Ze gaan allemaal dood. Stuk voor stuk. Het is hollen of stilstaan. Zo gaan er drie in een week en zo gaat er drie weken niemand. Sommige mensen zijn al heel lang ziek, eten nauwelijks meer, hebben veel pijn en die houden het soms nog zo lang vol dat het bijna niet aan te zien is. En andere mensen zijn goed aanspreekbaar, binnen hun mogelijkheden actief. Daar maak je de ene dag nog een praatje mee en bij je volgende dienst een paar dagen later zijn ze overleden. Longontsteking, hersenbloeding, hartstilstand.
Na het overlijden is er uitgeleide: de overledene verlaat het verzorgingstehuis. Meestal samen met de familie en natuurlijk altijd de begrafenisondernemer. Het ouderwetse woord doodgraver zou de statigheid hiervan beter benadrukken. Het meestal bijna voltallige personeel verzamelt zich in stilte bij de deur van het verzorgingstehuis. Vooraf is het nog wel even rumoerig, maar als de familie komt is het op slag respectvol stil. De overledene op de baar wordt even stilgezet. Vaak zegt de familie nog even wat en wordt het zorgend personeel bedankt voor de goede zorgen. Emotioneel en respectvol. Daarna is dan wel weer het binnen 13 dagen een nieuwe bewoner, dus binnen een week na de begrafenis de kamer (die voor de bewoner echt zijn of haar thuis was) leeghalen.
Of ze gaan juist niet dood en zijn al rond de honderd. Wachten is het dan. Zelfs een ogenschijnlijk fitte bejaarde* van 101 wacht. Tussen alle bedrijven en gekkigheidjes door wacht ze. Stil op haar stoel. Elke dag een stukje vermoeider, maar niet ziek. Elke dag weer die strijd: ik wil eigenlijk nog niet uit bed, maar ik doe het maar. Ik wil niet in de eetzaal eten, maar ja, alleen eten is helemaal niet gezellig. Maar ik ga wel zo laat mogelijk, want ik heb er eigenlijk geen zin meer in.
Dat is het vooral: de levenslust ebt weg. En de bewoner* zit stil en staart wat voor zich uit. Haar kinderen zijn haar mantelzorger, maar die zijn ook al een eind in de zeventig. Net als sommige bewoners. En kleinkinderen? Die leven in een hele andere wereld, daar heb ik niets meer mee, die telefoons en zo. Die kleinkinderen zijn veertigers en vijftigers, net als ik. Kunnen die zich dan niet even verplaatsen in hun oma of gewoon af en toe even langskomen voor een kopje koffie? Het wordt vaak stil om de mensen heen. Soms zo stil, dat iemand zei: De Here is me vergeten. (Dit heb ik van horen zeggen).
Het is soms best wel dubbel. Je helpt natuurlijk wel mee aan het welbevinden van de bewoner door goed voor hem of haar te zorgen. Sommige bewoners knappen ook echt op als ze hier komen wonen. Maar de meesten geven aan: reanimeren hoeft niet. Of: ik wil niet meer naar het ziekenhuis als er wat is. Ik kan het me niet voorstellen, zo middenin het leven. Maar veel bewoners overkomt het wel: wegebbende levenslust. Tot uiteindelijk het ‘dat is toch geen leven zo’ geen aards leven meer is.