Afdeling II: Stotteren voorkomen
Het voorkómen van stotteren
Onzekerheid en verlegenheid
De eerste kinderjaren
Latere kinderjaren
Hoe ouders kunnen helpen
Afdeling II:
Het voorkómen van stotteren - wat werkelijk alles waard is - eist dat we beginnen met wat de ouders kunnen doen om te zorgen dat het stotteren van het soort dat chronisch kan worden, helemaal niet begint. Later zullen we het hebben over tijdelijk stotteren dat in de kinderjaren vanzelf voorbijgaat, meestal binnen een jaar. Voor het ogenblik gaat onze aandacht uit naar het jonge kind, vooral het heel jonge kind dat zelfs nog niet begonnen is met praten en dat het grootste risico loopt dat het begint te stotteren zonder veel kans op herstel. Dat is het onzekere kind dat tevens verlegen is en bij wie stotteren in de familie zit.
Het is beslist niet zo dat kinderen die verlegen zijn of uit een familie komen waar stotteren voorkomt, waarschijnlijk zullen gaan stotteren. De meesten doen dat niet. Maar wel is het risico voor die kinderen groter.
Na alles wat tot nu toe gezegd is, moet het duidelijk zijn dat een chronisch, conflict-gestuurd stotteren zich in praktisch alle aspecten van het leven doet voelen. Het is veel meer dan alleen maar de irritatie om de ongewilde onderbreking van pogingen tot spreken, iemands hele identiteit is in het geding. Concreet gezegd gaat het hier om het recht vrijuit te spreken, dat voor iedereen geldt. Als iemand van zijn recht daartoe niet meer overtuigd is, is er een vruchtbare bodem geschapen waarin de kiem van het stotteren wortelen kan. Voeg er een autoriteitsconflict aan toe en het wortelstelsel breidt zich uit.
Vergeet ook niet dat veel van dat stotteren niet is wat het lijkt te zijn. Stotteren leent zich niet voor rationeel begrijpen en evenmin voor rationele oplossingen. Ik moet de eerste stotterende volwassene nog tegenkomen die niet zou willen dat hij het niet deed. Toch doet hij het, en hij kan niet niet stotteren onder bepaalde omstandigheden. Dat is het gekke. Meestal spreken stotteraars normaal, maar in een bepaalde situatie of tegenover een bepaalde persoon blijft hun tong plotseling tegen hun gehemelte plakken. En als ze er overheen komen, is dat een even groot raadsel als waarom ze aanvankelijk wèl stotterden. Zelfs hun goede en slechte dagen zijn een mysterie. Hoe futiel rationele oplossingen zijn, blijkt wel uit het feit dat, ondanks talloze rationele pogingen, niemand bij mijn weten zich ooit op een geloofwaardige rationele genezing voor chronisch stotteren heeft beroepen. Alle belangrijke processen vinden blijkbaar zo diep onder de oppervlakte plaats dat zelfs de stotterende persoon er met zijn verstand niet bij kan. Wat zij denken te voelen blijkt niet te kloppen met de manier van reageren van hun lichaam.
Uit dit alles valt af te leiden dat het zaad van stotteren op zo’n jeugdige leeftijd gezaaid wordt dat kinderen nog niet in staat zijn te herkennen wat hun overkomt, laat staan erover na te denken. Ze ervaren iets, ze reageren, maar ze kunnen weinig doen om te voorkomen dat het zaad gezaaid wordt dat hen kwetsbaar maakt. Dat zaad heet onzekerheid en verlegenheid maakt dat het snel wortel schiet.
Een van de karakteristieke verschillen waarmee kinderen geboren worden is de neiging tot assertiviteit of tot schuchterheid. Is er een neiging tot verlegenheid, dan is de behoefte aan een koesterende opvoeding vanaf de geboorte van speciaal belang, wil het kind zich zekerder gaan voelen naarmate het zich ontwikkelt. Als het opgroeit tot een kind dat zich zeker van zichzelf en belangrijk voelt, zal het geen gevaar lopen te gaan stotteren, hoe verlegen het van aanleg ook is.
Elk kind kan onzeker zijn. Kinderen worden geboren met temperamenten die variëren van verlegen tot agressief, maar ze zijn niet voorbeschikt om onzeker te worden. Dit laatste is een product van de manier van opvoeden. Ik heb uitstekende ouders gekend die er geen schuld aan hadden dat hun kinderen tot onzekere kinderen waren opgegroeid. In die gevallen was het probleem, dat ze niet in staat waren geweest op hun kinderen te reageren toen die hen nodig hadden. In het ene geval lag de moeder na de geboorte van haar zoontje met t.b.c. in het ziekenhuis. In een ander geval stond de moeder voor het probleem dat ze tijdens de Tweede Wereldoorlog de eindjes aan elkaar moest, zien te knopen, voor haar pasgeboren kind moest zorgen en haar man moest volgen van trainingskamp naar trainingskamp. Beide gezinnen kregen later nog andere kinderen die zo zelfverzekerd opgroeiden als maar wenselijk is.
Maar kinderen weten niet waarom een ouder niet beschikbaar is op het moment dat ze hem of haar nodig hebben. Als een ouder nodig maar niet beschikbaar is, maken de omstandigheden die daartoe leiden voor het kind geen verschil. Het maakt niets uit of het gebeurt omdat er een gezinsruzie aan de gang is, of omdat het kind niet gewenst is, of omdat de ouders verwachten dat de baby aan hun behoefte voldoet in plaats van omgekeerd. Om aan die situatie het hoofd te bieden ontwikkelen onzekere kinderen meestal zelfbeschermende fantasieën, die door stotteren in stand gehouden kunnen worden. Maar het beschermen van die fantasieën met stotteren begint niet voordat kinderen zichzelf als stotteraars zijn gaan zien. Pas als zij het zelfbeeld hebben van als stotteraar een onvolwaardig iemand te zijn, gaat het feitelijke stotteren dienen ter bescherming van dat zelfbeeld. Tot op dat moment is stotteren niet bijzonder verontrustend.
Uit onderzoek (*) is gebleken dat het aangewezen middel om kinderen zekerheid te geven bestaat uit tegemoet komen aan hun behoeften van hun geboorte af. De basis voor zijn zekerheid is - dat het kind weet dat het zijn wereld onder controle heeft. In de vroegste kinderjaren bent u, als ouder, de wereld van het kind. U hoeft alleen maar te reageren als uw baby wil dat u reageert. Als u gewoonlijk reageert wanneer het u uitkomt, maar niet wanneer uw kind het nodig heeft, dringt u zichzelf op. Zelfs al doen ouders alles wat goed is voor het kind - het oppakken, kussen, knuffelen, enzovoort -, maar zien ze daarbij het vragen om aandacht van het kind over het hoofd - dan zal het kind, hoe onbeperkt de liefde op deze manier ook gegeven wordt, daarvan niet leren dat het genegenheid kan krijgen wanneer het die nodig heeft. De zekerheid van het kind is gebaseerd op de ervaring dat het zowel kwaadheid als liefde kan uitlokken... wanneer het er behoefte aan heeft. Zekerheid vermindert het gevaar van Stotteren.
(*) Dr. Mary Ainsworth, die dit baanbrekend onderzoek heeft gedaan, heeft daarover voornamelijk in vaktijdschriften geschreven. Als u er meer over wilt weten, zou u kunnen beginnen met een populair artikel over haar werk, verschenen in The Atlantic van februari 1990. Als u de eigen publikaties van Dr. Ainsworth wilt lezen, zou u kunnen beginnen met een artikel van haar in American Psychologist van 1989, p. 709-716.
Zo’n recept tegen verlegenheid en onzekerheid is natuurlijk simplistisch. Succesvol ouderschap is gecompliceerd en perfect ouderschap bestaat niet. Vergissingen zijn onvermijdelijk. Maar de kerngedachte van succesvol ouderschap, althans gemeten naar het leven zonder stotteren, schuilt in het zich houden aan voorgaand recept in de vroege kindertijd.
Stotteren kan echter ook in de latere kinderjaren beginnen. Hoe kan het op die leeftijd worden voorkomen? Hier gelden dezelfde principes als die we zojuist besproken hebben. Maar ze zijn aanzienlijk ingewikkelder. Praten we over onzekerheid dan praten we over verlegenheid; we zullen ons dus concentreren op verlegenheid voorzover dat medeoorzaak is van stotteren bij oudere kinderen. Verlegenheid op zich is een ruim begrip. Het is gelukkig uitvoerig behandeld in A Parent’s Guide to the Shy Child, dat gebaseerd is op de ervaring en research van Dr. Philip Zimbardo van de Stanford Shyness Clinic.
Laten we beginnen met de algemeen aanvaarde kenmerken van verlegenheid bij oudere kinderen. Het gaat dan om een natuurlijke terughoudendheid, een ’fobie’ voor mensen op grond van vrees: vrees om beoordeeld te worden, vrees voor sociaal falen, vrees voor afwijzing, vrees voor intimiteit. Verlegen mensen voelen zich meestal meer kwetsbaar, introspectief, schuldig, niet competent, onderhevig aan stemmingen. Zij voelen zich meestal minder innemend, minder expressief, minder interessant, minder aantrekkelijk, minder charmant, minder tevreden hun leeftijdgenoten.
Al is dit de manier waarop verlegen mensen zich voelen, velen van hen laten hun verlegenheid niet aan iedereen zien. Ze kunnen het verbergen en doen alsof ze extravert zijn - door op te treden als toneelspeler, leraar of spreker. Daar zijn beroemde voorbeelden van, zoals Jimmy Carter, John Travolta, Carol Burnett, Johnny Carson. Maar als de schijnwerpers niet meer op hun openbaar optreden gericht zijn, keren zij terug naar hun schuchtere privé - wereld. Allerlei trucjes om de verlegenheid te verbergen, zoals stotteren, beginnen in de kinderjaren.
Verlegenheid is niet noodzakelijkerwijs een familie verschijnsel, evenmin als stotteren. Een tweede sterke parallel met stotteren is het soort omstandigheden waarin het optreedt: vreemden, gezaghebbende personen, ouders, grote groepen, het houden van een toespraak, lage status, beoordeeld worden, nieuwe situaties, behoefte aan hulp.
Maar één ding is vrij zeker. De mate waarin verlegenheid het leven bepaalt, hangt sterk af van de frequentie van succes of mislukking waarmee kinderen opgroeien. Baby’s die lang en hard moeten schreeuwen om genegenheid en aandacht te krijgen, leren daardoor wat mislukking is. Zo gaat het ook met oudere kinderen. John, wiens verhaal al uitvoerig verteld is, herinnert zich dat hij ernaar hunkerde dat zijn moeder hem zou aanhalen en lief met hem zou praten, maar al wat hij van haar kreeg waren nuchtere verklaringen dat ze ‘natuurlijk’ van hem hield.
Wie verlangt er niet naar - zelfs als volwassene - om aangehaald, geknuffeld en geliefkoosd te worden? Wie verlangt er niet naar te worden aangemoedigd om te praten - te praten over zichzelf, over van alles en nog wat? Wie verlangt er niet naar bemind te worden, gewoon omdat je bent wie je bent, niet om wat je gedaan hebt of omdat je het verdiend hebt met braaf - zijn. Vervulling van die behoefte is wezenlijk voor iedereen. Voor kinderen krijgt het leven zijn vorm door succes of mislukking op dit punt.
Om na te gaan in hoeverre u uw kind inderdaad helpt bij het overwinnen van zijn neiging tot verlegenheid - en eventueel dus ook van zijn neiging tot stotteren - kunt u zichzelf de volgende vragen stellen:
Reageer ik op de behoefte aan genegenheid en aandacht wanneer mijn kind erom vraagt?
Ben ik te toegeeflijk of te autoritair?
Hoe dikwijls praat ik echt met onverdeelde aandacht met mijn kind?
Hoe dikwijls luister ik echt? (Een verlegen jongetje dat begon te stotteren, kreeg geen aandacht van zijn vader als deze zat te lezen; in wanhoop sloeg het jongetje hem tenslotte met een hamer op de voet. Toen kreeg hij inderdaad aandacht... meer dan hem lief was.)
Kan mijn kind alles met mij bepraten, of zijn sommige onderwerpen taboe?
Hoe vaak zorg ik dat mijn kind zich belangrijk voelt?
Hoe vaak geef ik aan anderen meer genegenheid of aandacht dan aan mijn verlegen kind?
Hoe vaak laat ik mijn kind blijken dat het mij kan vertrouwen?
Leer ik mijn kind tolerantie door zelf het voorbeeld te geven?
Laat ik mijn kind in zijn waarde als ik het straf geef?
Zijn de grenzen die ik stel een bewijs van mijn zorgzaamheid en begrip?
Geef ik het voorbeeld van eerlijkheid en billijkheid?
Slik ik mijn opmerkingen in bij gedrag dat me zorg baart, zoals bij verlegenheid en stotteren?
Ofschoon timide kinderen in de kern wel timide zullen blijven, gaan wij er toch van uit dat door verlegenheid te reduceren ook de voorwaarden die het stotteren bevorderen zullen worden gereduceerd. Wat kunt u dus nog meer doen om te helpen? Stel van het begin af aan realistische verwachtingen. Als ze te laag zijn, vormen ze geen uitdaging. Zijn ze te hoog, dan is het risico van mislukking te groot. Als de uitdaging precies goed is, is het succes stimulerend. Zo’n uitdaging moet wel enig risico voor mislukking in zich dragen, maar de kans op succes moet groter zijn dan de kans op mislukking. Dat betekent natuurlijk dat u een nieuwe uitdaging pas voorstelt als het kind er klaar voor is.
De prijs voor het aandringen op prestaties is hoog.Ten eerste wordt de indruk gevestigd dat genegenheid afhangt van prestaties. Dat is voor iedereen een zware last, en zeker voor een kind. Toch wil iedereen dat zijn kind uitblinkt. Er is echter een groot verschil tussen aanmoedigen en druk uitoefenen. Ouders die aanmoedigen vinden bevrediging in alles wat hun kind klaarspeelt. Een 6 als cijfer halen op school kan voor het ene kind een grotere uitdaging zijn dan een 8 halen voor het andere. De vreugde ligt in het zien dat het kind prestaties levert op het niveau waartoe het in staat is. Ik herinner me dat ik eens twee vaders een schoolvoetbalwedstrijd zag volgen. De ene straalde toen zijn zoon in de laatste minuten mocht gaan meedoen, ook al deed hij het niet zo goed. De ander schreeuwde de hele wedstrijd lang aanwijzingen naar zijn zoon. Zijn team won maar de vader was niet tevreden over de prestaties van zijn zoon; zelfs op weg naar huis kreeg de jongen nog op zijn kop.
Als ouders druk uitoefenen, zijn ze bezig hun eigen wensen en frustraties uit te leven via hun kinderen. Het is geen toeval dat wonderkinderen vaak ouders hadden die hen opjoegen tot hogere prestaties. Geen wonder ook dat ze gewoonlijk vroeg zijn opgebrand.
Het afstemmen van verwachtingen op een niveau dat voor het kind een uitdaging vormt, maar wel haalbaar is, is de essentie van het voorkómen van stotteren, om dezelfde reden als het de essentie is voor herstel. Zelfs bij mensen die jarenlang hebben gestotterd, is aanzienlijke verbetering haalbaar als ze de moed hebben om uitdagingen aan te gaan die ze lang geleden hebben geleerd te vrezen en te vermijden. Wanneer verlegen kinderen ontdekken hoe stimulerend uitdagingen en successen kunnen zijn, zullen ze hun verlegenheid - en ook de waarschijnlijkheid van stotteren - voor een groot deel overwinnen. Direct en openlijk hun weg vinden in de reële wereld wordt een bron van voldoening in plaats van vrees; de behoefte aan stotteren om daarmee machtsfantasieën te beschermen verdwijnt nagenoeg.
De basis voor zekerheid verandert met het opgroeien. Bij baby’s is dit afhankelijk van het succes hun ouders prompt te laten reageren op hun behoeften zodra ze die uiten. Als baby’s voornamelijk worden geknuffeld wanneer de ouders er zin in hebben en niet wanneer ze het zelf willen, leren ze daardoor dat ze niet succesvol zijn in het uitlokken van gewenste reacties. Later, als ze kunnen praten, zal het vermogen om met elementaire taal de aandacht van de ouders te winnen hun maatstaf voor succes worden. Als ze daarna, in de laatste jaren voordat ze naar school gaan, in staat zijn aan gesprekken deel te nemen, zal het vermogen om in gezinsgesprekken volwaardig mee te doen de maatstaf worden. Als ze tenslotte naar school gaan, zal het vermogen om gesprekken met leeftijdgenoten aan te gaan en te beheersen de doorslaggevende factor worden, die voortdurend bepaalt hoe vrij ze zich voelen om hun stem te laten horen.
Dat de pogingen tot communicatie niet altijd succes zullen hebben, is op zijn zachtst gezegd moeilijk te voorkomen. Vergeet niet dat communicatie bij de geboorte begint. Totdat de spraak zich ontwikkelt, bezitten kinderen slechts een signaalsysteem, maar wel één dat al lang bestaat, getoetst in de beproeving van de evolutie. Als ze daar geen succes mee hebben, raakt de grondslag waarop later het spreken moet voortbouwen, aan het wankelen. Als het zover is, zullen ze als opgroeiende kinderen belast blijven met de overtuiging dat ze de aandacht van anderen niet waard zijn. Hun leven begint dan met onzekerheid als uitgangspunt. Het is duidelijk dat de beste kansen voor preventie in de vroegste kindertijd liggen. Als ouders zich aan die raad zouden houden voordat het spreken, laat staan het stotteren, begint, zou het gevaarlijke, conflict - gestuurde stotteren nooit zelfs maar een kans krijgen.
03 Afdeling III: Stotteren verhelpen
Helaas zijn standjes beter dan helemaal geen aandacht. Op stotteren volgt gegarandeerd een reactie; dat is het voordeel waarmee stotteren wordt beloond.
Als kinderen zichzelf eenmaal als stotteraar zijn gaan beschouwen, houdt dat ontmoedigende zelfbeeld hun machtsfantasieën in stand.
Als men gemakkelijk assertief kan zijn en gemakkelijk in een gesprek kan meedoen, is er geen behoefte aan de aandacht die stotteren oplevert.
Ook machtsfantasieën zijn dan niet nodig.
Uit zelfbehoud ontwikkelen onzekere kinderen dikwijls beschermende fantasieën, die o.a. door stotteren in stand gehouden kunnen worden.
Het zelfconcept van stotteraar ontstaat wanneer het kind eraan verslaafd raakt stotteren te gebruiken om de effecten van assertiviteit te bewerkstelligen zonder het risico van openlijk assertief gedrag.
Is dat zelfconcept gevestigd dan heeft stottergedrag een functie, n.l. de fantasiebeelden te beschermen die horen bij een stotteraar zijn.
Als stotteren geen voordeel meer zou opleveren, wordt de verslaving eraan ontkracht.
‘Mijn gedachten verschieten van kleur als ik ze uitspreek. Het is net of ik voortdurend meesterwerken schilder, en de enige manier waarop ik die kan beschermen is door ze met stotteren te beschadigen, zodat de mensen niet vast kunnen stellen of het echt wel meesterwerken waren.’ (Uitspraak van een stotteraar.)
‘Als ik het moeilijk heb, kan toch niemand mij deren. Zij kunnen niet tegen mij opspelen; dat doen ze gewoon niet. Ik heb mijn leven zo geregeld dat stotteren verlichting kan geven voor de normale spanningen van mijn bestaan. Ik heb verder geen problemen. Als ik toevallig iets goed doe, zeggen ze: Geweldig hè, bij stottert, maar zijn veters strikken kan hij toch maar. Mijn gevoel van machteloosheid is over. Ik heb een rationeel excuus voor mijn gebrek aan prestaties. En ik word ook nog sympathiek gevonden. Doe me dat maar eens na.’ (Uitspraak van een stotteraar.)
Stotteren is voor een groot deel niet wat het lijkt te zijn. Stotteren leent zich niet voor rationeel begrijpen en evenmin voor rationele oplossingen.
Stotteraars kunnen onder bepaalde omstandigheden niet niet stotteren. Waarom is een raadsel. Meestal spreken ze normaal, maar in een bepaalde situatie of tegenover een bepaalde persoon blijft hun tong plotseling tegen hun verhemelte plakken.
En wanneer zij dan weer gewoon verder praten is dat een even groot raadsel als waarom zij begonnen te stotteren.
‘Ironisch genoeg, is de tijd waarin ik verschrikkelijk depressief was, de periode geweest waarin ik het beste sprak. Ik hield het allemaal voor gezien, ik leed pijn, ik was doodsbang, ik voelde me hulpeloos. Ik wilde met niemand meer een machtsstrijd, ook niet met de oudere leden van mijn gezin. Ik had gewoon alles opgegeven.’ (Aldus een stotteraar.) Niet direct een beschrijving die je zou verwachten van iemand die bevrijd is van zijn stotteren.
03 Afdeling III: Stotteren verhelpen