Afdeling V- Professionele hulp
Soorten professionele hulp
Therapie gericht op vloeiend leren spreken
Therapie gericht op het anders omgaan met stotteren (bewust gemakkelijker en losser stotteren
Zelfhulpgroepen
Psychotherapie
Professionele hulp zoeken
Afdeling V:
Vier van de honderd kinderen gaan op een gegeven moment stotteren. Van die vier houden er twee binnen een jaar mee op. Eén zal in de puberteit herstellen.Het vierde kind blijft zijn leven lang stotteren. Gebleken is dat logopedische hulp van behoorlijke kwaliteit met een verscheidenheid van methoden drie van de vier stotterende kinderen helpen kan. Niet bekend is, of de kinderen waarbij therapie succes heeft, dezelfde zijn als degenen die ook zonder therapie wel hersteld zouden zijn. En omdat we dat niet weten mogen we niet het risico nemen van preventieve maatregelen af te zien.
We weten dat het probleem van kinderen die chronische stotteraars worden, diep geworteld is. Met ‘praattherapieën’ zijn die kinderen niet meer te helpen. De wortels van de neiging tot verslaving aan stotteren ontkiemen in de vroegste jeugd. Ze liggen zo diep en zijn zo slecht bereikbaar voor rationeel denken dat ze evengoed van genetische aard zouden kunnen zijn.
Zodra het imago ‘stotteraar’ gevestigd is, waarvoor het stotteren als schild fungeert, komt preventie niet meer in aanmerking. Wat echter met professionele hulp bereikt kan worden, is een zodanige verbetering dat het stotteren wordt teruggebracht tot een hanteerbaar aspect van het leven. De kans nog wel eens te stotteren zal blijven bestaan, maar men kan er dan genoeg afstand van nemen dat het geen levenskwestie meer is. Zeker zo belangrijk is dat het imago een stotteraar te zijn, overboord kan worden gezet.
Dat is wat Aileen onder woorden bracht toen ze enkele jaren een therapie gevolgd had: ‘Vroeger zag ik mezelf als stotteraar. Nu zie ik mezelf als iemand die inderdaad stottert, maar heel veel andere kanten heeft. Misschien is dat de reden waarom ik niet altijd zo vloeiend spreek (ik breng wat ik geleerd heb niet zo vaak in praktijk; alleen als ik het echt nodig heb). Maar ik denk dat ik veel beter communiceer. Andere mensen houden van mij, en ik houd van mezelf - werkelijk een openbaring. De therapie van nu is veel meer gericht op communicatie dan toen ik ermee begon; toen lag de nadruk op vloeiend spreken. Ik was zo verdiept in het vloeiend spreken, dat ik niet meer echt communiceerde. Ik geloof ook dat ik in bepaalde omstandigheden welbewust stotter, als buffer of barrière tegenover personen die gezag vertegenwoordigen (mijn moeder, mijn baas). Stotteren is ook een uitsteltactiek die ik gebruik als ik mijn gedachten niet snel genoeg op een rijtje kan krijgen.’
Het nu volgende is aangepast aan de situatie In Nederland. (1993!) Er staan drie hulpbronnen ter beschikking om verbetering te bereiken:
Logopedisten. Zij kunnen verschillende therapiemogelijkheden, apart en in combinatie, aanbieden: technieken voor vloeiend spreken, technieken om gemakkelijker te stotteren, training om sociaal en emotioneel beter te communiceren.
Psychotherapeuten. Zij richten zich op het veranderen van het zelfconcept van de stotteraar en op de irrationele gedachten en minderwaardigheidsgevoelens die met het stotteren samenhangen.
Zelfhulpgroepen en oudergespreksgroepen. Zij worden georganiseerd door de Vereniging van Stotteraars ‘Demosthenes’. Stotteraars helpen elkaar door het onderling uitwisselen van ervaringen en het bevorderen van openheid over het probleem. Inlichtingen hierover zijn te krijgen bij het Stotterinformatiecentrum (SIC) Postbus 119 te Utrecht en op de website www.demosthenes.nl
Mensen die stotteren, hun partners en ouders van kinderen die stotteren kunnen lid worden van Demosthenes en zo aan allerlei activiteiten, zoals belangenbehartiging, contact - en themadagen - deelnemen.
Een goede raad aan stotteraars of aan ouders die zich zorgen maken over het stotterend spreken van hun kind is: een afspraak maken met de afdeling Logopedie/Foniatrie van een Academisch Ziekenhuis. Daar kunt u een verwijzing krijgen naar een logopedist (in of dichtbij de eigen woonplaats) die zich speciaal heeft toegelegd op het stotterprobleem.
Geen vakgebied heeft zich zo uitvoerig beziggehouden met stotteren als de logopedie. Dat vakgebied is verantwoordelijk geweest voor het ontwikkelen van de belangrijkste methoden voor therapie en preventie. Het is tevens het vakgebied waarin verreweg het meeste onderzoek gedaan is naar stotteren. Aangezien u hoogst waarschijnlijk naar een logopedist zult gaan als u professionele hulp nodig hebt, volgt hier enige uitleg over wat u van zo iemand kunt verwachten.
Vloeiend leren spreken kan van groot nut zijn. Vrijwel iedereen die stottert wil bevrijd worden van dat moeizame geworstel bij het praten. Het idee dat je vloeiend het woord zou kunnen voeren is geweldig aantrekkelijk. Deze therapie wordt zowel bij (oudere) kinderen als bij volwassenen veelvuldig toegepast. De procedures die hier beschreven worden, zijn bedoeld voor degenen die er niet in geslaagd zijn het stotteren kwijt te raken tijdens het opgroeien.
Mijn collega’s en ik hebben meer dan een kwart eeuw gebruik gemaakt van therapieën gericht op vloeiend spreken. Voor het verbeteren van vloeiendheid bij kinderen is vooral het geleidelijk vergroten van de lengte van de mededelingen effectief. Dat is ook bij tieners en volwassenen nuttig, maar dan gewoonlijk als aanvulling op andere spreektechnieken. Bij velen is adembeheersingstechniek effectief, maar het geeft als zodanig minder garantie voor vloeiendheid dan tempovertraging. Ofschoon men uiterst langzaam en monotoon moet spreken om altijd en overal de vloeiendheid te handhaven, is in het begin vrijwel iedere stotteraar in de wolken bij de gedachte vloeiend te kunnen praten, hoe saai het ook klinkt. Met meer geavanceerde technieken dan alleen tempovertraging kan op korte termijn normaal klinkend spreken worden bereikt. Maar het voelt niet aan als normaal. De wittebroodsweken van het vloeiend spreken duren nog geen maand. Dan komt de realiteit. Het gebruik van deze vaardigheden vergt voortdurende aandacht voor ‘de techniek’; er blijft weinig aandacht over voor ‘de mededeling’. De mensen gaan zich realiseren dat hun droom nooit zal uitkomen: de gecontroleerde vloeiendheid zal, ook al doen ze nog zo lang hun best, nooit automatisch en normaal spreken worden.
Het idee bevrijd te worden van het stotteren is enorm verleidelijk. Jarenlang ben ik ook zelf door die verleiding meegesleept. Mijn collega’s en ik vonden het spannend en bevredigend dat wij bij praktisch iedereen die stotterde, ongeacht hevigheid of leeftijd, in enkele weken gedaan konden krijgen dat zij (althans binnen de therapieruimte) klonken als normale vloeiende sprekers. Het was ons doel hen in die stottervrije toestand te houden. Wat wij niet begrepen was waarom zij er moeite mee bleven houden hun controletechnieken ook in moeilijke gesprekssituaties toe te passen.
Dat wij niet alle problemen hadden opgelost bleek pas toen de mensen die wij behandelden met nadruk beweerden dat hetgeen klonk als normaal vloeiend spreken, beslist niet zo aanvoelde. Ze hadden het zo druk met zich te concentreren op de spreektechniek, dat ze geen aandacht konden schenken aan wat ze in feite wilden vertellen. Bovendien voelden ze zich geen van allen genezen. Hoe normaal hun praten ook klonk, ze bleven het gevoel houden dat het stotteren op de achtergrond lag te wachten, klaar om bij de eerste gelegenheid weer toe te slaan.
Ik begreep er niets van totdat ik me eindelijk realiseerde dat wat ik hóórde als stotteren niet noodzakelijk écht stotteren was. Wat ik hoorde klonk in mijn oren abnormaal, maar de sprekers voelden het niet als stotteren. Stotteraars weten dat ze gestotterd hebben als ze spanning ervaren in keel, mond en borst, en ze hun spreken niet meer onder controle hebben wanneer ze ongewild struikelen over hun woorden of erin blijven steken. Dat is echt stotteren. Wat wij horen kan soms klinken als stotteren, terwijl het toch niet als stotteren voelt. Dat is dan ‘vals alarm> voor de luisteraar.
Door ons te concentreren op het handhaven van vloeiendheid gingen wij er eigenlijk van uit, dat door het stotteren te verbergen het uiteindelijk wel zou verdwijnen. Dat is natuurlijk niet de manier om stotteren te voorkomen. Om het echte stotteren terug te dringen moeten we de oorzaken van het controleverlies voorkomen of verminderen. Als de behandeling daarop gericht is, is vermindering van wat ons als stotteren in de oren klinkt, inderdaad een teken dat ook het controleverlies aan het verminderen is, ook al is een deel van het stotteren vals alarm.
Het andere - en wenselijke - doel van vloeiend leren spreken is dat men de techniek gebruikt als ‘vangnet’ in een programma dat bedoeld is om zelfvertrouwen op te bouwen. Zelfvertrouwen wordt bereikt door met succes vrijuit en spontaan te praten, of iemand daarbij nu stottert of niet. Daar had Aileen het over. Dat kan niet worden bereikt zolang iemand twijfelt aan zichzelf. Die twijfels worden in stand gehouden door het vermijden van woorden, mensen of situaties waarbij stotteren kan optreden. Gecontroleerde vloeiendheid, gebruikt als vangnet om het risico van stotteren bij spontane uitingen aan te durven, is een vrij snelle methode om zelfvertrouwen op te bouwen.
Een tweede voordeel is dat programma’s voor vloeiendheid zelfwerkzaamheid op gang brengen. Stotteraars wordt geleerd met welke hulpmiddelen zij zelf iets aan hun communicatieve vaardigheden kunnen doen. Die hulpmiddelen kunnen worden gebruikt om steeds grotere uitdagingen aan te gaan. Wil iemand zichzelf bewijzen dat hij even vrij kan spreken als ieder ander, dan beschikt men in het aanleren van spreektechnieken en het oefenen van assertief gedrag over machtige hulpmiddelen voor het opbouwen van zelfvertrouwen.
Therapie gericht op het anders omgaan met stotteren (bewust gemakkelijker en losser stotteren)
Therapie gericht op het beter omgaan met stotteren en de daarbij behorende verandering in denken en voelen, streeft naar ongeveer dezelfde resultaten als therapie gericht op de bevordering van vloeiendheid: het opheffen van vermijdingsgedrag. Maar de aanpak is wezenlijk anders. Hoewel sommige vloeiendheids bevorderende technieken ook hierbij gebruikt worden om de hevigheid van het stotteren te reduceren, ligt van het begin af aan de nadruk op de confrontatie met de angst voor het stotteren, oefenen van opzettelijk stotteren en het absoluut niet toestaan van vermijdingsgedrag. Dat betekent: analyseren van wat er (motorisch en akoestisch) precies gebeurt tijdens het stotteren, en bovendien juist die spreeksituaties aangaan die gewoonlijk vermeden werden. Het voorspelbare resultaat is dat er flink gestotterd wordt, maar dat is ook de bedoeling: openlijk stotteren en dat zo gemakkelijk mogelijk doen. Op deze manier wordt beoogd dat stotteraars ontdekken dat stotteren niet iets is om bang voor te zijn of koste wat het kost te vermijden.
Om het trauma van deze benadering wat te verzachten, wordt dikwijls gebruik gemaakt van groepstherapie. Er ontwikkelt zich een gevoel van ‘wij tegenover de rest van de wereld’, waaruit de groepsleden kracht putten en waaraan zij zelfvertrouwen ontlenen. Hoewel de nadruk wordt gelegd op saamhorigheid en loyaliteit voor een gemeenschappelijke zaak, blijft uiteraard zelfwerkzaamheid de belangrijke factor.
Therapie die gericht is op het beter omgaan met stotteren vindt haar weerslag in een aantal uitstekende suggesties die bedoeld zijn om het kind minder te laten piekeren over zijn stotteren. Aan die suggesties ligt echter de veronderstelling ten grondslag dat hetgeen je hoort als stotteren ook het probleem is. De adviezen zijn dan ook vooral bedoeld om bij stotterende kinderen iets te doen aan het moeilijke spreken. Ze verschillen van de eerder beschreven preventiestrategieën in zoverre, dat ze niet ontworpen zijn om selectief de verschillende oorzaken van het stotteren aan te pakken of de verslaving aan het stotteren terug te dringen.
De Stuttering Foundation of America, een non-profit organisatie die zich wijdt aan het welzijn van mensen die stotteren, heeft een groot aantal publikaties uitgegeven. Een van die publikaties, Do You Stutter?: A Guide for Teens, in het Nederlands verschenen onder de titel Stotter jij misschien? (ISBN 90-6100-316-4) uitgave A. Donker, Rotterdam) bevat waardevolle aanwijzingen voor tieners, voor het omgaan met stotteren. Een andere publikatie, Stuttering and Your Child: Questions and Answers, eveneens vertaald: Stotteren en uw kind: vragen en antwoorden en bij A. Donker, Rotterdam uitgegeven bevat talrijke ideeën over wat wel en wat niet te doen. Hier volgen enkele voorbeelden daaruit.
Wat ouders kunnen doen om het kind dat stottert te helpen:
Luister geduldig naar wat uw kind zegt, niet naar hoe hij het zegt. Reageer op zijn mededeling, niet op het stotteren.
Laat uw kind zijn gedachten uitwerken zonder onderbreking.
Houd een natuurlijk oogcontact met uw kind terwijl hij aan het praten is.
Breng de gedachten of ideeën van uw kind niet zelf onder woorden; vul het kind niet aan; verbeter het niet.
Antwoord langzaam en zonder haast op wat uw kind zegt; gebruik liefst dezelfde woorden. Zegt hij bijvoorbeeld: ‘Ik z-z-zie een p-p-p-poesje’, antwoord dan op ontspannen manier: ‘0, je ziet een poesje. Wat leuk.’
Wacht een seconde of zo voordat u antwoord geeft. Dat helpt om de gesprekssituatie ontspannen te houden, wat het spreken van uw kind ten goede komt.
Maak er een punt van alleen commentaar te geven op wat uw kind vertelt, niet op de manier waarop hij praat.
Stel niet te veel vragen. Heeft u vragen, stel ze dan één voor één, en geef het kind ruim de tijd om te antwoorden.
Besteed elke dag minstens vijf minuten aan ongehaast, rustig, ontspannen praten met uw kind.
Zoek naar wegen om uw kind te laten merken dat u van hem houdt en hem waardeert, en dat u van de samen doorgebrachte tijd geniet.
Dingen die HELPEN:
Zorg in huis voor een rustige, ongehaaste manier van leven.
Spreek minder snel als u met uw kind praat.
Geef het kind de kans zijn gedachten af te maken.
Spreek niet in plaats van het kind en jaag hem niet op om zijn gedachten af te maken.
Zet tijdens de maaltijd radio en t.v. af; die tijd is voor gezinsgesprekken.
Spreekt het kind u aan terwijl u iets doet dat concentratie vereist (bijvoorbeeld autorijden of groenten snijden), zeg dan dat u nu niet kunt kijken, maar dat u luistert en met uw aandacht erbij bent.
Wanneer u werkelijk niet gestoord kunt worden zeg dit vriendelijk en vraag het kind er later op terug te komen. Kom er liefst zelf op terug.
Dingen die KWAAD doen:
Zinnen voor het kind afmaken.
Het kind opjagen om zijn gedachten of zinnen af te maken.
Het kind onderbreken terwijl hij aan het praten is.
Het kind aansporen om snel, precies en altijd weloverwogen te praten.
De manier van praten of de uitspraak van het kind corrigeren, kritiseren of proberen te veranderen.
Zelf snel blijven praten, met name als u vertelt dat het kind zijn eigen spreektempo moet vertragen.
Een extreem snelle levensstijl in het gezin handhaven (of constant de indruk wekken dat alles ‘gisteren al gedaan had moeten zijn’).
Van het kind vragen dat hij voor vrienden, verwanten of buren die op bezoek zijn, vertelt ’wat er gebeurd is’, versjes opzegt of hardop voorleest.
Wat babysitters kunnen doen om te helpen:
Behandel het kind dat stottert op dezelfde manier als alle andere kinderen.
Wees geduldig en schenk aandacht aan wat het kind zegt, niet aan de manier waarop hij dat zegt. Reageer op de mededeling.
Enkele dingen die men niet moet doen:
Laat niet toe dat het kind zich dingen permitteert die zijn broertjes en zusjes niet mogen doen.
haast het kind niet;
maak geen woorden of zinnen voor hem af;
onderbreek niet, val niet in de rede;
verbeter zijn uitspraak niet;
weerhoud het kind er niet van zich te uiten.
Wat het kinderdagverblijf kan doen om te helpen:
Behandel het kind dat stottert op dezelfde manier als alle andere kinderen.
Laat niet toe dat het kind zich dingen permitteert alleen omdat hij stottert.
Beschouw het stotteren als het maken van fouten in het normale leerproces. Het kind moet worden aangemoedigd zijn gedachten te uiten net als ieder ander kind in het dagverblijf.
Hapert het in zijn praten, geef hem dan de tijd om de fouten te herstellen:
zonder dat anderen het kind opjagen, en
zonder dat anderen de woorden of gedachten voor het kind afmaken.
Een kind dat stottert moet op dezelfde manier gestraft worden als elk ander kind.
Een kind dat stottert moet in het gesprek dezelfde goede manieren in acht leren nemen als elk ander kind, bijvoorbeeld:
a) a.om de beurt praten;
b) luisteren als anderen praten;
c) c.anderen niet in de rede vallen of hun woorden voor hen afmaken.
Wat de leerkracht kan doen om te helpen:
Door met de ouders van een kind dat stottert een gesprek te hebben voordat het nieuwe schooljaar begint, kunt u te weten komen wat de ouders zorgen baart en wat ze verwachten.
Als er een logopedist aan uw school verbonden is, vraag hem/haar dan of hij/zij suggesties heeft voor dit kind. Als de logopedist met dit kind aan het werk gaat, vraag dan wat daarbij de doelstellingen zijn.
Bevorder goede manieren bij het spreken in de klas: niemand onderbreekt een ander, niemand praat namens een ander en niemand maakt de woorden af voor een ander.
Laat niet toe dat het kind zich dingen permitteert alleen omdat hij stottert.
Behandel het kind dat stottert zoveel mogelijk op dezelfde manier als de andere kinderen in de klas, met uitzondering van speciale hulp bij het mondeling overhoren.
Van kinderen die stotteren mag men verwachten dat ze meedoen met alle mondelinge overhoringen in de klas, ook al hebben ze misschien wat extra hulp nodig.
Praat met het kind over de eisen van de mondelinge overhoring, over wat het kind er zelf van vindt en wat u kunt doen om hem te helpen.
Geef het kind de kans thuis te oefenen in wat bij de mondelinge overhoring van hem verlangd wordt, en moedig hem aan.
Gun kinderen die stotteren genoeg tijd om te praten; ze hebben dikwijls moeite te beginnen.
Weet dat het een groot verschil maakt dat u het kind belangrijk genoeg vindt om deze dingen te doen.
In zelfhulpgroepen vindt men bij elkaar dezelfde loyaliteit en steun als in de therapeutische programma’s voor het leren omgaan met stotteren. In plaats van uit te gaan van een confrontatie met de buitenwereld, wordt daartoe gelegenheid gegeven binnen de groep. De populariteit van dit soort groepen neemt toe. Zij bestaan voornamelijk uit volwassenen en soms enkele tieners die bijna allemaal verwachten dat ze wel voorgoed enige last zullen blijven houden van het stotteren.
Psychotherapie is natuurlijk effectief in het verbeteren van de manier waarop mensen die stotteren zich voelen. Er zijn echter weinig klinisch psychologen of psychiaters die veel ervaring hebben met stotteren, zodat de therapie die zij geven meestal meer gericht is op algemene aanpassingsproblemen dan op de specifieke oorzaken van stotteren. Na alle benaderingen te hebben meegemaakt, denk ik dat psychotherapie het meest effectief is als zij gegeven wordt tegelijk met een zelfvertrouwen-bevorderend programma dat gericht is op vloeiendheid of op beter omgaan met stotteren. De feitelijke successen, zo essentieel voor het opbouwen van zelfvertrouwen, komen dan voort uit de genoemde technieken in deze programma’s.
Deze soorten therapie zijn onderling zo verschillend dat je zou verwachten dat ze ook verschillende resultaten opleveren. In tegenstelling daarmee wijzen de beschikbare gegevens erop dat de resultaten van verschillende therapievormen ongeveer gelijke succespercentages laten zien. De rode draad die door elk van deze benaderingen loopt, is moed en zelfvertrouwen. Als mensen die stotteren zelfvertrouwen hebben, blijken ze zich spontaan te durven uiten, in de overtuiging dat ze met succes gevoelens en gedachten kunnen overbrengen. Het toegenomen zelfvertrouwen gaat samen met een toegenomen gevoel van zekerheid, en met verminderd stotteren. Omdat psychotherapie er speciaal op gericht is het zelfvertrouwen te versterken, is het waarschijnlijk dat psychotherapie, indien gebruikt samen met een programma gericht op spreektechnieken in bepaalde gevallen nodig kan zijn.
Een groepstherapie voor mensen die stotteren waarbij gebruik wordt gemaakt van individualpsychologische principes is in Nederland niet mogelijk. In het boek "Ja, ... Aber!" (RDI-Verlag Art.-Nr.: 48) en in deze brochure kunnen therapeuten meer over deze aanpak lezen.
Als deskundige hulp gezocht wordt, is het raadzaam zich te wenden tot de afdeling Logopedie/Foniatrie van een Academisch Ziekenhuis, zoals reeds eerder is vermeld. Men heeft daar de adressen van deskundigen, zowel voor hulp aan jonge kinderen (en hun ouders) als voor de problemen van ‘gevestigde’ stotteraars.
Voor folders en literatuur over stotteren en stottertherapie, zelfhulpgroepen en informatie voor ouders kan men terecht bij het reeds genoemde Stotterinformatiecentrum, Postbus 119 te Utrecht. Het SIC. beschikt ook over de ledenlijst van de Vereniging voor Stottertherapie en over brochures, folders en boeken die informatie verschaffen.
Als u professionele hulp nodig heeft is een logopedist de meest geschikte keus. Ik heb de psychiatrie als hulpbron niet genoemd omdat er tot nu geen effectieve medische behandeling van stotteren bekend is en er ook geen zicht is op een medische oplossing in de toekomst. (Diverse psychofarmaca zijn geprobeerd, maar er is tot nu toe nooit meer dan tijdelijk resultaat geboekt. Dat geldt ook voor de behandeling met hypnose.)
De beste manier om externe hulp te vinden is: te rade gaan bij iemand die naar uw gevoelen begrijpt wat voor soort hulp u nodig hebt. Lukt dat niet, dan kunt u het beste, na een logopedist gekozen te hebben, op basis van een gesprek met hem of haar voor uzelf eerst een indruk vormen of dit de juiste persoon is voor uw kind.
Mijn adviezen om stotteren te voorkomen berusten op recente gegevens. Dat houdt in dat u de logopedist vrij uitvoerig zult moeten beschrijven wat u wilt bereiken. Wellicht is de logopedist bereid u in contact te brengen met gezinnen die hij of zij geholpen heeft. Therapie is geen exacte kunst. Mislukkingen zijn onvermijdelijk. De bereidheid van de logopedist om te vertellen waar hij of zij niet slaagde, zegt veel over zijn of haar geloofwaardigheid. U hebt iemand nodig bij wie vakbekwaamheid meer betekent dan techniek, iemand die betrokkenheid uitstraalt, iemand die even duidelijk, open en eerlijk is als u zelf met uw kind zou willen zijn.
06 Aanhangsel: Gezinsinterventie bij stottertherapie
1988_Stotter jij misschien.pdf
1989_Stotteren en uw kind_vragen en antwoorden.pdf
1990_Carl W Dell Stotterende kinderen.pdf
Om te voorkomen dat door conflict veroorzaakt stotteren chronisch wordt, is het noodzakelijk de onzekerheden van het kind te doen afnemen. Dat doet men door hem te laten merken dat hij zijn gevoel van eigenwaarde zelf in stand kan houden.
Als mensen zichzelf als stotteraars zien, wordt het een extra probleem dat hun stotteren een redelijke verklaring biedt voor het feit dat zij in werkelijkheid niet alles kunnen zijn wat ze in hun fantasie zijn.
Niets vernedert mensen die stotteren zo erg, of maakt ze zo kwaad, als medelijden.
Bevoogding, betutteling, betekent voor iedereen, niet alleen voor stotterende kinderen, dat wij vinden dat ze niet op voet van gelijkheid kunnen meedoen en ontzien moeten worden.
Het conflictgebonden stotteren is een expliciet protest tegen bevoogding, die als uiterst beledigend wordt ervaren.
Onthoud goed dat vloeiend spreken niet het doel is van therapie. Daar kan niet genoeg de nadruk op gelegd worden.
U zult hevig in de verleiding komen vloeiend spreken te zien als het belangrijkste dat bereikt kan worden. Niets is minder waar.
Zodra het imago ‘stotteraar’ gevestigd is, met stotteren als beschermend pantser, komt preventie niet meer in aanmerking.
Wat met professionele hulp dan nog bereikt kan worden, is een zodanige verbetering dat het stotteren wordt teruggebracht tot een hanteerbaar aspect van het leven.
Als in de jaren vóór de schoolleeftijd een aan assertiviteit gerelateerd stotteren ontstaat, ligt de verantwoordelijkheid voor succesvolle preventie ronduit bij de ouders.
Als het stotteren eenmaal chronisch s geworden zal het gevaar van controleverlies altijd blijven bestaan, maar de angst ervoor kan zo verminderd worden dat het geen werkelijk probleem meer betekent.
Even belangrijk is dat het zelfbeeld een stotteraar te zijn vrijwel losgelaten kan worden.
Het leren omgaan met eigen emoties van het oefenen van sociale vaardigheden, gekoppeld aan voor die persoon geëigende spreektechnieken, vormen samen een vangnet waardoor iemand het risico van spontaan spreken durft te nemen. Het zelfvertrouwen neemt daardoor vrij snel toe.
Zo zijn er ook waardevolle aanwijzingen om gemakkelijker te leren stotteren, waardoor heftige bijverschijnselen (het worstelen om eruit te komen) zullen verdwijnen.
Wanneer mensen die stotteren zelfvertrouwen hebben, voelen zij zich blijkbaar vrij om te praten en verwachten zij succes in de communicatie.
Met het toenemen van het zelfvertrouwen, neemt de zekerheid omtrent het spreken toe en vermindert het stotteren.
Als logopedist hebt u iemand nodig bij wie vakbekwaamheid meer betekent dan techniek, iemand die betrokkenheid uitstraalt, iemand die even duidelijk open en eerlijk is als u zelf met uw kind zou willen zijn