Na de oorlog, aangevuld met gegevens van de familie Otto van Lingen sr.
Capitulatie
Na de capitulatie op 15 augustus 1945 riepen de Indonesiers o.l.v. Soekarno en Hatta de onafhankelijke Republik Indonesia uit op 17 augustus 1945. De Indonesiers traden hard op tegen de Nederlanders, vooral tegen de Indo-europeanen en de Indonesiers in het KNIL en de Chinezen. Zij waren in Indonesische ogen dubbel fout: als koloniale vijand en als collaborateur(maatregelen waren huiszoekingen, onder dwang de Indonesische vlag uithangen, uit huis gezet, geweld, pesterijen door de Indonesische jeugd). Het Indonesische nationalisme verspreidde zich als een olievlek over Java, er heerste een anti-Nederlandse stemming.
Bersiap-tijd
De tijd van deze onafhankelijkheidsstrijd heet de Bersiap-tijd. (Bersiap=wees paraat). Militair geschoolde radicale jongeren (de Permoeda's) grepen naar de wapens. De (Indische) Nederlanders voelden zich er angstig, bedreigd en onbeschermd onder In de kampen moesten zij soms door hun Japanse bewakers worden beschermd.
Notitie Emmy van Lingen, c. 1990.
"In aug. 1945 capituleerde Japan. Dat hoorden we in het kamp pas later. Er veranderde niet veel. Een juichstemming was er dus helemaal niet. De Jappen, die eerst onze vijanden waren, werden nu onze "beschermers"tegen de fanatieke jonge Indonesiers, die na de capitulatie jaagden op alles wat blank was".
De Nederlandse autoriteiten konden door gebrek aan personeel niet de eigen APWI (Allied Prisoners of War and Internees) opvangen, dat werd aan de Britse troepen overgelaten. In januari 1946 hadden de Britten de zaak onder controle en waren bijna alle APWI's uit de bedreigde gebieden in veiligheid gebracht.
Politionele acties
Nederland wilde haar kolonie niet kwijt en reageerde met het inzetten van 100.000 militairen (de politionele acties van 1947 en 1948). Maar Engeland en de VS dachten er anders over: die wilden geen herstel van de koloniale verhoudingen want dat zou het communisme in Indonesie maar aanwakkeren. Nederland moest onder druk van de Verenigde Naties uiteindelijk instemmen met de erkenning van: (nieuwe naam)Indonesie op 27 december 1949. Op 30 december 1949 was de soevereiniteitsoverdracht. Het Nederlands gebleven Nieuw-Guinea werd in 1963 aan Indonesie overgedragen.
Otto van Lingen jr. was van 1946/1950 als KNIL-militair gelegerd op Java.
Migratie
Vele volbloed Nederlanders en Indo-Europeanen besloten naar Nederland te migreren. De achterblijvende Nederlanders en Indo-Europeanen kregen tot december 1951 de keuze om Nederlander te blijven of om Indonesier te worden. Alle anderen werden automatisch Indonesisch staatsburger.
In de uiteindelijke migratie uit Indonesie zijn 6 golven te onderscheiden:
-1945-1948: c. 110.000 mensen, repatrianten van de eerste golf. Voor de meesten van hen ging het overigens eerder om een verlof, met als doel wat op verhaal te komen van de oorlog en niet zozeer om een definitieve repatriering.
-1949-1956: c. 102.000 mensen, als gevolg van de soevereiniteitsoverdracht. Vooral Knil-militairen en ambtenaren die hun werk in Indonesie hadden moeten neerleggen.
-1952-1956: c. 88.000 mensen, die om verschillende redenen niet direct op de gezagswisseling hadden gereageerd.
-1957-1958: c. 40.000 mensen die door de anti-nederlandse acties Indonesie wel moesten verlaten
-1961-1962: 14.400 mensen die Nieuw-Guinea moesten verlaten wegens de gespannen toestanden
1957-1968: 25.000 spijtoptanten, die hadden gekozen voor de Indonesische nationaliteit, maar daar spijt van hadden omdat de Indonesiers hen niet als volwaardige staatsburgers behandelden en hen vaak discrimineerden.
In december 1945 vertrokken Otto sr., zijn vrouw Bep, dochter Emmy en zoon Dick van Lingen per schip van Batavia naar Singapore. Daar verbleef men 2 maanden in de kazernes van het Irene-kamp, totdat de "Alcantara" hen naar Nederland bracht