19e en 20e eeuw; aangevuld met gegevens van de familie van Lingen
Napoleon
In de Napoleontische tijd (1799-1815) namen de Engelsen de macht in de Oost-Aziatische koloniën over van de Nederlanders. De Engelsen hadden een afkeer van de Bataviase samenleving, zij vonden de zeden ruw (vrouwen die spuwen in een kwispedoor), de kleding onaangepast (vrouwen in een baadje, losse haren) en de Indische levensstijl afstotend. De Engelsen slaagden erin de Nederlandse vrouwen iets te cultiveren, ze gingen bv. meer aandacht aan hun kleding besteden.
Na de val van Napoleon werd - in de conventie van Londen 1814 - geregeld dat Nederland zijn voormalige koloniën in de Indische archipel terugkreeg. Om de overgang van Engels naar Nederlands bestuur kracht bij te zetten organiseerde Nederland expeditietroepen die naar de Oost moesten vertrekken.
Stamvader "van Lingen"
Hier begint de relatie met de familienaam van Lingen.
In Hasselt (Overijssel) werd Hermannus van Lingen (1793-1826) geboren, hij is de zoon van een touwslager. Hij trad in 1814 in dienst als fuselier voor de tijd van 6 jaar. Hermannus werd op 15 oktober 1815 op expeditie naar Indië gestuurd, hij vertrok met het fregat "Brabant" (zie afb, Ned.Inst.Milt.Hist) . Maar al in november kreeg dit schip averij in de Noordzee/Waddenzee en werd het naar Portsmouth gebracht. Het duurde bijna een jaar voordat de troepen werden opgehaald, door het schip Prins Frederik. Na een lang oponthoud bij Kaap de Goede Hoop kwamen de troepen eindelijk in april 1817 aan in Batavia.
In 1820 tekende hij bij voor 2 jaar. Maar hij maakte al in 1821 gebruik van de mogelijkheid om zich tegen betaling te laten vervangen door een remplacant, een “vervanger”. Hermannus vertrok met het fregat De Dageraad naar Nederland waar hij op 6 juni 1822 aankwam. Zijn contract liep af en hij werd “gepasporteerd” (bewijs dat aan de dienstplicht is voldaan).
Maar Hermanus bleef niet lang in Nederland. Al na een paar maanden, op 22 oktober 1822, tekende hij weer voor 6 jaar bij het Oost-Indisch leger. In december 1822 vertrok hij met het schip Wilhelmina en kwam juni 1823 weer in Batavia aan. Op 17 juli 1823 werd Johannes geboren . Zie verder Genealogie
Economische positie van de Indo-Europeanen
Nederlands-Indie was een ambtenarenland. Tot 1870 werkten de meeste Indo-europeanen bij het gouvernement en de ambtenarij was lange tijd de maat van hun sociale leven. Hun positie verslechterde in de 19e eeuw. Zij werden achtergesteld bij de volbloed Europeanen, die toestroomden uit Nederland. Die nieuwkomers uit Nederland kregen altijd voorrang boven de in Indie geborenen. Er waren voor de Indo's nauwelijks mogelijkheden tot ontwikkeling. Vooral door de voorwaarden van 3 nieuwe wetten (Radicaal, 1825, 1836, 1849, oa verplichte studie in Delft tot "Indisch ambtenaar" in Delft die zij nooit zouden kunnen betalen) werd het voor Indo-Europeanen bijna onmogelijk om Indisch ambtenaar te worden. De lotgevallen van de verschillende families liep overigens zeer uiteen. Sommige takken verarmden. Anderen - de minderheid - had het geluk om toch een hoog ambt te bereiken. In 1848 was er een eerste openlijk protest tegen de scherpere eisen voor het ambtenaarschap: de Mei-beweging. Boodschap: betere onderwijsvoorzieningen en een grotere persvrijheid. Intussen was er steeds minder werk voor de lagere Indo-Europese ambtenaren, oa. door de vele nieuwkomers uit Nederland.
Beroepen van de (aangetrouwde) familie van Lingen: 2e commies algemene rekenkamer : Hermanus Johannes Joseph Lodewijk van Lingen ----- ambtenaar : Joseph van Lingen, geb. 1821 ----- eigenaar rijstpellerij : Frans van Lingen, geb. 1847 ----- commies dep. marine te Weltevreden : Henri Jozef Michel, geb.1854 ----- ambtenaar zoutregie : Frits Felix van Lingen, geb. 1857 ----- hoofdcommies tinwinning : Paul Victor Eduard Warnars, geb. 1876 ----- klerk bij de alg. secretarie : Willem Abraham van Lingen, geb. 1861 ----- accoucheuse : Jeanette Pauline van Lingen, geb. 1884 ----- klerk landraad Modjokerto : Junius Hermanus (Djoen), geb. 1885/6----- sergeant-majoor : Victor Ferdinand van Lingen, geb. 1886 ----- luitenant-kolonel KNIL : Otto van Lingen sr., geb. 1890.
Meer onderwijs
De invoering in 1864 van het klein-ambtenaarsexamen had enig succes. Dit diploma gaf aan alle in Indie geboren Europeanen kans op een plaats in het gouvernementsapparaat. Zo onstond een klasse van klein-ambtenaren. Enerzijds was het een begeerd diploma (salaris, zekerheden als een pensioen), anderzijds was het diploma onvoldoende om te kunnen doorstromen naar hogere functies. Zo ontstond een kloof tussen de Indo-Europese kleine ambtenaren enerzijds en de totoks in de felbegeerde hogere functies anderzijds. Intussen slaagden steeds meer Inlanders erin om een betrekking te vinden in de koloniale samenleving.
1864 Afschaffing Radicaal
1864 Oprichting van een Bestuursopleiding aan het Gymnasium in Batavia. Op ruime schaal maakten de Indo-Europeanen gebruik van deze nieuwe opleiding.De formele achterstelling, die in de jaren dertig en vijftig op hun hoogtepunt was, was hiermee grotendeels komen te vervallen. Het opleidingspeil van de in Indie geboren mannen steeg dus, maar de betrekkingen bij het gouvernement bleven daarbij achter, dus weinig werk. Daar kwam nog bij dat de regering Indonesiers in dienst ging nemen op posten die voorheen exclusief door Europeanen waren bezet. Dat zette weer kwaad bloed bij de Indo-Europeanen: dat de inlanders nu onderwijs kregen, de Nederlandse taal leerden en daardoor concurrenten werden voor de betere baantjes en er voor de Indo's niets werd gedaan. Werkeloosheid, armoede, verpaupering vormden aan het eind van de 19e eeuw een groot probleem. De Indo's roerden zich met ingezonden brieven in de kranten. Zij stonden erop "Europeaan"te zijn en zo kwam het begrip Indo-Europeaan in zwang, met de nadruk op Indo. Tegelijkertijd werden de Indo's zich steeds scherper bewust van de kloof die hen scheidde van de totoks, die de goede baantjes kregen. Voeg daarbij de spanning / haat die er traditioneel al was in de verhouding Indische Nederlanders versus inheemsen. Deze haat kwam voort uit de vrees van de tussengroep die zich naar de bovenlaag richt. Dan wordt duidelijk dat veel Indo's zich nu vertrapt voelden door de volbloed Nederlanders en verdrongen door de inlanders.
Junius Hermanus (Djoen) van Lingen, geb. 1885, klerk bij de Landraad van Modjokerto.
Ook Javanen werden uitgebuit. Zij moesten een vijfde van hun land bebouwen t.b.v. de Nederlandse schatkist (cultuurstelsel van 1830-1870). De winsten die naar Nederland vloeiden waren enorm.
Ethische politiek
Langzamerhand (eind 19e eeuw) kwam zowel in Indie als ook in Nederland verzet tegen het Cultuurstelsel. Men vond dat er geld moest terugvloeien naar Indie voor de ontwikkeling van het volk (de Inlanders). En men vond dat het welzijn van het volk (de Inlanders) boven de Nederlandse belangen moest gaan. Deze Ethische motieven ontstonden overigens in een tijd dat het economisch uitstekend ging, c. 1870-1930, Indie werd opgengesteld voor de grote cultures (rubber, tabak, koffie) en de Nederlanders konden veel arbeidskrachten konden gebruiken, zowel in het overheidsapparaat als in het particuliere bedrijfsleven.
Er ontstonden diverse initiatieven van Indo-Europeanen om zich te verenigen en sterk te maken. Het was kiezen tussen Indonesisch nationalisme (Indie voor de Indiers, dwz. verbetering voor "alle hiergeborenen"oa. E. Douwes Dekker en zijn Indische partij, 1910) en Nederlands kolonialisme (verbetering voor Indo-Europeanen, o.a Karel Zaalberg. IEV).
Desondanks verslechterde de economische positie van de Indo-Europeanen in de 30er jaren aanzienlijk. Omdat er veel concurrentie op de arbeidsmarkt was van de inlanders, die bovendien vaak genoegen namen met minder loon.
In de laatste halve eeuw van Indie wordt de Indische gemeenschap vaak als een tussengroep voorgesteld, ingeklemd tussen het inheemse en het totokse domein. In werkelijkheid waren er zoveel onderlinge verschillen en tegenstellingen in welstand en status dat er moeilijk van één groep te spreken is.
Otto van Lingen sr. volgde zijn opleiding van 1912-1914 bij het instructiebataljon in Kampen Hij ontmoette daar Jaap N. Breunese en raakte verliefd op de zus van Jaap. Zij trouwden in 1915. Otto sr. werd officier bij het KNIL. Deze militairen leefden met hun gezinnen in beschutte, redelijk welvarende omstandigheden. Dit is Huize Sirmione, Randweg 6 te Tjoembeloewit (buitenwijk Bandoeng). "Deze villa hebben mijn ouders -Otto sr en Bep van Lingen - in c. 1941, net voor de oorlog laten bouwen, om er na de pensionering in te trekken. Ze hadden dus besloten in Indie te blijven. De verhuizing geschiedde door mannen (Europeanen) die nog niet achter het prikkeldraad zaten, maar werkeloos waren. Ik zie ze nog de grobak (=soort laadkar) waarop onze boedel was gehesen, trekken".(notitie Emmy van Lingen).
Bep van Lingen-Breunese met 4 kinderen Hetty, Emmy, Otto en Wally, c. 1925---
Bloemenhandel Daisy Bragaweg 69 in Bandoeng van Em en Net van Lingen, c. 1940
Hetty van Lingen en Otto van Lingen sr. in 1939 tijdens een verlof in Italie.