1.1) De docent is een lerende en innoverende professional.
1.1.1) De docent toont aan dat hij een lerende professional is die zelfstandig, creatief en kritisch gebruik maakt van de (nieuwe-) mogelijkheden van ICT bij leren, lesgeven en organiseren van onderwijs
ICT is niet meer weg te denken in onze dagelijkse leefwereld. Het uitvallen van het internet is voor veel mensen al een ramp. Ook op school en in de lessituatie zelf is ICT een nagenoeg vast element. Het is belangrijk dat je kritisch kijkt naar de mogelijkheden en toepasbaarheid van ICT binnen jouw onderwijs. Soms ontdek je een leuk programma op het internet, in een tijdschrift, of bij een collega op school. De meeste toepassingen probeer ik eerst uit en besluit later of ik het aan mijn curriculum toevoeg.
Ik probeer op de hoogte te blijven van nieuwe ontwikkelingen binnen ICT-onderwijs via verschillende kanalen. Omdat de ICT-wereld zich nog steeds ontplooit, is het essentieel om op de hoogte te blijven van de nieuwste ontwikkelingen. Ideeën doe ik op in het maandblad Computer!Totaal en door middel van websites zoals Kennisnet en Leraar 24.
Naar mijn idee is het best een beetje vreemd dat je vandaag de dag nog moet aantonen dat je gebruik maakt van ICT mogelijkheden binnen je lessen. Ik ken namelijk geen collega, die geen ICT gebruikt tijdens zijn/haar lessen.
1.1.2) De docent toont aan dat hij beschikt over de overtuiging dat betekenisvol onderwijs vraagt om beargumenteerde inzet van ICT en is in staat om de verworvenheden en beperkingen van technologie te herkennen en te integreren in betekenisvol onderwijs.
In meer dan 90% van mijn lessen gebruik ik een vorm van ICT. Toch kent de huidige ICT omstandigheid een aantal zwakke plekken. te denken valt aan: het internet (slechte verbinding, hacking en virussen), maar ook de steeds veranderende software, die niet altijd compatible is met een vorige versie, of ouder besturingssysteem. Om deze zwakheden te ondervangen moet je als docent voorbereid zijn op bijvoorbeeld een internetstoring. In zulke gevallen is het handig om belangrijke (Youtube-) filmpjes vooraf te downloaden en op een reservestick te bewaren. Zo'n reservestick heeft mij meer dan eens mijn les gered. Ik herinner me nog het gezicht van onze bovenschools ICT-er, die een urenlang internetprobleem moest oplossen en in mijn deuropening zei: ,,Hè? Heb jij wel internet?"
Een ander zwak punt is de grote hoeveelheid wachtwoorden. Tegenwoordig moet je een waslijst met wachtwoorden bijhouden. Het is helemaal een ramp wanneer je je wachtwoorden ook nog om de drie maanden moet veranderen.
Tot slot vind ik dat het internet en dus ook de hulpmiddelen zo veel mogelijk gratis moeten zijn. Als je Powerpoint naast Prezi en Lesson up zet, dan krijgt Powerpoint de voorkeur vanwege de beperkingen die de andere twee opleggen als je niet lid wilt worden. Zo kun je bij Prezi (basis) geen filmpjes met geluid invoegen en krijg je bij Lesson Up (spam-) mailtjes om toch zeker de premium versie te gaan gebruiken.
Klik op het plaatje om naar de site te gaan...
1.2) De docent is een flexibele en adaptieve professional.
1.2.1) De docent toont aan dat hij kan inspelen op onderwijskundige veranderingen en behoeften met betrekking tot het gebruik van ICT.
In 1993 kwamen de eerste computers de klas in. Elke klas had destijds 1 computer (vaak) achter in de klas staan en het computergebruik stond als apart onderdeel op het rooster. Langzaamaan kwamen er meer en meer computers de klas in. In veel gevallen nog sterk afhankelijk van de computer-affiniteit van de leerkracht, kreeg ICT een steeds grotere invloed op het lesgebeuren. Toch viel de meeste software tot omstreeks het jaar 2000 in het gebied van Edutainment. Pas na het jaar 2000 zag je dat software zich ging richten op de ontwikkeling van de individuele leerling. Software werd gekoppeld aan de methode en hoofdstukken die digitaal onvoldoende gemaakt werden, moesten worden herhaald. Deze ontwikkeling in software zette zich door. Programma's werden steeds 'slimmer' en de digitale mogelijkheden werden in de loop van de tijd talrijker. Zo worden leerlingen tegenwoordig gedurende de digitale oefeningen verbeterd, of in niveaugroepen ingedeeld.
Ook in mijn eigen klassensituatie maak ik gebruik van software die bij de methode hoort. Het inzetten van deze software vergt voorbereiding en overleg. Om een taal goed te leren dien je deze veel te spreken en te schrijven. Software zou dan een aanvulling moeten zijn, maar bij de betreffende methode is het een vervanging van het werkboek en dat is jammer.
1.2.2) De docent toont aan dat hij initiatieven neemt in het gebruik van ICT om zo sociale- en crossculturele vaardigheden te bevorderen.
In 2007 heb ik samen met een docent uit Canada een e-mailproject op poten gezet. Het idee was om leerlingen contact te laten leggen met leeftijdsgenoten uit een ander werelddeel. Naast het mailen wilden we beeldbellen (dat toen nog in de kinderschoenen stond). Helaas door slechte verbindingen bleek dit een vergeefse actie. Het mailen daarentegen ging prima ook al liepen we tegen kleine problemen aan, zoals het tijdsverschil, de privacy van de leerlingen die natuurlijk 100% gewaarborgd moest worden en de 50 mailadressen met bijbehorende wachtwoorden die we moesten aanmaken. Achteraf gezien een mooi en leerzaam project, maar zeker een product van zijn tijd.
Omdat je tegenwoordig veel gemakkelijker contact kunt maken met de rest van de wereld, zoals bv met Skype, is een dergelijk project (met email) bijna niet meer in te denken. Toch is contact leggen met een ander werelddeel nog steeds een leuke en uitdagende bezigheid. Vooral gamende jongeren leggen zonder enig probleem contact met mensen van over de gehele wereld. Als docent is het goed om regelmatig eens te vragen wat ze zoal doen online en of ze alleen Engels spreken, of dat er ook andere talen 'voorbij' komen.
1.3) De docent is een reflecterende en onderzoekende professional.
1.3.1) De docent toont aan op methodische wijze ICT-gebruik te analyseren om zo systematisch verbeterpunten in zijn lespraktijk toe te passen en te beoordelen op effectiviteit.
Alle software die ik in mijn lessen ga gebruiken wordt eerst uitgeprobeerd. Het valt wel op dat programma's waar veel voorwaarden aan verbonden zijn (toepasbaarheid en lid moeten worden, e.d.) na een tijdje weer weg vallen uit mijn curriculum. Ook de lessen die ik in het verleden heb gemaakt gebruik ik regelmatig. Tijdens het lesgeven ontdek ik wel eens een foutje. Dat wordt dan per direct aangepast. In een enkel geval is een digi-les niet succesvol. Het is dan ook goed om deze rigoureus aan te passen, of zelfs te verwijderen.
1.3.2) De docent toont aan dat hij zoekt naar (interdisciplinaire) samenwerking met collega’s die in een vergelijkbare situatie rondom ICT en onderwijs verkeren.
Tijdens de Coronacrisis werd er een enorm beroep gedaan op de digitale kwaliteiten van zowel docent als leerling/student. Samenwerking tussen collega's was hierin een belangrijke factor om tot goed onderwijs te komen. Zo hielp ik mee om klassen in te richten voor live streaming lessen en hielpen andere collega's mij met de juiste programma-instellingen. Ook het gebruik van Microsoft Teams is de laatste tijd een goede aanvulling geweest aan het online samenwerken tussen collega's. Daarnaast help ik collega's mee met het oplossen van hardware-problemen.
1.4) De docent is een samenwerkende professional.
1.4.1) De docent toont aan dat hij opgedane ICT kennis en vaardigheden met andere docenten (binnen of buiten de school) kan delen om zo nieuwe kennis te construeren.
Voor veel online platformen heb ik een account. Toch gebruik ik ze niet allemaal. Of ik een platform gebruik hangt meestal af van de inhoud van de lessen en het vak dat ik op dat moment geef. De laatste jaren richt ik me meer op het formatief toetsen. Hierbij maak ik gebruik van platformen als Kahoot en Socrative. Veel van de platformen heb ik ergens bij een collega gezien, of werd vanuit de studie aangeraden. Zelf vind ik het heerlijk om een les met veel theorie af te sluiten met een Kahoot. De Kahoots maak ik doorgaans zelf. Dit heeft als hoofdreden dat ik graag zelf bepaal wat er in komt en ik me op deze manier kan verdiepen in de lesstof. De Kahoots of toetsen die ik ontwikkel zijn vrij toegankelijk voor andere docenten. Incidenteel gebruik ik ook een Kahoot van een collega, als deze past bij de inhoud van mijn les. Lesson-up heb ik leren kennen door medestudenten aan de NHL Hogeschool.
1.4.2) De docent ondersteunt en motiveert collega’s en leerlingen in hun ICT ontwikkeling.
Nog niet zo lang geleden had de volwassene een behoorlijke ICT-voorsprong op de leerling, maar die achterstand hebben de leerlingen in veel gevallen omgebogen naar een voorsprong. Toen ik in 1993 mijn eerste ICT-lessen gaf aan de kinderen had bijna de helft van de klas nog nooit een computer aangeraakt. Nu ligt dat anders. Dit komt doordat zij opgroeien in het digitale tijdperk. Ik doel hierbij op het verschil tussen Digital Immigrants (volwassenen) en Digital Natives (kinderen). In de toekomst zal dit verschil verdwijnen, omdat er dan alleen nog maar Digital Natives zijn.
Veel collega's zijn op zichzelf aangewezen voor wat betreft de ICT-situatie in de klas. Vaak heeft de school ict-er ook zelf een klas, of is een bovenschools ict-er niet beschikbaar wanneer het nodig is. Het is dan fijn wanneer je als 'digibeet' een beroep kunt doen op een collega, die wel van de hoed en de rand weet en beschikbaar is. Problemen die zich bij collega's voordoen liggen vaak in het internet, besturing en/of audio-visuele vlak. Het is leuk om hen dan te helpen.
Leerlingen helpen elkaar. Zij hebben vaak problemen met hun chromebook, laptop of I-pad. Ook hier is het fijn als een docent kan helpen. In het verleden moest ik als docent ook zorg dragen voor de computers in mijn eigen klas. Ik greep dan ICT-problemen aan om deze klassikaal op te lossen. De nadruk lag dan op: veiligheid, analyse van het probleem en oplossen van het probleem.