Edition 793 – September 25, 2020 – Safar 8, 1442
Onze rijkdommen gebruiken voor de mensheid
"Die uitgeven van wat Wij hen gegeven hebben." (Koran, 2:3)
De Koran legt heel veel nadruk op het uitgeven. Meerdere malen wordt gierigheid bijna als synoniem gebruikt voor ongeloof. De moslim bewaart de gunsten die hij van Allah heeft gekregen niet; dit geldt niet alleen voor financiële middelen, maar vooral voor andere giften.
Als u iets bezit wat op welke wijze dan ook ten gunste kan zijn voor de mensen, houd het niet voor uzelf, maar geef het vrijelijk uit. Als u kennis heeft, houd dat niet slechts voor uzelf, maar geef het uit; pas het toe voor het welzijn, de ontwikkeling en het genot van uw medemens. Een moslim kan niet zeggen dat de giften die hij van God heeft gehad voor hem alleen zijn - hetzij rijkdom, invloed of kennis - en dat hij het kan bewaren en gebruiken waar hij dat voor zichzelf nodig acht. Alles wat een moslim krijgt is door God aan hem toevertrouwd, en God heeft hem bevolen om dit vrijelijk te besteden voor het welzijn van de gemeenschap, zelfs zijn meest kostbare bezit - zijn leven - als dat nodig mocht zijn. Als iedereen dit zou doen, zouden er geen sociale misstanden zijn, geen arbeidsproblemen, geen bloedige onderdrukking, geen wanhopige mensen.
Het idee van rijkdom dat uitsluitend toebehoort aan een individu, een groep van individuen, of aan de Staat, is a-sociaal. Slechts het idee van vermogen als een toevertrouwd goed van God, bestemd voor het welzijn van degenen om ons heen, brengt eenheid en broederschap met zich mee.
Bron: Friday Sermons door Marmaduke Pickthall
https://aaiil.org/text/books/others/muhammadmarmadukepickthall/fridaysermons/fridaysermons.shtml
"De gelijkenis van degenen die hun rijkdom uitgeven langs Allah’s weg is als de parabel van een graankorrel waaruit zeven aren groeien, in iedere aar honderd graankorrels. En Allah verveelvuldigt (verder) voor wie het Hem behaagt. En Allah is Ruimgevend, Wetend’" (Koran, 2:261)
"Die nu in de goede aarde bezaaid is, deze is degene, die het Woord hoort en verstaat, die ook vrucht draagt en voortbrengt, de een honderd-, de ander zestig-, en de ander dertigvoud." (Mattheüs, 13:23)