
Sumatra 4500 Nederlandse en Indische Nederlanders, c. 1200 Britten en Australiers. Zij zijn deels naar Birma en Thailand vervoerd. De overgeblevenen moesten werken aan de aanleg van de weg in Atjeh en de Pakanbaroespoorweg. Hieraan werkten ook velen romoesja's (=japans voor werksoldaat), dat zijn Indonesische dwangarbeiders die zich soms verplicht en soms vrijwillig hadden aangemeld omdat gezegd werd dat zij goed betaald en behandeld zouden worden voor arbeid die -volgens de Japanners- als een eer moest worden beschouwd.
Java 70.8000 waarvan 900 Amerikanen, 2800 Australiers, 10.600 Britten en 56.500 Knil en inheemsen. Zij werden deels naar Japan vervoerd om te werken in mijnen, fabrieken en havens. Deels naar Birma en Thailand ivm Birmaspoorweg. Deels naar Flores en de Molukken om er vliegvelden aan te leggen. Deels naar Zuid-Sumatra, ook voor vliegvelden aanleg. Deels naar Singapore voor diverse werkzaamheden.
Ambon 250 Nederlanders en Indische Nederlanders, 800 Australiers (deze zijn bijna allen gestorven). Zij zijn deels naar Hainan gegaan om daar te werken.
Timor 1000 Nederlanders en Indische Nederlanders en 1000 Australiers. De eersten zijn deels naar Java en Celebes vervoerd, de Australiers naar Nieuw-Britain.
Organisatie. Elk krijgsgevangenkamp stond onder commando van een Japanse officier. Er zijn er enkelen geweest die zich correct gedroegen, maar vaak hadden de krijgsgevangenen te maken met onderofficieren er die traden vaak ruw en sadistisch op.
gedrag kampcommandant Ue
17 juni 1942 Dagboek Otto van Lingen sr., p. 6 ...Nog steeds geen Ue , integendeel, steeds strengere maatregelen....
NB Ue was een Japanse kampcommandant, een aardige student, met wie Otto van Lingen sr. het goed kon vinden. Ue heeft ervoor gezorgd, dat Otto van Lingen sr. op zekere dag zijn vrouw en kinderen thuis kon bezoeken. Zoon Dick van Lingen schrijft hierover in c. 1990: "Op 18 mei 1942 kwam mijn vader (=Otto van Lingen sr), die toen krijgsgevangen was, onverwacht op bezoek in gezelschap van zijn Japanse kampcommandant. Mijn vader had de commandant die morgen verteld van mijn verjaardag waarop hij (Ue) uit zichzelf zei: Dan gaan we er samen heen" .
Dwangarbeid.In ruil voor de 'zorg' van Japanse zijde moesten de gevangenen dwangarbeid verrichten. Vanaf 19xx werden groepen kg vervoerd naar Birma om te werken aan de Birma-spoorweg. Dit was een hel. Tropische ziekten, zwakte, ondervoeding, slecht gekleed, geen schoenen, daardoor wonden die zweren werden, langdurig staan in de modder, in de openlucht in de natte moesson, zwaar werk zoals rotsen uithakken, grond verplaatsen, dysentrie, marsen door het oerwoud van het ene kamp naar het andere, Japanners die er dagelijks op los ranselden.Van de bijna 62000 kg aan de Birma-spoorweg zijn tijdens of kort na de aanleg ruim 110000 overleden.
Over de laatste dagen van Wally van Lingen in Birma
Brief van 2e luitenant F.E. de Nijs, die de laatste dagen van Wally beschrijft aan diens vader, Overste Otto van Lingen.
..... Na Kuie gingen we naar Koetji en daarna Hindeem. Dit was 't ergste kamp dat we gehad hebben. Van 's morgens vijf tot 's avonds tien, elf uur tot onze nekken in 't water, brugpeilers heien. 't Heeft dan ook de nodige mensenlevens gekost. Wally was toen nog steeds gezond, geen werk was hem te zwaar en deed zelfs werk voor anderen......We waren ongeveer een maand in Kuié toen er bovenstrooms van ons kamp in een Tamilkamp cholera uitbrak. er kwam een verbod om zich in de kalie te baden, toch deed iedereen ook wij het. Totdat op een middag Wally thuiskwam en klaagde over ontzettende maagkrampen en veel afgaan. De dokter gaf het pilletjes en kwartierziek. De volgende ochtend echter constateerde één van onze barak-genoten dat Wally cholera had. Hij werk onmiddellijk in 't hospitaal opgenomen en al ons hebben en houden werd verbrand. De verplegers waren zeer huiverig voor deze patient.......Helaas 't mocht niet baten, 6 september 1943 is Wally overleden na vier dagen ziek te zijn geweest. 't Enige wat ik voor hem heb kunnen doen is dat hij een eigen graf heeft gekregen.
Een andere spoorweg die de Japanners wilden aanleggen was de Pakanbaroe-spoorweg op midden-Java. Hier werden in het begin alleen romoesja's aan het werk gezet. Veel malaria, moerassen, slapen in primitieve barakken, ratten en luizen, ondervoeding. Later werden er ook krijgsgevangenen heengestuurd.
Verder kwamen ze terecht in Japanse mijnen (Fukuoka)
Huisvesting, hygienische toestand en voedsel. Deze was de eerste tijd behoorlijk, omdat de kampen gehuisvest waren in de eigen kazernes, met voorzieningen van water, keukens etc.Later met de grote aantallen krijgsgevangenen werd de situatie erbarmelijk
Over voedsel in het kamp, juni 1942
26 juni 1942, Dagboek Otto van Lingen sr., p. 11
1 x In de week komen de extra fourageringen voor de bijvoeding op eigen kosten binnen en dat is wel de belangrijkste dag voor de massa. Dan moet je dat gedoe zien van menschen, die de verdeelingen dan in ontvangst nemen van ketimoens, djeroek garoet, djeroek bali, zoute eendeneieren, suiker, Jav. suiker, bruine suiker, pindakaas, zout, chocoladerepen, chocolade,koffie, jam, papaja, pisan, uien enz.....
Over voedsel in het kamp, november 1942
1-11-1942 Dagboek Otto van Lingen sr. Het eten is o.i. onvoldoende; 2 x p.w. bevroren schapenvlees, zodat het dagelijks menu is pap van rijst zonder melk, met weinig zout en zeer weinig suiker en wat thee. 's Middags en 's avonds rijst met een sajoertje, waarin 2 x p. w. dat schapenvlees + een soort anti-beri-beri-poeder dat op braaksel lijkt en daarnaar smaakt. Enfin met gesloten neus en ogen gaat het er wel doorheen, al verslappen we merkbaar en dat met de frequente dysenterie.
Scheepstransporten
Deze transporten waren een verschrikking. Zij vonden plaats in overvolle schepen, waar men soms niet rechtop kon staan in de scheepsruimte, ondragelijk heet en benauwd, zij leden honger en dorst, vervuiling, dysentrie en een voortdurende angst dat het schip getroffen zou worden door torpedo's of bommen van de geallieerden die vaak niet wisten dat er krijgsgevangenen aan boord van de schepen waren.
Over scheepstransport
13 januari 1943 Dagboek Otto van Lingen, p. 48
.....Na in Singapore te zijn afgeladen moesten we een halfuurtje loopen om ons in te schepen voor de reis naar Rangoon. We kwamen op een transportschip op het 2e dek zonder patrijspoorten, waarin je bukkende je plaats moest vinden. We reisden samen met een 1000 tal J. militairen, die natuurlijk op het 1e dek met patrijspoorten sliepen. Het eten en de behandeling aan boord liet niet veel te wensen over, maar de warmte was vooral 's avonds en 's nachts een broeikas gelijk. Bijna ondragelijk...In Rangoon moesten we van boord en op een kleinere boot overstappen voor de kustvaart naar Moulmein, waarheen we 3 januari vertrokken, alweer op een Zondag. Op de reis van Rangoon naar Moulmein lagen we in het ruim van een klein schip mannetje aan mannetje, maar het was minder warm dan op de voorgaande reis; onze voeding bestond uit een noodrantsoen scheepsbeschuit, dat goed in den smaak viel, als een soort afwisseling voor de eeuwige rijst. In Moulmein afgeladen moesten we +- 20 minuten naar de gevangenis loopen, waar we 's nachts overbleven, zonder ergens te kunnen baden, ook aan boord niet. De hyg. toestand in Moulmein was onbeschrijfelijk. Van Moulmein vertrokken we 6 Jan. gedeeltelijk per stoffige weg naar ons werkkamp Beke Taung met 400 man; in het heele bivak was maar één put. Op het gebied van water dus één ellende...
Conventie van Geneve. In c. 1920 werd de Conventie van Geneve vastgesteld, met regels over de rechten en verplichtingen van krijgsgevangenen, alsmede van de mogendheid die ze gevangen hield (bv. over huisvesting, rantsoenen, medische verzorging, post). De Conventie is wel door Japan ondertekend, maar ze is niet door de Japanse regering aanvaard, de Japanse strijdkrachten waren ertegen, oa. omdat in een oorlog er nauwelijks Japanse krijgsgevangenen zouden zijn omdat de Japanners zich liever doodvochten, maar ze zouden dan wel voor de krijgsgevangenen van de tegenstanders moeten zorgen. Het enige waarmee de Japanners de Conventie zijn nagekomen, is het doorgeven van lijsten van namen van krijgsgevangenen, maar vaak ongecontroleerd en met schrijffouten. Het niet doorsturen van post en Rode-Kruis pakjes, het jarenlang verstoken blijven van informatie over gezin en familie, bracht de krijgsgevangenen in een groot geestelijk isolement. Alleen dagbladen in het Maleis waren toegestaan.
Over het uitblijven van post
14 september 1942 Dagboek Otto van Lingen sr., p. 34
...Vanmorgen moesten we plotseling met het heele kamp naar een ander kamp toe om daar door middel van loudspeakers de officieel bekendmakingen aan te hooren dat wij krijgsgevangenen waren...Mogelijk is het gevolg van de bekendmaking dat wij ook wat meer rechten zullen krijgen als in de conventie aangegeven, zooals traktement, correspondentie, pakjes enz., maar erg veel hoop heb ik ook daar niet op; wel geloof ik -en daar zijn vele aanwijzingen voor te vinden - dat wij formeler zullen worden behandeld en dat althans het Roode Kruis een rol in ons leven zal vervullen.
28 september 1942 Dagboek Otto van Lingen sr., p. 37
...Eerstdaag zal er ook gelegenheid zijn een briefkaart naar huis te schrijven; ik hoop innig dat ik dan dadelijk aan de beurt zal zijn want ieder krijgt zoowat 1x per 3md een kans. Hoe gering ook, toch vind ik dit al een heele gebeurtenis
Over dagbladen (1942) en veroordeling (1945)
1 sept. 1942 Dagboek Otto van Lingen sr. ....Maar ....heb ik mezelf tot kranten-directeur benoemd en vertaal ik elken dag de Mal. Courant in het Nederl. voor de groep hoofdofficieren, hetgeen ten zeerste wordt gewaardeerd. Zoodra ik de krant ontvang, lees ik haar heelemaal door en elken middag tegen 5 uur begeven Bruning, mijn assistent en ik ons naar een stil beschaduwd plekje, waar ik Bruning dicteer en hij dan alles vliegensvlug opschrijft, want wij moeten dan met etenstijd d.i. bij zessen klaar zijn. Enerverend en geconcentreerd werk dikwijls, maar men is er erg benieuwd naar.
24-2-1945 Veroordeeld tot gevangenisstraf
Ook in 1945, inmiddels in een krijgsgevangenkamp in Thailand, was hij aktief met illegale kranten:
Een luitenant van het Knil, ir. J. A. van Duyvendijk die met een ploeg anderen buiten het kamp in Japanse opslagplaatsen moest werken, wist elke dag de Bangkok Times naar het kamp mee te nemen in de dubbele bodem van een rijstton of in een uitgeholde draagbamboe. Hij kreeg die krant van een Thaise dokter. Deze, verraden door zijn Chinese assistent, werd gemarteld en gaf de naam van ir. van Duyvendijk prijs en van deze werd gevergd dat hij de namen zou noemen van diegenen die regelmatig van het vertaalde nieuws in kennis waren gesteld. Vijftien hunner hadden tevoren afgesproken dat zij, als de zaak uitkwam, zich bij de Japanners zouden aangeven. Ir. van Duyvendijk en die vijftien (onder wie de kampoudste, luitenantkolonel O. van Lingen, en dr. P. J. Koets) werden vervolgens naar Bangkok overgebracht en daar in februari '45 tot enkele jaren gevangenisstraf veroordeeld. De groep werd in juli naar Singapore verplaatst. Bron: L. de Jong, dl 11 b WOII Nederlands Indie, p. 690 en 708.
en
1945 Contact met buiten is niet zonder gevaar, er zijn vonnissen van Japanse krijgsraden (gunretsu kaigi) bekend, waarbij mensen veroordeeld zijn voor het verspreiden van geruchten en het in bezit hebben van de “Bangkok Chronicle”.
South East Asia Translation and Interrogation Center (na de oorlog een geallieerde gerechtelijke instelling):
Vonnis 10: Otto van Lingen, Nederland, luitenant-kolonel en 15 anderen, onder wie Peter Jan Kutsu (Koets) wegens “acts contrary to P.o.W. Camp Penal Law”; 5, 6 en 7 jaar gevangenisstraf. “The accused men all signed an oath that they would obey P.W. Camp Regulations. Despite this, they introduced newspapers into the camp throughout a period of several months, listened to Delhi Radio, passed on items to other prisoners, etc. 24-2-1945 (H.L. Leffelaar / E. van Witsen – Werkers aan de Burmaspoorweg, p. 299)
Van de krijgsgevangenen in Indie waren er 42233 Europese militairen. C. 8200 (19,4%) stierven er.
Kampen voor geinterneerde burgers waren er in Japan, China, Hongkong, Philippijnen, Frans Indo-China, Thailand, Singapore en Indie (Jong, 759)(c. 100.000 geinterneerden Jong, 761). In bijna alle kampen bevonden mannen en vrouwen zich in hetzelfde kampcomplex. Behalve in Indie, daar werden ze gescheiden. Alleen al daarom hebben de geinterneerden het er in Indie uiterst moeilijk gehad. Op Java kwam de internering van de Nederlandse mannen pas midden '42 goed op gang. Vrouwen en kinderen moesten vanaf eind '42-midden'43 naar 'beschermde wijken' verhuizen, de Japanners zouden daar de Nederlandse vrouwen en kinderen de nodige bescherming bieden. De vrouwen woonden daar bijeen, maar waren in het begin wel vrij om de stad in te gaan of boodschappen te doen. Geleidelijk aan werd de wijk omgezet in een kamp. Eerst kwam er prikkeldraad, toen een poort met een wacht. Vanaf 1944 waren het echte kampen geworden.
Uit de reglementen
De kampen moesten eenvoudig worden ingericht. Japanners waren zelf gewend aan een eenvoudige levensstijl, beperkte ruimte en minimale privacy en zij vonden dit ook voldoende voor de gevangenen.
's Morgens en 's avonds appel (alle Japanse militairen en burgerambtenaren groeten met een buiging)
Verklaring van gehoorzaamheid afleggen
Geen dagboeken bijhouden
toestemming om groentetuin aan te leggen en kippen, geiten, koeien en varkens te houden
Eten centraal koken
Loon voor verrichte arbeid
Briefpost gecencureerd
Dagelijkse gesprekken moesten in het Maleis gevoerd (nergens toegepast)
Er was geen bepaling over verstrekking van kleiding, schone zeep etc., omdat de Japanners van het standpunt uitgingen, dat de geinterneerden in luxe hadden geleefd en genoeg van alles bezaten om het er jaren mee te kunnen uitzingen
Geen klachtrecht, omdat de Japanners vonden dat het geinterneerden niet paste om te klagen
Verder werden burgers geinterneerd in barakkencomplexen, gevangenissen, schoolgebouwen, kazernes, pakhuizen, stallen etc In het begin werden de kampen bewaakt door de inheemse politie (civiele periode). Vanaf 1944 kwamen alle kampen rechtstreeks onder het Japanse leger te vallen (militaire periode). Dat had te maken met de Japanse nederlagen. De geallieerde legers rukten op. De Japanners wilden dat de kampbewoners geen enkel contact meer hadden met de inheemse bevolking, en dat de kampen naar militair voorbeeld ingericht moesten.
Er moest in de kampen veel worden gewerkt: het gewone huishouden, beerputten legen, riolen schoonhouden, sjouwen met kisten en meubelen, boomstammen hakken, ovens van de gaarkeukens stoken, graven delven, woeste gronden steenvrij maken voor tuinaanleg, verhuizingen. In de meeste kampen koste het moeite om van de weinige levensmiddelen die binnenkwamen, een maaltijd te maken. Straffen: appels, langdurig buigingen maken, soms in de brandende zon, later in de militaire fase ook afranselingen.
In '44 en '45 werden alle mannen van boven de zestig en alle jongens van elf jaar en ouder uit de vrouwen- en kinderkampen gehaald en naar mannenkampen vervoerd of naar aparte kampen. Had te maken met dat de Japanners alle zwakken (oudere mannen, zieken vrouwen en kleine kinderen) naar de noordkust brachten. Daar verwachten de Japanners nl .dat de geallieerden zouden binnenvallen. Ze gingen er van uit dat deze zwakke groepen niet in staat zouden zijn om de geallieerden te helpen, sterker, ze zouden door hun grote aantallen de geallieerden alleen maar hinderen. De weerbare mannen gingen naar de hoogvlakte van Bandoeng, om zo lang mogelijk weerstand te kunnen bieden als de geallieerden kwamen. Het weghalen van de jonge jongens bij hun moeder werd als wreedheid en willekeur ervaren.
In de militaire periode verslechterde de omstandigheden: voedseltekorten, vervuiling, besmettelijke ziekten zoals dysentrie, schurft, wonden, kinderen groeiden niet of nauwelijks.
De houding van de Japanse kampbewakers tegenover de burgergeinterneerden was dezelfde als tegenover de krijgsgevangenen. Het lot der krijgsgevangen was vaak harder, omdat ze tot lange marsen en zwaar werk werden gedwongen, zelfs als ze van zwakte nauwelijks op hun benen konden staan. De Japanners vreesden van hen ook meer ontvluchtingspogingen. Zo was er in de krijgsgevangenkampen meer mogelijkheid tot conflicten. Het aantal straffen en mishandelingen was er daardoor groter, maar verschilde niet van de burgerinterneringskampen.
Door de striktere afsluiting, de invoering van een meer militair regime en het gezeul met groepen geinterneerden, de voedselnood werd de situatie na c. april 1944 een beproeving voor de geinterneerden.
96.300 Nederlandse en Indisch-Nederlandse burgers werden geinterneerd, c. 13.120 (13,6%) bezweken.