Tweesporenbeleid
Voor mensen met autisme is iedere dag een survivaltocht. Wat voor mensen zonder de diagnose heel vanzelfsprekend is, is dat voor hen zeker niet. Vaak wordt dan ook gezegd dat we zoveel mogelijk moeten aanpassen voor hen. Zo kan hun stresspeil laag blijven. Dit is echter niet volledig waar. Wij geloven ook in een dubbelspoor. Enerzijds kunnen we de omgeving gaan aanpassen, maar anderzijds kunnen we hen ook aanleren zichzelf aan te passen.
Starten doen we echter het best met het aanpassen van de omgeving. Basisrust mag niet uit het oog worden verloren! Pas wanneer je jezelf veilig en goed voelt, kan je immers tot leren komen.
Het tweesporenbeleid =
Spoor 1 : De omgeving aanpassen
en
Spoor 2 : De persoon met autisme leren zichzelf aan te passen
Spoor 1 : De omgeving aanpassen
=Je past aan wat niet duidelijk is. Dit is uiteraard persoons- en contextgebonden!
-6 gebieden die belangrijk zijn om aan te passen:
tijd
= Mensen met autisme missen het aanvoelen van tijd en het verloop van activiteiten. Sommigen hebben het moeilijk met overgangen.
ruimte
= Dit gaat over het gebrek aan overzicht en organisatorische mogelijkheden, ook over moeite met verbeelding. Sommige mensen met autisme hebben het graag ordelijk en strak, anderen zijn eerder chaotisch.
activiteit
= Naast duidelijkheid over tijd en ruimte hebben sommigen ook graag meer duidelijkheid over wat er precies staat te gebeuren of hoe en met wie een activiteit aan te pakken.
gedrag
= Hier gaat het over het gedrag van de omgeving : de mensen rondom de persoon met autisme. Het is soms nodig om als begeleider je gedrag aan te passen.
verwachtingen
= Vaak is voor mensen met autisme niet helemaal duidelijk wat er in een situatie precies van hen wordt verwacht en wat het doel van een activiteit is.
gevolgen
= Gevolgen van activiteiten die goed of minder goed gaan, zijn niet altijd duidelijk voor mensen met autisme, zeker niet wanneer ze er nog nooit mee werden geconfronteerd.
-Binnen deze gebieden kan je de volgende zaken nog aanpakken :
prikkels =prikkels weghalen of toevoegen
duidelijkheid =verhelderen, voorspelbaar maken (of dus autismevriendelijk maken!)
moeilijkheid =kennis, vaardigheden en sociale aanpassingen
Waarom de omgeving aanpassen?
Zoals we hierboven al aangaven, is het belangrijk dat we zoveel mogelijk streven naar basisrust. Dit is immers een voorwaarde voor mensen met autisme om tot leren te kunnen komen, maar ook om zelfstandiger te kunnen functioneren en te kunnen groeien.
Enkele voorbeelden :
Tijd:
-tijd visualiseren met een timetimer
-meer tijd geven voor het maken van een toets of examen
Ruimte:
-een verduisterende gordijn om fel zonlicht buiten te houden
-hulp bieden bij het organiseren van de werkplek
Activiteit:
-een muziekje gebruiken bij overgangen (bv. opruimlied in de kleuterklas)
-op voorhand vertellen wie er precies op het familiefeest zal zijn
Gedrag:
-het kind niet onnodig aanraken of knuffelen als je weet dat het dit niet fijn vindt
-duidelijk aangeven dat je boos bent en waarom
Verwachtingen:
-een spreekoefening enkel voor de leerkracht laten doen, niet voor medeleerlingen
-ongeschreven sociale regels uitleggen (bv. niet te luid praten in de wachtzaal bij de dokter)
Gevolgen :
-verduidelijken wat er kan gebeuren wanneer je toch gaat voetballen in de regen
-praten over wat de gevolgen zijn van niet of onvoldoende studeren
Spoor 2 : De persoon met autisme iets aanleren
We kunnen autisme niet 'afleren', maar we kunnen mensen met autisme wel een aantal vaardigheden aanleren die hen in staat stellen om zelfstandiger te participeren in onze maatschappij. Leren kost echter tijd en energie. Het is daarom belangrijk om goed af te wegen wat we willen aanleren en wat (nog) niet. We kiezen bij voorkeur voor functionele zaken. We kijken ook hier naar de persoon en naar de context.
-5 groepen vaardigheden :
communicatie
sociale vaardigheden
vrije tijd
zelfredzaamheid
leer- of werkvaardigheid
Enkele voorbeelden :
Communicatie:
-leren om hulpvragen te stellen
-leren een gevoelsmeter te gebruiken om gevoel duidelijk te maken.
Sociale vaardigheden:
-leren om flink samen te spelen en te delen
-leren vriendschappen aangaan en onderhouden
Vrije tijd:
-leren zicht krijgen op wat te doen in de vrije tijd
-samen zoeken naar een sportclub of andere hobby buitenshuis
Zelfredzaamheid:
-leren om zichzelf te wassen en aan te kleden
-leren omgaan met geld
Leer- of werkvaardigheid:
-leren een samenvatting van een les te maken
-leren de boekentas te maken
-Hoe vaardigheden aanleren?
Houd rekening met de context.
--> Verduidelijk altijd hoe een aangeleerde vaardigheid toegepast kan worden in een andere situatie.
Let op voor ‘overgeneraliseren’ of ‘ondergeneraliseren’.
==> Je kan bijvoorbeeld iemand leren een gesprekje aan te gaan met medereizigers aan de bushalte. Als die persoon echter iedere dag weer zegt dat het vandaag 'mooi weer is', kan dit na een tijdje heel bizar overkomen, zeker wanneer het pijpenstelen regent. =overgeneraliseren
==> Je kan iemand leren wortels zonder loof schoon te maken en te versnijden, maar dan is het niet zeker dat dit ook zal lukken met wortels met loof. = ondergeneraliseren
Leer vaardigheden aan in kleine stappen.
--> Stem het tempo af op de persoon met autisme.
--> Geef voldoende tijd en herhaal, herhaal, herhaal ...
-Welk spoor wanneer volgen? Aanleren of aanpassen?
Houd deze aandachtspunten in gedachten!
Individuele mogelijkheden spelen een grote rol!
Stressniveau is bepalend. Basisrust moet zoveel mogelijk gegarandeerd blijven.
Verstandelijke mogelijkheden zijn belangrijk.
Matrix : aanpassen van de omgeving
Het aanpassen van de omgeving kan dus op verschillende manieren. Wil je zelf nadenken over welke aanpassingen jij kan doen voor iemand met autisme? Deze matrix kan je vullen met acties. Gebruik de voorbeelden van deze pagina en van de oefeningen ter inspiratie.
Functionaliteit en motivatie
Werken op de twee sporen is ook rekening houden met wat functioneel is voor de persoon met autisme. Wat is belangrijk en nuttig om op in te zetten?
Houd zeker rekening met de volgende 3 zaken :
-Autonomie
= Autonoom handelen wil zeggen dat je zelf je leven in handen kan nemen. Autonomie geven aan mensen met autisme, wil zeggen hen vrijheid geven om zichzelf te mogen zijn en eigen keuzes te mogen maken binnen hun eigen mogelijkheden.
-Betrokkenheid
= Betrokkenheid of verbondenheid wijst op de aandacht die begeleiders (ouders, leerkrachten, ...) moeten hebben voor specifieke noden en activiteiten die helpen om mensen met autisme te laten groeien.
-Competentie
= Het is nodig om mensen met autisme succeservaringen te laten hebben en te doen blinken. Begeleiders houden er dus best rekening mee dat uitdagingen voldoende aansluiten bij de behoeften en mogelijkheden van mensen met autisme.
Voldoen aan dit 'ABC' werkt sowieso motiverend. Wanneer één van deze letters in gedrang komt, komt automatisch ook de (intrinsieke) motivatie in gedrang.