Afdeling IV. Stotteraar worden voorkomen
Kenmerken van de stotteraar
Beschrijvingen
Problemen met assertiviteit
Aandacht krijgen bij stotteren
Onzekerheid
Zelfbeeld van de stotteraar
Verlegenheid
Frustratie of machteloosheid
Spanning in keel, mond of borst
Vermijding en vervanging
Stotterende verwanten
Aarzelen om zich spontaan te uiten
Niet succesvol in competitie
Handleiding voor de strategieën
Strategieën om de ontwikkeling tot stotteraar te voorkomen
Strategie 4: Linguïstisch stotteren verhelpen
Voorbeeld
Procedure
Strategie 5: Het assertiviteitsconflict bij stotteren onschadelijk maken
Voorbeeld
Procedure
Strategie 6: Verslavende voordelen voorkomen
Voorbeeld
Algemene strategie
Kinderen tot ± 6 jaar
Procedure
Oudere kinderen
Procedure
Stotteren verhelpen om te voorkomen dat iemand een stotteraar wordt
Na de kinderjaren blijven stotteren is nog lang niet hetzelfde als een stotteraar worden. We stotteren bijna allemaal wel op de een of andere manier, maar er zijn weinig mensen die het zelfs maar als zodanig herkennen. Alleen degenen die hun leven organiseren rond het stotteren als middel om zich te redden uit spreeksituaties waarin zij de controle verloren hebben, zullen zichzelf als stotteraar gaan beschouwen, ook al worden ze niet graag openlijk zo genoemd.
Kinderen die veel kans lopen een stotteraar te worden, hebben de volgende kenmerken:
Het valt hun moeilijk zich assertief op te stellen als ze zich in een gesprek mengen of een gesprek willen leiden.
Ze hebben ouders die hun voornamelijk aandacht schenken als ze stotteren.
Ze voelen zich onzeker.
Ze zien zichzelf als stotteraar.
Ze zijn schuchter of verlegen.
Ze voelen zich gefrustreerd of machteloos als ze stotteren.
Ze voelen overmatige spanning in tong, lippen, keel, en borst.
Ze vermijden of vervangen bepaalde woorden als ze denken dat ze gaan stotteren.
Ze hebben - in orde van belangrijkheid - een moeder, grootmoeder, zuster, tante, vader, grootvader, broer of oom die heeft gestotterd.
Ze aarzelen om zich spontaan te uiten.
Ze zijn de verliezers bij het gevecht om aandacht.
Een kind hoeft niet al deze kenmerken te hebben om een stotteraar te worden, maar wel de eerste drie. De andere kunnen ertoe bijdragen, maar de eerste drie moeten voorkómen worden als men wil verhoeden dat stotterende kinderen stotteraars worden.
Dat die kenmerken de kinderen zo kwetsbaar maken, heeft de volgende redenen.
Problemen bij het gaan meedoen aan een gesprek en zich daarin handhaven, vormen de voedingsbodem voor de instandhouding van stotteren. Als kinderen dit soort problemen hebben, gaat de conversatie volkomen langs hen heen, alsof ze lucht zijn. Ook voor volwassenen is zo’n situatie pijnlijk. Er is geen reden om aan te nemen dat het minder pijnlijk is voor kinderen. Het doet pijn als mensen die belangrijk voor hen zijn, hen over het hoofd zien, vooral als het hun eigen ouders zijn. Stotteren krijgt altijd aandacht en blijkt dus lonend.
SAMENVATTING: PROBLEMEN OM IN GESPREKKEN HET WOORD TE VOEREN ZIJN EEN VOORWAARDE OM EEN STOTTERAAR TE WORDEN.
Een tweede voorwaarde is dat het kind een ouder heeft die weinig aandacht schenkt aan wat hij zegt behalve wanneer hij stottert. Niet dat die aandacht dan plezierig is. Waarschijnlijk is het een standje: ‘Hou op!’, ‘Praat langzaam!’, ‘Denk na voor je praat!’ Helaas zijn standjes beter dan helemaal geen aandacht. Op stotteren volgt gegarandeerd een reactie; dat is het voordeel waarmee stotteren wordt beloond. Kinderen weten niet dat dit zo werkt, maar zo leren wij nu eenmaal dingen, ook al beseffen we niet dat we ze leren.
Het trieste is, dat zowel gebrek aan aandacht als standjes wraakgevoelens kweken. Maar hoe kan een kind uiting geven aan zijn boosheid tegenover een ouder die niet eens wil luisteren, terwijl het kind bovendien behoefte heeft aan de genegenheid van die ouder? Wanneer stotteren de nodige aandacht oplevert (van wat voor soort dan ook), misschien gemengd met bezorgdheid, waarom dan nog riskeren openlijk zijn boosheid te tonen? Niet dat een kind dit uitdoktert en dan met opzet zo handelt. Als dat het geval was, zou er van stotteren geen sprake zijn. Nee, zelfs volwassenen doen dit soort dingen zonder zich te realiseren ze ooit geleerd te hebben.
SAMENVATTING: OUDERS DIE MEER REAGEREN OP HET STOTTEREN VAN EEN KIND DAN WANNEER HET OP ANDERE MANIEREN AANDACHT VRAAGT, SCHEPPEN DE VOORWAARDE OM HET KIND EEN STOTTERAAR TE LATEN WORDEN.
Onzekerheid
Als een kind niet voor zichzelf op durft te komen, is daarmee de basis gelegd voor een leven als stotteraar, met alle daarbij behorende problemen. De oorzaak hiervan schuilt in onzekerheid, die in direct verband staat met het niet beschikbaar zijn van de ouders - om welke reden dan ook - wanneer het jonge kind hen nodig heeft.
Als baby’s hun gevoel van eigenwaarde niet kunnen ontwikkelen in de reële wereld waarin ouders met bereidheid reageren, hebben zij geen ander alternatief dan hun eigenwaarde te ontwikkelen in een fantasiewereld. Zonder gevoel van eigenwaarde, reëel of gefantaseerd, is geen zelfgevoel mogelijk. Zonder een zelf is er geen Ik om de wereld te observeren. Zonder observatie van de wereld is er niets om over te praten, en zonder praten kun je ook niet haperen. Stotteren is uiteindelijk een bevestiging van iemands gevoel van eigenwaarde.
Om het gevoel van eigenwaarde in de reële wereld tot ontwikkeling te laten komen, zullen er ingrijpende veranderingen in het gezinsleven nodig zijn, wil het stotteren op jonge leeftijd verholpen worden. Immers als dat gevoel van eigenwaarde zich ontwikkelt op basis van onuitgesproken fantasieën, is het in latere jaren bijna onmogelijk daar nog verandering in te brengen. Hoe langer kinderen blijven steunen op hun fantasieën en hoe langer ze blijven steunen op stotteren om die verhuld assertieve fantasieën te beschermen, des te dieper wortelen zich zowel de fantasieën als het stotteren.
Fantasieën laten zich niet controleren of verifiëren in het werkelijke leven. In de fantasie kan iemand zonder bezwaar zo machtig, nobel en perfect zijn als hij wil. Geen wonder dus dat het kenmerkend is voor fantasieën dat ze autoriteitsconflicten aanwakkeren. Het kan bijna niet anders of je komt in conflict wanneer je in het werkelijke leven wordt behandeld als een onvolwaardige, terwijl je je in je eigen fantasie heel anders ervaart. Wanneer iemand die stottert een stotteraar geworden is, wordt het inruilen van de wankele fantasieën tegen de scherpe kanten van de werkelijkheid een ingrijpende en moeilijke opgave; het vereist buitengewone kracht en moed.
SAMENVATTING: ONZEKERHEID LIGT TEN GRONDSLAG AAN ASSERTIVITEITSPROBLEMEN EN WERKT VERSLAVING AAN HET STOTTEREN IN DE HAND.
Een van de zekerste tekens dat stotteren een gewoonte geworden is, waarmee wordt voldaan aan de behoefte assertief te zijn, is het feit dat iemand zichzelf een stotteraar noemt. Gewoonlijk gebeurt dat niet vóór de adolescentieperiode. Voor sommigen is het dan nog geen groot probleem, tenzij leeftijdgenoten het hun ongenadig inpeperen. Ook dan duurt het nog een tijd voordat zij verslaafd raken aan de voordelen van stotteren. Als het eenmaal zover is, organiseren zij hun hele leven rond het zelfbeeld van ‘stotteraar’. In dat beeld is spreken een bron van macht; als ze niet zouden stotteren, zouden ze in staat zijn die macht te gebruiken. Maar aangezien ze wèl stotteren, hoeven ze dat in het werkelijke leven niet te bewijzen. Wanneer kinderen er dus blijk van geven dat ze zichzelf beschouwen als stotteraars, hebben ze een belangrijke stap gezet naar het permanent maken van hun stotteren.
SAMENVATTING: ZIET IEMAND ZICHZELF ALS STOTTERAAR, DAN IS STOTTEREN ESSENTIEEL VOOR HET ZELFCONCEPT.
Verlegen, schuchtere kinderen kunnen even zeker van zichzelf zijn als wanneer zij assertief geboren waren. Je hoeft geen populaire praatjesmaker te zijn om zelfverzekerd te zijn, of om niet te stotteren. Schuchtere kinderen kunnen zo opgaan in zichzelf en hun persoonlijke interesses dat ze verder geen aandacht willen trekken. Een potentieel probleem met aangeboren verlegenheid is echter dat van zulke mensen vaak misbruik gemaakt wordt of dat ze over het hoofd worden gezien. Dat zal verlegen kinderen eerder kwetsen als ze bovendien onzeker zijn van zichzelf. Onzekerheid houdt in dat ze door middel van fantasieën proberen zich belangrijk, perfect en machtig te voelen. Verlegenheid houdt in dat ze ervoor terugschrikken hun mening naar voren te brengen. Als dit gecombineerd voorkomt in situaties waarin kinderen zich achtergesteld voelen, leidt dat gemakkelijk tot aanwakkering van een autoriteitsconflict dat zo belangrijk is bij stotteren. Wil men stotteren verhelpen, dan is het essentieel dit autoriteitsconflict te voorkomen door zelfvertrouwen te kweken en assertiviteit te bevorderen.
Anderzijds voelen ook agressieve kinderen aan wier eisen geen grenzen gesteld worden, zich onzeker. Hun stotteren, dat zich dikwijls voordoet als een soort uitbarsting, krijgt onmiddellijk aandacht, waar ze ook zijn. Daarom heeft het ook de neiging snel uit te groeien tot een verslaving.
SAMENVATTING: VERLEGENHEID ZOWEL ALS GEBREK AAN GRENZEN VERSTERKT ELKE NEIGING TOT ONZEKERHEID.
Wanneer een kind stottert en zich gefrustreerd of machteloos voelt, is dat bijna zeker een teken dat hij van zijn stuk gebracht wordt door oorzaken buiten zijn macht. Verlies van controle betreft meer dan alleen de spraak; het treft de mogelijkheid tot communicatie en zelfs de eigen identiteit. Verlies van controle en onmacht om het te voorkomen vormen het wezen van hetgeen chronisch stotteren zal worden. Het beschermt het zelfbeeld van de stotteraar. Het is alsof de stotteraar tegen zichzelf zegt: ‘Als ik het stotteren zelfs met de grootst mogelijke inspanning niet kan tegenhouden, hoe kan iemand dan ooit weten wat voor een geweldige spreker ik zou kunnen zijn?’
SAMENVATTING: DE MACHTELOOSHEID OM STOTTEREN TE VOORKOMEN IS TEGELIJK EEN MACHTIG SCHILD OM HET ZELFBEELD VAN DE STOTTERAAR TE BESCHERMEN.
Spanning in keel, mond of borst bij het begin van het stotteren is het gevolg van een assertiviteitsconflict. Het schijnt niet op te treden bij andere oorzaken van stotteren. Misschien is het een reflectorische reactie op ingehouden woede om het verlies van controle over een spreeksituatie. Het kan ook de angst zijn om zich bloot te geven. Herbert Goldberg (die de best genezen stotteraar is die ik ken) heeft gezegd: ‘De volwassen stotteraar weet dat hij niet echt in groot gevaar is wanneer hij zich op een bepaald moment niet kan voorstellen aan een vreemde. Maar als kind was hij echt bang in zo’n situatie en die angst blijft, en veroorzaakt ernstige spanning.’ Wat ook de oorzaak moge zijn, hoe groter de angst voor controleverlies hoe groter de spanning. Die spanning vertelt de spreker dat hij gaat stotteren. Het werkt als een reflex en kan niet voorkomen worden.
SAMENVATTING: SPANNING IN KEEL, MOND OF BORST IS EEN DUIDELIJK TEKEN DAT HET STOTTEREN VEROORZAAKT WORDT DOOR EEN CONFLICT OVER HET BEHEERSEN VAN DE SPREEKSITUATIE.
Vermijding en vervanging van woorden zijn een gevolg van de verwachting bij die woorden te zullen stotteren. Dat geldt bovendien voor vermijding van situaties, en van personen, waar iemand bang voor is. De verwachting te gaan stotteren gaat hand in hand met spanning in keel, mond of borst. Vervanging kan eventueel ook een gunstig effect hebben, ofschoon ik maar één voorbeeld daarvan ken. Aan de arts en acteur Jonathan Miller, misschien wel de meest welbespraakte en vloeiende spreker die ik ken, werd eens gevraagd door t.v.-presentator Dick Cavett hoe hij zo’n geweldig vocabulaire had ontwikkeld. Tot mijn verbazing hoorde ik Miller zeggen dat hij stotterde, maar het niet wilde laten blijken. Daarom had hij zich een grote woordenschat eigen gemaakt waarmee hij zich redde als hij dreigde te gaan stotteren. Voor gewone mensen die stotteren, zijn vermijding en vervanging echter de doodsteek. Ze zullen een relatief onschuldig stotterprobleem tot wanstaltige proporties laten uitgroeien. Ze maken de vicieuze cirkel van het stotteren nog erger. Hoe vaker ‘moeilijke’ woorden en situaties vermeden worden, des te meer angst gaan ze inboezemen en dus moeten ze weer des te meer worden vermeden. Vermijding en vervanging zorgen in broederlijke eendracht voor de instandhouding van de machteloosheid tegen stotteren.
SAMENVATTING: VERMIJDING EN VERVANGING HOUDEN STOTTEREN IN STAND DOOR HET GEVOEL - DAT ER TOCH NIETS AAN TE DOEN IS - IN STAND TE HOUDEN.
Zelfs als de één van een eeneiige tweeling stottert, is de ander nog niet gedoemd te gaan stotteren. Natuurlijk zijn de kansen groot dat dat wèl het geval is. In een onderzoek werd de kans voor eeneiige tweelingen gesteld op 77 procent en voor twee-eiige op 32 procent. In het algemeen schat men de kans op stotteren in een gezin waar stotteren voorkomt, op driemaal zo groot als wanneer dat niet het geval is. Als het stotteren bovendien van moederszijde komt (moeder, grootmoeder, zuster of tante), zoals het geval was met Sue, is het risico groter dan wanneer het van vaderszijde komt. De reden is dat stotteren, net als lichaamslengte, een mannelijk kenmerk is. Er is meer genetische kracht nodig om stotteren (of lichaamslengte) in meisjes te produceren dan in jongens. Daarom zullen in een gezin meestal meer jongens - of meisjes - stotteren als de moeder stottert dan als de vader stottert.
Ondanks dit alles begrijpt niemand precies hoe stotteren genetisch wordt overgedragen. We zijn er echter vrij zeker van dat het gebeurt. We zijn er zelfs nog zekerder van dat erfelijkheid op zichzelf geen stotteren veroorzaakt. Wel kan erfelijkheid er op verschillende manieren toe bijdragen. Het meest rechtstreekse effect is, dat de snelheid waarmee de componenten van het spreken worden gecoördineerd, beperkt wordt. Wordt die grens overschreden, dan zou stotteren het gevolg zijn. Wanneer zulke kinderen onzeker zijn, is de kans groot dat zij op den duur verslaafd raken aan de voordelen die aan het stotteren verbonden zijn.
Het effect kan ook meer indirect zijn. Erfelijke factoren kunnen van invloed zijn op het gemak of ongemak waarmee een kind gesproken taal onder de knie krijgt. Onzekerheid over woordkeus, uitspraak of juiste grammatica kan stotterproblemen geven. Meestal groeien kinderen daar in de puberteitsjaren overheen, als het taalgebruik meer volwassen wordt, maar niet altijd.
Tenslotte worden kinderen geboren met een temperament dat varieert van assertief tot schuchter. Kinderen die neigen tot schuchterheid, zullen van nature niet graag openlijk assertief optreden. Zij zijn gevoeliger voor stotteren en de voordelen ervan.
SAMENVATTING: ERFELIJKE FACTOREN KUNNEN BIJDRAGEN TOT STOTTEREN DOOR DE VERGROTE KANS OP SPRAAKSTOORNISSEN. BOVENDIEN KAN AANGEBOREN SCHUCHTERHEID ERTOE BIJDRAGEN DAT IEMAND EEN STOTTERAAR WORDT.
Kinderen die aarzelen of bang zijn om te praten, voelen zich uiteraard onzeker om zich te uiten. Ze hebben dan de keus tussen zich terugtrekken in wrokkig stilzwijgen of zich in een gesprek storten onder tijdsdruk - zo hebben we weer een nieuwe vorm van het assertiviteitsconflict dat voedsel geeft aan levenslang stotteren.
SAMENVATTING: AARZELING OM ZICH SPONTAAN TE UITEN DRAAGT BIJ TOT INSTANDHOUDING VAN DE MACHTELOOSHEID OM STOTTEREN TE VOORKOMEN.
Het enige terrein waarop stotteraars uiteraard moeilijk met anderen kunnen concurreren, is spreken. Veel wereldleiders zijn stotteraars geweest: Mozes, Aristoteles, Newton, Darwin, Churchill. Succes, op welk gebied dan ook, doet blijkbaar de behoefte aan stotteren afnemen. Anderzijds zal onmacht om een gesprekssituatie vlot te beheersen, leiden tot stotteren. Het zijn juist de niet geslaagde pogingen om de ouderlijke aandacht te krijgen en volwaardig aan gesprekken deel te nemen, die het stotteren hebben doen ontstaan. Elke vorm van succes geeft zelfvertrouwen, vooral als het met spreken te maken heeft.
SAMENVATTING: SUCCESVOL WEDIJVEREN VERMINDERT DE BEHOEFTE AAN STOTTEREN.
De kenmerkende eigenschappen van kinderen die waarschijnlijk stotteraars zullen worden, zijn niet makkelijk in kaart te brengen. Het feit dat een kind zo’n kenmerk heeft, wil niet zeggen dat hij per se gaat stotteren of een stotteraar zal worden. Voor elke strategie is een beschrijving gegeven van gedragingen die u kunt observeren als uw kind inderdaad stottert; dat geeft u een vrij nauwkeurig idee van zijn probleem en van de meest geschikte strategie.
Afdeling IV is bedoeld om richtlijnen te geven voor drie verschillende situaties. Een daarvan is het kind dat voornamelijk stottert vanwege zijn voortdurende onzekerheid over uitspraak, woordkeus en grammatica; elk daarvan kan resulteren in frequente spraakonderbrekingen. Het kind voelt zich bovendien zo onzeker dat hij slechts met moeite gaat deelnemen aan een gesprek. Het resultaat is linguïstisch stotteren, dat er uiteindelijk toe kan leiden dat hij een stotteraar wordt, maar noodzakelijk is dat niet. Het hangt ervan af hoeveel andere kenmerken bijdragen aan het probleem. Strategie 4 is ontworpen om dit stotteren te verhelpen voordat het ernstiger wordt. Constateerbare aanwijzingen zijn de volgende:
Het kost hem moeite zich assertief te mengen in een gesprek en zich daarin te handhaven.
Stotteren treedt op wanneer hij nog niet zeker is welk woord hij wil zeggen of hoe hij het zal zeggen.
Stotteren treedt op bij klanken die stiltes opvullen zoals ‘uh, uh, uh’, of stopwoorden (‘maar’,’want’,’dus’ enz.) die niet thuishoren in het uiteindelijk gesproken woord.
De ernst van het stotteren hangt af van de persoon met wie gesproken wordt.
Het kind hoeft niet opgewonden te zijn om te stotteren.
Het stotteren is begonnen een jaar of langer nadat hij is gaan praten.
Hij heeft moeilijk leren praten.
Strategie 5 is bedoeld voor het onzekere kind dat duidelijk gevaar loopt om levenslang te gaan stotteren, maar de voordelen die ertoe leiden een stotteraar te worden, nog niet heeft ontdekt. Het doel is dit stotteren te stoppen voordat het verslavend wordt. Constateerbare tekens zijn de volgende.
Het kost hem moeite zich assertief te mengen in een gesprek en zich daarin te handhaven.
Het stotteren varieert in frequentie en hevigheid naargelang de persoon met wie het kind spreekt.
Het kind stottert niet als hij alleen is.
Hij stottert bij woorden die hij op het punt staat uit te spreken.
Het stotteren is begonnen een paar jaar nadat hij zinnen is gaan zeggen.
Het kind vermijdt of vervangt woorden als hij verwacht te gaan stotteren.
Keel en borst worden gespannen bij het stotteren.
Strategie 6 is bedoeld voor het onzekere kind dat tenminste voldoet aan de drie essentiële voorwaarden om een stotteraar te worden. Dat zijn de volgende.
De ouders besteden voornamelijk aandacht aan het kind als hij stottert.
Het kost hem moeite zich assertief te mengen in gesprekken en zich daarin te handhaven.
Hij is onzeker.
Misschien heeft hij ook een of meer van de andere boven beschreven kenmerken, maar veel daarvan zijn niet gemakkelijk te herkennen. De twee die u wellicht direct kunt ontdekken en die uw kind waarschijnlijk zelf herkent, zijn:
Er is spanning in keel, mond of borst bij het stotteren.
Het kind vermijdt of vervangt bepaalde woorden als hij verwacht daarbij te gaan stotteren.
Als u één van deze twee kenmerken constateert samen met de twee eerstgenoemde, is Strategie 6 beslist de meest geschikte.
Sally, de moeder van Diane (Strategie 2) en Ted (Strategie 3), was als klein meisje veel minder geïnteresseerd in poppen dan in wedijveren met haar broertje. Ze was eigenlijk een wildebras die wel in hoog tempo praatte, maar toch pas laat goed had leren spreken. Haar ouders hadden er zich zoveel zorgen over gemaakt dat ze een logopedist hadden laten proberen er verbetering in te brengen. Toen ze vijf jaar werd, had ze twee jaar lang hulp gehad. Op dat moment was het enige nog overgebleven probleem de uitspraak van de klanken r, s en l.
In de loop van die jaren hadden haar ouders geprobeerd de therapie een handje te helpen door Sally te corrigeren als zij fouten maakte in grammatica en uitspraak en speciaal bij de articulatie van de voor haar moeilijke klanken. Het onbedoelde effect op Sally was dat ze op het gebied van spraak heel ambivalent werd. Ze was namelijk eerzuchtig, zodat ze probeerde de moeilijkste woorden te gebruiken die ze kende. Helaas waren dat dikwijls de verkeerde woorden en werden ze ook verkeerd uitgesproken. Dat gaf haar broer en ook haar ouders weer gelegenheid haar te corrigeren. Tegen de tijd dat Sally naar school ging, was haar vertrouwen dat ze spontaan kon praten zonder gecorrigeerd te worden, aardig ondermijnd. Toen ze zover was dat ze in de klas hardop moest voorlezen, begon het stotteren. Toen ze fouten maakte bij de eerste keren dat ze voorlas, hadden sommige klasgenootjes gegiecheld. Na een week stotterde Sally telkens als ze voorlas. Daarna breidde het zich uit naar thuis. Tenslotte kon ze nauwelijks meer met iemand van het gezin praten zonder te stotteren. Nog steeds proberend haar te helpen, raadden ze haar aan langzamer te praten, wat haar alleen maar woedend maakte.
Het stotteren bleef tot op de middelbare school. Haar zelfvertrouwen nam evenwel toe toen ze ontdekte dat ze wel solo’s kon zingen. Ze probeerde hetzelfde met toneelspelen, beginnend met kleine rollen en later hoofdrollen. Ze stotterde nog steeds, maar niet op het toneel. Toen ze op de universiteit zat, besloot ze naast het zingen en toneelspelen ook nog mee te doen aan de discussiegroep. Ze was er wat ongerust op, maar wilde haar moed testen. Tot haar blijdschap stotterde ze niet alleen niet, maar bleek ze het heel goed te doen. Van nature eerzuchtig, was debatteren net iets voor haar. Na in een belangrijke wedstrijd kampioen te zijn geworden, zei ze de volgende dag tegen zichzelf: ‘Ik ga niet meer stotteren. Ik heb het niet meer nodig.’ Sindsdien heeft ze het niet meer gedaan. Ze is nu 39. Ze is advocaat, heeft een gezin waarmee u al kennis hebt gemaakt, en is nog steeds een ambitieuze vrouw die iedereen omver praat.
Stap 1. Luister zorgvuldig naar wat uw kind zegt, meer dan naar de manier waarop hij iets zegt. Door te herhalen of met andere woorden te zeggen wat hij naar uw mening verteld heeft, maakt u duidelijk dat u geluisterd hebt.
Stap 2. Controleer of u, of andere leden van het gezin, moeilijke woorden of lange ingewikkelde zinnen gebruikt als u met het kind praat. Zo ja, maak uw taal dan eenvoudiger, vooral als uw kind nog niet op school zit, en kijk of de communicatie er gemakkelijker door wordt.
Stap 3. Het is waarschijnlijk verstandig dat u zich onthoudt van pogingen andere spraakproblemen te corrigeren totdat het stotteren geen zorg meer is. Die andere problemen zijn natuurlijk belangrijk en verdienen misschien professionele aandacht, maar schenkt u er aandacht aan zolang stotteren nog een probleem is, dan kan elke correctie een assertiviteitsconflict aanwakkeren. Als uw kind al in therapie Is, let dan op het effect daarvan op het stotteren. Als het toeneemt, moet de therapie waarschijnlijk worden uitgesteld totdat de stotterproblemen zijn opgelost, of u moet een andere logopedist zoeken die minder prestatiegericht werkt.
Stap 4. (Voor kinderen tot 6 á 7 jaar) Als uw kind zelf niet verontrust wordt door de onderbrekingen, wijs hem er dan niet op en geef geen uitingen van bezorgdheid. Is uw kind wel verontrust, zeg dan de waarheid, namelijk dat iedereen nu en dan wel eens problemen heeft met praten. Geef geen richtlijnen om stotteren te voorkomen. Door te zeggen dat hij langzamer moet praten zet u hem onder druk, en die druk moet u juist verminderen, niet opvoeren. Langzamer praten helpt trouwens toch weinig bij kinderen voor wie Strategie 4 geldt.
Stap 5. (Voor oudere kinderen) Als uw kind zelf niet verontrust is door de onderbrekingen, laat het dan zo; maak geen problemen waar er geen zijn. Behandel haperingen zo terloops alsof het kind normaal spreekt, wat best het geval kan zijn. De nu volgende stappen zijn voor oudere kinderen die wel verontrust zijn door hun haperingen en kunnen begrijpen wat ze moeten doen om zichzelf te helpen.
Stap 6. Als uw kind het niet verdraagt door u of andere leden van het gezin te worden gecorrigeerd, maak dan gebruik van de diensten van een logopedist om de volgende stappen ten uitvoer te brengen. Als uw kind het wèl verdraagt, kunt u die stappen thuis zelf doen.
Stap 7. Als het kind een klank als ‘uh’, die geen deel uitmaakt van het woord dat uiteindelijk gezegd wordt, herhaalt of erin blijft steken, vraag dan op niet-nadrukkelijke toon of het kind wist wat hij wilde zeggen toen hij ‘uh’ zei.
Stap 8. Probeer zonder veel ophef uw kind het verband te laten zien tussen zijn ‘opvulklanken’ en zijn zoeken naar een woord of een manier om zijn gedachte uit te drukken. Dat zal niet altijd de haperingen verminderen. Het doel is zijn ongerustheid erover te verminderen.
Als het kind bereid is uw hulp te aanvaarden, luister dan zorgvuldig naar zijn stotteren. Neem het op op een geluidsband zodat u het kunt bestuderen zonder het kind meer lastig te vallen dan nodig is. Wat u moet vaststellen is of hij stottert bij een woord dat hij van plan is te zeggen. Als de klank die herhaald wordt of die het spreken blokkeert, niet hoort bij het woord dat hij uitspreekt als het stotteren ophoudt, vraag dan terloops, alsof het zomaar nieuwsgierigheid is, of hij het woord dat hij wilde zeggen al wist voordat hij’ ging stotteren. Waarschijnlijk zult u eigen wegen moeten vinden om deze vraag zo te stellen dat hij begrijpt wat u bedoelt.
De bedoeling is natuurlijk dat u het kind laat zien dat de haperingen een gevolg zijn van zijn pogingen te spreken voordat hij heeft gekozen welk woord hij wil zeggen. Dat inzicht kan hem leren de haperingen te beheersen, omdat hij dan weet dat hij ervoor kan kiezen tijd te nemen om alles op een rijtje te krijgen, in plaats van te worden onderbroken. Hierdoor krijgen de frustratie en de machteloosheid, die met stotteren samengaan, geen kans meer.
Omdat de drijvende kracht achter tijdsdruk in dit geval bestaat uit een assertiviteitsconflict, kunt u het hiervóór genoemde eventueel laten uitvoeren door een logopedist. Doe dat in elk geval als uw andere pogingen om het kind te helpen gestuit zijn op wrevel. Anders loopt u gevaar dat wat u van hem voor zijn eigen bestwil verlangt, door het kind verkeerd wordt opgevat en gemakkelijk wordt vertaald als dwang om iets te doen dat u graag wilt.
Al blijven de onderbrekingen bestaan, dan wil dat nog niet zeggen dat uw pogingen gefaald hebben. Reden om bezorgd te zijn hebt u echter als het kind tekenen van conflict vertoont of van reacties op zijn stotteren. Een gespannen keel, mond of borst bij het stotteren is een belangrijke aanwijzing. Vermijdingsgedrag is dat ook. Dat uit zich in het feit dat woorden worden vervangen of moeilijke situaties worden vermeden. Ook uitingen van angst of frustratie en vermijding van oogcontact zijn indicaties dat professionele hulp nodig is.
Als er geen sprake is van opwinding, leidt linguïstische onzekerheid alleen tot stotteren wanneer door gebrek aan zelfvertrouwen het gevoel ontstaat dat spontaan spreken gevaarlijk is. Bij linguïstische onzekerheid is het terugdringen van de gevolgen ervan veruit de gemakkelijkste weg naar preventie. Kinderen die oud genoeg zijn om oorzaak en gevolg te begrijpen, kunnen linguïstische onzekerheid leren erkennen als oorzaak van hun stotteren. Onzekerheid over hoe een idee onder woorden te brengen, over woordkeus of over uitspraak wordt normaliter opgelost door erover na te denken. Maar spraak gaat gewoonlijk juist automatisch. Als het voortzetten van een verhaal of het deelnemen aan een gesprek onder grote tijdsdruk staat, zullen kinderen proberen te praten ook al weten ze niet precies wat ze willen zeggen.
Dit soort spraakonderbrekingen zijn normale verschijnselen. Het wordt pas stotteren als de oorzaak van de stoornis niet te achterhalen is. Dát veroorzaakt het gevoel van machteloosheid en verlies van controle. Bij oudere kinderen is het doel dan ook eerder om het gevoel van controleverlies te voorkomen, dan de onderbreking zelf, want die kan iedereen overkomen. Het doel kan bereikt worden door kinderen bewust te maken van de oorzaak van de onderbrekingen.
Voorbeeld
We hebben het al over Billy gehad. Hij was het die, als hij aan tafel wat wilde vertellen, telkens werd afgekapt door zijn oudere broertje. Onder die druk begon Billy al gauw te stotteren. Zoals u waarschijnlijk al vermoedt, steekt hier meer achter. Kort voordat Billy twee jaar werd, liep zijn pesterige broertje een infectie op waardoor hij zo’n hevige keelontsteking kreeg dat hij niet meer kon ademen. Tegen de tijd dat zijn luchtpijp door medisch ingrijpen genoeg was verwijd om adem te kunnen krijgen, was hij blauw aangelopen en had zijn hart opgehouden te kloppen. Na reanimatie kreeg hij stuipen en werd hij opgenomen in het ziekenhuis.
Gedurende die ziekte werd Billy voor een maand te logeren gestuurd bij vrienden. Vóór die tijd was hij altijd een extravert, zelfstandig kind geweest. Toen hij weer thuis kwam, klampte hij zich een week lang aan zijn moeder vast. Hij was nu snel gefrustreerd en werd gemakkelijk kwaad. Zijn broertje was het middelpunt van de aandacht en die liet dat niet zomaar schieten toen Billy ouder en actiever werd. Ofschoon Billy het erg vond gekoeioneerd te worden, was het broertje toch zijn idool. Billy deed hem in alles na.
De situatie werd ingewikkelder toen de ouders het broertje gingen straffen. Hoe meer de moeder erop toezag dat hij Billy met rust liet, des te meer nam de jongen wraak door Billy te treiteren. Op dat punt begon het stotteren. In het begin was het alleen als het broertje in de buurt was. Binnen een maand had het zich uitgebreid tot het spreken met de ouders. Toen hij vier jaar was, stotterde hij vaak ernstig.
De ruzies en conflicten bleven duren tot de zomer voorafgaand aan het begin van Billy’s schooltijd. Gelukkig had het broertje lang gezeurd om naar een neef te mogen die paarden had, zodat hij zijn zin kreeg en de hele zomervakantie op de boerderij mocht doorbrengen. Billy, die graag meegegaan was, werd nu betrokken bij de vakantieplanning van de ouders. Ze verdiepten zich in reisbrochures tot ze een paardenranch vonden die geleid werd door een cowboy van een t.v.-show waar Billy gek op was.
Die zomer was Billy’s redding. Hij was helemaal in zijn element. Hij praatte met zijn t.v.-held en mocht zelfs op zijn paard rijden. De andere cowboys op de ranch waren zijn vrienden. Hij sprak ze aan bij hun voornaam. Zijn ouders behandelden hem alsof hij de belangrijkste persoon van de hele wereld was, en dat was hij ook in die vakantie. In de tweede week was het stotteren zo goed als verdwenen.
De vakantie eindigde een maand voordat het broertje weer naar huis kwam. In die weken deden de ouders hun uiterste best om Billy zijn pas verworven zelfvertrouwen te laten behouden. Met uitzondering van één keer, toen Billy over de schreef ging en straf kreeg, bleef het stotteren weg.
Toen kwam de vuurproef: de terugkeer van Billy’s broertje van de farm. Eerst waren er wat kleine schermutselingen, maar het broertje had teveel te vertellen over zijn belevenissen om veel aandacht te kunnen besteden aan Billy. Die avond luisterde iedereen met aandacht naar die avonturen. Daarna kwam Billy aan de beurt. Toen hij vertelde dat hij met hun cowboy-held - ook van Billy’s broer was het een favoriet - niet alleen maar kennis had gemaakt, had zijn broer zoveel vragen dat het getreiter geen kans meer had. Toen de schooltijd voor de twee jongens was aangebroken. kwam het niet meer als een serieus probleem naar voren, en het stotteren evenmin. Zonder die zomer zou Billy misschien zijn hele leven zijn blijven stotteren.
Procedure
Vraag uzelf af: Wat zou mijzelf het gevoel geven gekleineerd te worden? De volgende stap omschrijft waar iedereen die met uw kind te maken heeft, aandacht voor zou moeten hebben; dit zult u terugvinden in de hele preventiestrategie. De daarop volgende stappen geven voorbeelden van hoe u bij uw kind het gevoel kunt verminderen dat hij gekleineerd wordt. Doel is het verminderen van situaties die het kind het gevoel geven dat hij in de echte wereld als ondergeschikt beschouwd wordt. Tegelijkertijd moeten we ervoor zorgen dat het kind niet gaat rekenen op een speciale behandeling wegens zijn stotteren.
Stap 1. Bepaal zo objectief mogelijk hoe uw interactie met uw kind verloopt. U kunt desgewenst gebruik maken van een analyseformulier als het volgende.
Interactie-analyseformulier
Registreer uw interactie door elke gebeurtenis te turven, om het uur of na elke gebeurtenis. Stel dit niet uit.
Stap 2. Gebruik de scores van bovenstaande vragen om verbetering te brengen in uw bereidheid op het kind te reageren. Hier volgen, vraag voor vraag, adviezen daarvoor.
A. Als u voor vraag A een lage score hebt (minder dan twee of drie uren), kan dat zijn omdat u werkt en uw kind op het peuterklasje zit. De vraag wordt dan: ‘Ziet mijn kind elke dag uit naar het peuterklasje?’ Zo ja, dan is er geen probleem. Zo nee, dan kan dat het gevoel van mislukking versterken ten koste van zijn gevoel van succes. Dit raakt het hoofddoel van deze strategie: zijn gevoel van zekerheid vergroten door het verbeteren van succes bij gezinsleden en speelkameraadjes.
Bedenk dat een door assertiviteitsconflict veroorzaakt stotteren getuigt van niet vrijuit durven spreken. Dat niet-durven is een uiting van onzekerheid. Jonge kinderen zullen zich succesvol vinden (en dus hun gevoel van zekerheid versterken) naarmate zij het klaarspelen in het gezin - en dan vooral van hun ouders - zowel als bij speelkameraadjes aandacht te krijgen.
Ofschoon de rol van de ouders geleidelijk afneemt in de loop van de schooljaren, is hun rol in de jaren daarvóór verreweg de belangrijkste. Als in die eerste jaren een aan assertiviteit gerelateerd stotteren ontstaat, zijn zij het die veruit de meeste mogelijkheden hebben het te doen ophouden.
Als uw kind dus niet graag naar het peuterklasje gaat, is de enige strategie die mogelijk succes zal hebben, een uitbreiding van het aantal uren dat u thuis beschikbaar bent voor uw kind. Deze aanbeveling is natuurlijk extra belangrijk als u heel de dag thuis bent maar toch weinig op uw kind reageert.
B/C/D Vergelijk het aantal keren dat uw kind uw aandacht vroeg (B-score) met het aantal keren dat u daarop met belangstelling en genegenheid reageerde (C-score). Dat geeft u een maatstaf voor het succes dat uw kind heeft gehad bij het omgaan met zijn belangrijkste relatie. Vergelijk vervolgens uw score voor vraag C met die voor vraag D.
Idealiter zou die voor vraag D nul moeten zijn. Ofschoon de D-score inderdaad getuigt van aandacht en genegenheid, heeft uw kind geen invloed op het moment waarop het gebeurt. Hoe hoger de D-score is in verhouding tot de C-score, des te meer leert uw kind dat hij weinig of geen macht heeft om belangrijke relaties naar zijn hand te zetten. Die les baant de weg voor een fundamenteel gevoel van onzekerheid.
E/F/G.Vergelijk het aantal keren dat uw kind u frustreerde of ergerde (E-score) met de F- en de G-score. Als uw F score even hoog of hoger is dan uw G-score, draagt u waarschijnlijk bij aan zijn gevoel van onzekerheid. Een kind heeft niet alleen behoefte aan oprechte genegenheid en belangstelling, hij moet ook oprechte uitingen van irritatie en boosheid mogen zien. Door negatieve gevoelens te verbergen krijgt hij alleen maar positieve reacties te zien op alles wat hij doet. Hij kan de gevoelens van irritatie en boosheid onderkennen ondanks uw pogingen ze te verbergen. Als u derhalve zegt dat u niet geïrriteerd bent terwijl het kind voelt dat dit wel het geval is, zal hij niet alleen leren wantrouwen wat u zegt over uw negatieve gevoelens, maar ook wat u zegt over uw positieve gevoelens. Bovendien leert hij, als gepoogd wordt gevoelens te verbergen, nog een andere, even belangrijke les. Hij leert daaruit dat hij niet sterk genoeg is om als volwaardig gezinslid behandeld te worden. Verbergen we gevoelens voor een kind, dan zeggen we impliciet dat hij beschermd moet worden. Op basis van dat soort behandeling kan hij natuurlijk nooit kracht en zekerheid krijgen.
Stap 3. Zet de interactieanalyse voort totdat uw C-scores hoog genoeg zijn geworden om uw kind een behoorlijke kans op succes bij zijn interacties te verzekeren. Alleen als de B-scores toenemen, ontstaan er voor u meer gelegen-heden. Willen die gelegenheden ook meetellen als successen, dan moeten de C-scores boven de D-scores liggen, en de G-scores boven de F-scores.
Stap 4. Als u stap 3 hebt uitgevoerd en na minstens zes maanden geen duidelijke verbetering in het spreken van uw kind hebt geconstateerd, is ofwel de verkeerde preventiestrategie gebruikt ofwel er moet een therapeut aan te pas komen die uw kind helpt omgaan met gevoelens die hij in het gezin niet kan uiten. In dit laatste geval kan er tevens gezinstherapie nodig zijn.
Er zijn verschillende redenen om te stotteren, maar er is maar één reden waarom iemand een stotteraar wordt, namelijk conflict over het beheersen van de communicatie. Erfelijke factoren en linguïstische onzekerheid leiden dikwijls tot stotteren en verhogen de kans dat stotteren voordeel gaat opleveren. Maar alleen als dit samengaat met een conflict over assertiviteit draagt het ertoe bij dat iemand een stotteraar wordt. Kinderen die zich zeker voelen en in staat zijn gemakkelijk te communiceren, kunnen aandacht krijgen als ze die nodig hebben. Dat soort aandacht is gewoonlijk aangenaam, zodat de voordelen van het stotteren niet zo belangrijk zijn. Maar als de enige aandacht die het kind krijgt bestaat uit reacties op het stotteren, levert dat voordelen die de weg banen voor een leven georganiseerd rond het begrip: ‘Ik ben een stotteraar’.
Voorbeeld
George kan zich de tijd niet herinneren dat hij niet stotterde. Zijn ouders hebben hem verteld dat hij is begonnen met stotteren toen hij ging praten -een aanwijzing dat de oorzaak genetisch is. Ze waren al bang geweest dat het zou gebeuren omdat stotteren in de familie zat; zowel de vader als de grootvader van George stotterden. U hebt al kennis gemaakt met enkele leden van het gezin van George. Zijn zoon Ted en dochter Diane hebben zijn aanleg geërfd, maar zij kunnen zich redelijk goed redden aangezien bij geen van beiden, en zeker niet bij Diane, conflict een factor van betekenis lijkt te zijn. Zoals u zich zult herinneren, was voor zijn vrouw Sally, die in haar jeugd stotterde, conflict de hoofdfactor.
George is nu een zeer bekwame, ontspannen bedrijfsdirecteur. Veel van zijn collega’s weten niet dat hij stottert. Maar zelf weet hij het. Hij ziet zichzelf nog steeds als een stotteraar. Het gevoel dat hij kan gaan stotteren is er nog steeds.
Hij was de middelste in het gezin, tussen twee andere jongens, en hij moest overal voor vechten. Het probleem was dat hij een stille baby en een stil jongetje was. Terwijl zijn broertjes graag vochten, had hij er een hekel aan. Hij zat altijd met zijn neus in de boeken. Als hij al eens praatte, stotterde hij hevig, wat voor zijn broers aanleiding was hem te plagen. Zijn ouders gaven hem niet veel aandacht, ofschoon ze altijd tegen hem zelden dat ze van hem hielden. Volgens George handelden ze daar niet naar. Voorzover hij zich herinnerde kon hij hen alleen laten reageren door te stotteren, en dan was hun reactie onaangenaam. Ze gaven hem uitbranders, werden kwaad, zelden hem dat hij langzamer moest praten, kortom, ze behandelden hem alsof hij het expres deed.
Zolang George op school zat kreeg hij therapie, maar het hielp niet veel. Toen zijn zoon Ted echter begon te stotteren, besloot hij voor zichzelf ook hulp te zoeken, deze keer in een kliniek die gespecialiseerd was in het behandelen van stotteren door middel van vloeiendheid bevorderende technieken.
Omdat George gestotterd had vanaf de tijd dat hij ging praten, en ook stotterde als hij voor zichzelf snel hardop las, luidde de diagnose dat zijn stotteren een genetische oorzaak had. Het feit dat zijn vader en grootvader hadden gestotterd, wees er ook op dat hij waarschijnlijk een aangeboren basis voor stotteren had geërfd.
Er was echter meer aan de hand. George zat vol angsten en vertoonde vermijdingsgedrag. Met sommige mensen kon hij goed praten, maar bij andere blokkeerde hij verschrikkelijk. Dat wees niet op een genetische oorzaak, maar op een assertiviteitsconflict. Tegen de achtergrond van zijn verlegenheid als kind en de agressiviteit van zijn broers was zo’n conflict niet verrassend. Tegenover zijn broers stottert hij nog steeds meer dan tegen ieder ander, en in hun buurt is hij nog steeds extra verlegen. Daarbij komt het ongemak van linguïstische onzekerheid, die zijn stotteren eveneens bevordert. Het blijkt namelijk dat hij’ soms stottert als hij het woord dat hij wil zeggen niet precies weet.
Kortom, in zijn jeugd was hij praktisch voorbestemd om zijn leven lang te blijven stotteren. In die tijd kende niemand de oorzaken van stotteren en evenmin wat eraan gedaan kon worden. Niet dat de combinatie van oorzaken bij George ongewoon is. Het is een combinatie die vaak bij stotteraars te vinden is. Door gebruik te maken van spreektechnieken leerde hij hoe hij kon klinken als een normale spreker, maar hij voelde zich beslist geen normale spreker. Hij klampte zich vast aan de hoop waarmee hij aan de therapie begonnen was, namelijk dat die aangeleerde spreektechniek tenslotte een automatisme zou worden, zodat hij er niet meer bij zou hoeven te denken. Diezelfde hoop bracht hem ertoe deel te nemen aan therapeutische sessies die bedoeld waren om de spreektechniek op peil te houden. Maar hij begon er steeds meer aan te twijfelen of die gecontroleerde vloeiendheid ooit zo automatisch zou worden dat hij zich spontaan zou kunnen uiten.
Toen werd hij op een van de sessies door de therapeut uitgedaagd om een van de situaties te kiezen die hij gewoonlijk ontweek, en in die situatie dan gebruik te maken van zijn spreektechnieken. Als hij zich voldoende zeker voelde dat hij zich kon redden, zou hij van gecontroleerd praten moeten overgaan naar spontaan praten. Dat betekende dat hij zich bloot zou moeten stellen aan het risico te gaan stotteren, want juist om dat risico niet te lopen had hij die situatie altijd vermeden.
George nam de uitdaging aan, koos een situatie die hij dacht aan te kunnen, en had zo’n daverend succes dat hij besloot een reuzensprong te maken naar de meest angstwekkende situatie, die hij steeds vermeed. De reden was dat hij dacht: als ik meteen de ergste situatie aanga, hoef ik voor de minder erge ook niet meer bang te zijn.
Dat pakte anders uit, maar niet omdat hij faalde. Hij probeerde inderdaad de moeilijkste situatie en had succes. Het probleem was dat de uitdaging die hij zichzelf gesteld had, te groot was. Daarom leek hem het feit dat hij succes had, puur geluk.
Wat hij toen deed, was teruggaan naar zijn lijst van vermijdingen, ze rangschikken in volgorde van moeilijkheid en ze een voor een bij de kop pakken, te beginnen bij de makkelijkste. Door in het begin van elke situatie gebruik te maken van zijn spreektechnieken om zijn zelfvertrouwen te vestigen, kon hij dan spontaan vlot spreken. Ook al stotterde hij soms, hij voelde toch dat hij het welslagen in de hand had.
Stotteren is voor George een hanteerbaar probleem geworden. De meesten die zichzelf als stotteraars zien, brengen het er niet zo goed af. George stottert niet veel meer, maar - en dit is essentieel - hij probeert het evenmin te verbergen. Als hij zijn probleem met open ogen blijft aanpakken, kan de dag komen dat hij er helemaal niet meer over hoeft na te denken. Tenslotte zal hij, zichzelf misschien geen stotteraar meer vinden. Tot het zover is zal het echter een probleem blijven waar hij dag-in dag-uit mee wordt geconfronteerd.
De sleutel waarmee u kunt voorkomen dat uw kind een stotteraar wordt, is gelegen in de manier waarop u op hem reageert. Als u geïnteresseerd bent in wat uw kind doet en zegt, zal uw belangstelling gewoonlijk op allerlei zichtbare en onzichtbare manieren aan hem duidelijk worden. Het is moeilijk om echte interesse te veinzen. Maar ja, er zijn zoveel zaken die terecht uw aandacht vragen - het eten klaar maken, het huishouden, de baby verzorgen, de vermoeidheid na een dag werken, uitrusten bij de t.v., de krant lezen - de lijst is eindeloos. Afgeleid worden door een kind dat uw aandacht wil krijgen, kan dikwijls heel frustrerend zijn, om het zacht uit te drukken.
De schade ontstaat als u zo druk bezig bent met allerlei andere dingen dat u geen aandacht schenkt aan wat uw kind doet of zegt..……. totdat hij begint te stotteren. Als dat meer uw aandacht trekt dan al het andere dat hij doet, geeft u een duidelijk signaal, hoe uw aandacht kan worden getrokken. Het kind weet niet dat hij een lesje leert. Er zijn gelukkig jaren voor nodig om die les te leren, maar is dat eenmaal gebeurd, dan zal hij die nooit meer vergeten. ‘Eenmaal een stotteraar, altijd een stotteraar’; het hangt van u af, of dat gezegde ook uitkomt.
Kinderen tot ± 6 jaar
Dit is de leeftijd waarop de mogelijkheden voor correctie het grootst zijn. Geen anderen dan de ouders zijn zo sterk bij de oplossing van het probleem betrokken. Kinderen die aandacht proberen te krijgen, verwachten van broers en zussen niet veel anders dan geruzie en geplaag. Maar de ouders zijn hun steun en toeverlaat. Van wie anders is te verwachten dat ze beschikbaar zijn als hij ze nodig heeft? Als een kind dat past binnen Strategie 6, stottert, kondigt hij daarmee aan dat zijn gewone methoden om uw aandacht te trekken geen succes hebben gehad. Hij zegt daarmee dat die bepaalde situatie waarin hij stottert, zijn laatste redmiddel is om uw aandacht te krijgen. Hij doet dit niet met opzet. Hij wil niet stotteren. Wilt u graag voorkomen dat het probleem blijvend wordt, besteed dan aandacht aan die ‘mededeling’ zodra u die hoort.
Procedure
Stap 1. Als uw kind stottert, leg uzelf dan de volgende vragen voor om na te gaan wat u deed voordat hij stotterde en hoe u reageerde op dat stotteren.
Heb ik met enthousiaste belangstelling geluisterd naar wat hij zei en gekeken naar wat hij deed, of was mijn aandacht elders?
Als ik iets anders aan het doen was, waarom had ik dan geen aandacht voor mijn kind?
Trok het stotteren mijn aandacht? Luisterde ik aandachtig? Probeerde ik hem te corrigeren? Was ik rustig of kwaad?
Stap 2. Denk erover na hoe u de volgende keer zou willen reageren. Bedenk dat als u bijzondere aandacht schonk aan uw kind toen hij stotterde, die aandacht op geen enkele manier nuttig is geweest. Als u kwaad was en hem corrigeerde, kreeg hij wel aandacht, al was dat onaangenaam. Als u kalm was en rustig luisterde, heeft hij de aandacht gekregen die hij inderdaad graag hebben wilde maar hij’ kreeg die aandacht pas toen hij stotterde.
Stap 3. Vergeet niet dat aandacht voor wat uw kind zegt en doet, alleen goed werkt voorzover er geen stotteren bij te pas komt.
Stap 4. Schenk aandacht als uw kind aangeeft er behoefte aan te hebben. U kunt aannemen dat hij daaraan behoefte heeft wanneer hij iets tegen u zegt. Schenk er geen aandacht aan als hij tegen zichzelf praat of opgaat in zijn eigen bezigheden. Het is belangrijk respons te geven, het heeft geen zin opdringerig te zijn.
Stap 5. Als u moeite hebt met een van deze vier stappen, raadpleeg dan een logopedist die ervaring heeft met jonge kinderen die stotteren.
De bovenstaande procedure lijkt op de activiteit die door Dr. Richard Mallard ontworpen is en door hem ’Talk Time’ genoemd wordt. In het aanhangsel bij dit boek wordt de methode beschreven, inclusief letterlijke verslagen van de gezinsinteracties bij een vierjarig jongetje dat stotterde. Zoals u zult zien, is het een activiteit die geweldige resultaten kan opleveren.
Als kinderen eenmaal volle dagen op school zijn, is het veel moeilijker om de voordelen van stotteren te minimaliseren. De redenen liggen voor de hand. Er zijn meer mensen bij betrokken (medeleerlingen, onderwijzers) en de aandacht die van hen uitgaat wordt steeds belangrijker. Het verbeteren van hun manier van aandacht geven zal moeilijk zijn. De hulp van de onderwijzer en de logopedist op school is waarschijnlijk van essentieel belang.
Stotteren geeft bovendien een extra voordeel door speciale privileges. Hoe ernstiger het stotteren is, des te meer privileges er aan verbonden zijn. Het kan een kind vrijstellen van verantwoordelijkheid voor zijn daden, van karweitjes, van voorlezen in de klas, van moeilijke sociale relaties. Het kan speciale gunsten opleveren. Als het kind zich probeert te redden in de werkelijke wereld, zal hij zelfs bij geregeld falen sterker worden doordat hij steeds weer aan dagelijkse moeilijkheden het hoofd moet bieden. Als het stotteren wordt gebruikt om zich af te schermen, zal elke ontsnapping aan verantwoordelijkheid het gevoel van zwakte en onzekerheid versterken. Ofschoon het gezin waarschijnlijk niet genoeg sociale successen levert om op deze leeftijd veel verandering in het stotteren te brengen, kan het wel de winst, die door middel van therapie gemaakt wordt, grondig ongedaan maken door te weinig steun te geven. De hierna genoemde stappen kunnen in het begin worden gezet om vast te stellen hoeveel binnen het gezin kan worden bereikt. Ook al zijn deze stappen op zichzelf niet helemaal succesvol, ze kunnen in elk geval de basis leggen voor wat bereikt kan worden met kindertherapie en gezinstherapie.
Om te voorkomen dat door conflict veroorzaakt stotteren chronisch wordt, is het noodzakelijk de onzekerheden van het kind te doen afnemen. Dat doet men door het kind te laten zien dat hij zijn gevoel van eigenwaarde zelf in stand kan houden. Tegen de tijd dat het conflictgebonden stotteren begint, hebben deze kinderen al een verleden achter zich waarin zij als baby’s met hun signalen en elementaire spraak geen succes hadden bij het verkrijgen van aandacht. Met andere woorden, zij lopen gevaar zich voor hun gevoel van zekerheid te verlaten op fantasieën. Als fantasieën eenmaal gevestigd zijn, is het moeilijk er afstand van te doen. Als mensen zichzelf als stotteraars zien, is het een extra probleem dat het stotteren een redelijke verklaring biedt voor het feit dat zij in werkelijkheid niet alles kunnen zijn wat ze in hun fantasie zijn. Dat is de reden waarom bij mensen die stotteraars worden, dikwijls het gevoel ontstaat een ‘geketende reus’ te zijn. Dat vormt een belangrijke bron van verslaving. Omdat zij door hun fantasieën worden verleid tot machtsverwachtingen die niet gerealiseerd worden, komt hun gefantaseerde assertiviteit in conflict met hun feitelijke onzekerheid.
De enige gelegenheid die kinderen thuis hebben om tegenover zichzelf te bewijzen dat ze best wat kunnen, zijn de gezinsgesprekken. Het belang daarvan kan niet voldoende worden benadrukt. Ofschoon het gezin ook in de schooljaren zijn invloed blijft uitoefenen, verwatert die invloed steeds meer, terwijl de belangrijkheid van klasgenoten en leerkrachten toeneemt. Die zijn moeilijk te beïnvloeden. Daarom het belangrijk thuis voor successen te zorgen als de gelegenheid zich voordoet.
De werkwijze die nodig is om die gelegenheid voor oudere kinderen zoveel mogelijk uit te buiten, vereist veel tact. Wat duidelijk moet worden voor deze kinderen is dat zij even belangrijk zijn als ieder ander en dat zij evenveel invloed kunnen hebben op een gesprek als ieder ander, of ze nu stotteren of niet. Voorzichtigheid is geboden, omdat elke poging om zulke gelegenheden te creëren gemakkelijk als neerbuigend ervaren kan worden.
Mensen die stotteren worden door niets zo woedend gemaakt en vernederd als door medelijdend en bevoogdend behandeld worden. Voor iedereen, niet alleen voor stotterende kinderen, betekent dat namelijk dat wij vinden dat ze niet op voet van gelijkheid staan: ze moeten met fluwelen handschoenen worden aangepakt, ze moeten dus speciale privileges krijgen. Omdat het aan assertiviteitsconflict gebonden stotteren juist een expliciet protest is tegen zo’n behandeling, is medelijdend optreden de grootst mogelijke belediging. Het meest kwetsend voor stotteraars is waarschijnlijk als ze ‘geholpen’ worden door mensen die de woorden aanvullen waarin zij blijven steken. Zulke ‘hulp’ moet strikt vermeden worden, zowel door andere kinderen als door volwassenen.
Deze waarschuwing houdt in dat gelegenheden om succesvol te kunnen communiceren niet mogen uitmonden in schertsvertoningen. Bij zo’n gelegenheid moet u eerlijk uiting geven aan uw gevoelens. Dat is de moeilijkheid; een mens kan zichzelf niet gebieden te veranderen en verwachten dat hij dan ook meteen anders denkt en voelt. Verandering is een proces. Misschien kunt u het zonder hulp van anderen, waarschijnlijk hebt u de hulp nodig van een logopedist met ervaring in gezinstherapie.
Het probleem dat moet worden opgelost, is de vraag waarom het oudere kind dat stottert, het gevoel heeft dat hij niet op voet van gelijkheid mag meedoen aan gezinsgesprekken. Misschien heeft hij het gevoel dat hij vechtend zijn weg moet banen in het gesprek, ofwel dat hij beter zijn pogingen kan staken omdat u en de anderen van het gezin hem niet belangrijk genoeg vinden om aandacht aan te schenken. Zulke gevoelens kunnen de neerslag zijn van ongelukkige ervaringen in de vroegste kinderjaren als gevolg van onvoorziene omstandigheden. Wat het kind op dit moment voelt, hoeft geen exacte afspiegeling te zijn van wat u toentertijd voelde, of van wat u nu voelt. Als uw kind een verkeerde inschatting maakt van wat u en de anderen van het gezin werkelijk voor hem voelen, dan is dat zijn probleem. Om dat op te lossen, zal er waarschijnlijk hulp nodig zijn.
Aan de andere kant moet u samen met uw gezin nagaan hoe in werkelijkheid uw gevoelens tegenover elkaar zijn. Die gelegenheid mag niet gebruikt worden om elkaar verwijten te maken. Als dat toch gebeurt, wordt het doel van een dergelijke zitting ondermijnd. Als u ontdekt dat uw kind zich terecht beklaagt over wat u of een van de anderen echt voelt, dan moet dat telkens met de betrokken persoon verder worden uitgezocht. Ongeacht wie er hulp nodig heeft moet die zaak openlijk op tafel komen. Zo’n confrontatie op zich is al een stap naar bevrijding van het stotteren. Het feit dat uw kind de aandacht eist van het gezin en openlijk onthult wat zich onder de oppervlakte afspeelt, is zonder meer een daad van kracht en moed. Met dit soort communicatie kan hij voor zichzelf bewijzen dat hij belangrijk is en meetelt.
Procedure
Stap 1. Organiseer een wekelijks ‘uur van de waarheid’. Alle gezinsleden moeten meedoen. In het begin kan dat uur gebruikt worden om klachten te uiten. Ze moeten een concrete, objectieve basis hebben. Het mogen geen verkapte beschuldigingen zijn. Het moet geen poging tot psychotherapie worden voor het onthullen van diepverborgen motieven; het is gewoon bedoeld om gezinsleden de kans te geven eerlijk tegenover elkaar te zijn. Het doel voor het stotterende kind is dat hij openlijk en assertief kan zeggen wat hij bij het stotteren voor zich houdt. Deze procedure vraagt tact. Wat u waardeert bij elkaar, moet meer naar voren komen dan wat u niet waardeert. Niemand wordt graag bekritiseerd tenzij in de vorm van hulp. Vraag zo mogelijk een logopedist met ervaring in gezinstherapie om met u mee te doen. Het kan een uitstekend middel zijn tot verbetering, maar als het negatieve meer naar voren zou komen dan het positieve, is het beter er niet mee door te gaan zonder hulp van een deskundige. Als u een idee wilt krijgen hoe zo’n activiteit verloopt, lees dan in het aanhangsel het gedeelte over ‘praattijd’ dat begint met ‘Derde sessie’.
Stap 2. Laat de gevoelens die u tegenover elkaar hebt, geleidelijk de discussies binnendringen. Houd de gesprekken gericht op concrete dingen die de gezinsleden gedaan hebben en die aanleiding geven voor genoemde gevoelens. Laat de gezinsleden ook praten over wat ze van elkaar vinden, en wat ze eventueel zelf gedaan hebben om bepaalde gevoelens bij anderen op te wekken. Uw stotterende kind moet niet het centrum van de aandacht of het uitgangspunt voor het ‘uur van de waarheid’ zijn. Verbetering van de gezinsrelaties kan als motief dienen - een goed uitgangspunt voor beginnelingen. In feite moet dat ook zo blijven van het begin tot het eind, terwijl uw stotterende kind gewoon een van de deelnemers is, op voet van gelijkheid met ieder ander. Geen enkel gezinslid, ook niet de vader of moeder, mag speciale voorrechten hebben in dit uur.
Stap 3. Nadat de aanwezigen zijn gaan praten over het gedrag van de anderen, dat de basis vormt voor hoe er over hen gedacht wordt, kan het stotteren van uw kind ook onderwerp van onderzoek worden. Vragen als de volgende kunnen het kind helpen inzien wat voor gevoelens achter zijn stotteren schuilgaan.
‘Stotter je bij sommige mensen meer dan bij andere?’
‘Voel je je bij die mensen anders dan bij de mensen bij wie je niet stottert?’
‘Wat vind je van de persoon met wie je praat als je stottert?’
‘Wat denk je dat andere mensen van jou vinden?’
‘Wat denk je dat de reden is voor de spanning in je mond, keel of borst als je stottert?’
‘Is die spanning erger als je heviger stottert?’
‘Is die spanning erger als je vóór je houdt wat je eigenlijk echt voelt?’
Laat niet toe dat de aandacht méér op het stotterende kind gericht wordt dan op de anderen. Hij mag nooit aanleiding hebben om te denken dat hij speciale bezorgdheid wekt of de reden is voor het ‘uur van de waarheid’.
Stap 4. Vraag uw kind of hij enkele spreektechnieken zou willen leren waardoor hij gemakkelijker zou kunnen praten. Zoek een logopedist die zo’n therapie zou kunnen geven. Accepteer de beslissing die uw kind neemt. Bedenk wel: Vloeiend spreken is niet het doel van de therapie. Daar kan niet genoeg de nadruk op gelegd worden. Zelfs al accepteert u dit, u zult toch hevig in de verleiding komen vloeiend spreken te zien als het belangrijkste dat bereikt kan worden. Niets is minder waar. Als uw kind vloeiend wenst te leren spreken, is dat prima zolang hij het dan maar doet om voldoende zelfvertrouwen te krijgen zodat hij spontaan kan spreken zonder zijn stotteren te verbergen. Als hij dat vloeiend leren spreken gebruikt voor enig ander doel, offert hij communicatie op voor vloeiend spreken. Als hij voortdurend bezig moet zijn met de techniek om vloeiend te praten, kan hij zich niet concentreren op wat hij eigenlijk zeggen wil.
Stap 5. Als er vooruitgang blijkt te zijn in de manier waarop uw kind zich voelt en spreekt, zou het Ontspanningsspel van Strategie 3 kunnen worden geïntroduceerd. De reden om het in deze preventieve strategie te introduceren is dat langs die weg de kameraadjes van het kind kunnen worden binnengehaald in een situatie waarin het kind met succes met hen kan wedijveren. Er zijn twee voorwaarden verbonden aan het gebruiken van het Ontspanningsspel. De eerste is dat uw kind er goed genoeg in moet zijn om binnen het gezin een uitstekend figuur te slaan. Dat betekent dat hij er goed genoeg in is om het graag te spelen. De andere voorwaarde is dat het spel zo leuk moet zijn dat zijn schoolkameraadjes het graag willen spelen. Het spel kan net zo lang worden voortgezet als het kind er baat bij lijkt te hebben.
Stotteren verhelpen om te voorkomen dat iemand een stotteraar wordt
Hoe meer het stotteren uitgeschakeld kan worden des te beter zijn natuurlijk de kansen om de ontwikkeling tot stotteraar te voorkomen. Alle genoemde strategieën zijn ontworpen om het stotteren te verhelpen: Strategie 3 is voor erfelijk bepaald stotteren, Strategie 4 voor linguïstisch stotteren, en Strategie 5 voor stotteren als gevolg van een assertiviteitsconflict. Naargelang het geval kan elk van deze strategieën met veel profijt in combinatie met Strategie 6 worden gebruikt.
Wie verlangt er niet naar bemind te worden, gewoon omdat je bent wie je bent, niet om wat je gedaan hebt of omdat je het verdiend hebt met braaf-zijn.
Wie verlangt er niet naar te worden aangemoedigd om te praten – te praten over zichzelf, over van
alles en nog wat?
Kinderen voelen pas dat ze meetellen (wat de basis is van hun zekerheid), als ze zowel boosheid als liefde van hun ouders kunnen uitlokken wanneer zij er behoefte aan hebben.
Zekerheid vermindert het gevaar te gaan stotteren.
Als opgroeiende kinderen dragen zij de last van hun vroegste overtuiging, namelijk dat zij niet belangrijk genoeg zijn om aandacht op te mogen eisen. Hun leven begint dan met onzekerheid als uitgangspunt.
Het is duidelijk dat de beste kansen voor preventie in de vroegste kindertijd liggen.
Als ouders de pogingen van hun kind om te communiceren al met succes zouden aanmoedigen voordat het spreken, laat staan het stotteren, begint, zou het gevaarlijke, conflict-gestuurde stotteren nooit zelfs maar een kans krijgen.
Eerst zullen we behandelen wat gedaan kan worden om betrekkelijk onschuldig stotteren te verminderen dan wel te verhelpen. Dat is het stotteren dat waarschijnlijk meer een zorg is voor u dan voor uw kind.
Stel realistische verwachtingen. Als ze te laag zijn, vormen ze geen uitdaging. Zijn ze te hoog, dan is het risico van mislukking te groot. Als de uitdaging precies goed is, is het succes stimulerend.
Totdat de spraak zich ontwikkelt bezitten kinderen slechts een signaalsysteem, maar wel een dat al lang bestaat, een dat getoetst is in de beproevingen van de evolutie. Als ze daar geen succes mee hebben, kan de grondslag waarop later het spreken moet voortbouwen, aan het wankelen raken.
Kinderen van wie het praten hapert door oorzaken die zij zich bewust kunnen maken, dat zijn in het bijzonder linguïstische oorzaken, groeien hoogst waarschijnlijk over hun stotteren heen.
Kinderen die zelfvertrouwen hebben, zeker van zichzelf zijn en zich assertief gedragen; die niet uitsluitend bij bepaalde gelegenheden of tegenover bepaalde personen stotteren; die houden van praten en zonder aarzelen hun zegje zeggen; die met anderen wedijveren en die weinig aandacht schenken aan hun eventuele stotteren, groeien in het algemeen over hun stotteren heen.
Wij hebben twee doelstellingen. De voor de hand liggende bestaat uit het verminderen en voor zover mogelijk uitschakelen van het stotteren. Maar verreweg de belangrijkste doelstelling is:
voorkomen dat -om wat voor reden dan ook – het stotteren voordelen gaat opleveren.
Zodra die voordelen een belangrijk middel worden om assertief te zijn, is de persoon die alleen maar stotterde een stotteraar geworden.
We willen wel voorkomen dat stotteren chronisch wordt, maar we gaan zeker niet proberen alle natuurlijke spraakonderbrekingen te voorkomen. Dat zou trouwens onmogelijk zijn, en als we erin zouden slagen zou het resultaat onnatuurlijk klinken.
Volmaakt vloeiend spreken is misschien wenselijk voor een nieuwslezer op t.v. of radio, maar in een normaal gesprek klinkt het eigenaardig.
Strategie 1 is voor kinderen die een goede kans maken met een beetje hulp over hun stotteren heen te groeien.
Naast de grote meerderheid van kinderen die een tijdje stotteren en er dan overheen groeien, is er een kleine groep die blijft stotteren en met Strategie 2 of 3 geholpen kan worden.
Strategie 2 is voor kinderen die meer dan een jaar gestotterd hebben.
Strategie 3 is ontworpen voor kinderen die stotteren als er (te grote) druk vanuit de omgeving wordt uitgeoefend.
Als uw kind laat blijken ongerust te zijn als hij hapert, wees dan gewoon eerlijk: geef kalm toe dat hij een probleem heeft maar blaas het niet op.
We moeten aannemen dat kinderen die passen in Strategie 3, zich zeker voelen van zichzelf. Dat betekent dat het belangrijkste probleem, waar overigens iets aan gedaan kan worden, bestaat uit het effect van het gezinstempo op het spreektempo dat het kind probeert vol te houden.
De neiging van de omgeving om het kind aan te sporen langzamer te praten, zal ervaren worden als een machtsstrijd van de ergste soort.
‘Doe zoals ik zeg, niet zoals ik doe’ is een vermaning die te allen tijde vermeden moet worden.
Strategie 4 is ontworpen om linguïstisch stotteren te verhelpen voordat het ernstiger wordt.
De kans dat bij een kind rustig spreken tot een automatisme wordt, is praktisch nihil als hij elke dag na school thuiskomt in een gezin met snelle sprekers
Strategie 5 is bedoeld voor het onzekere kind dat de voordelen die hem ertoe zouden verleiden een stotteraar te worden, nog niet heeft ontdekt.
Stotteren dat veroorzaakt word door een assertiviteitsconflict betekent zonder meer dat de persoon zich niet gerechtigd voelt zich spontaan te uiten. Dat heeft te maken met fundamentele onzekerheid
Jonge kinderen zullen zichzelf meer succesvol vinden (en dus hun gevoel van zekerheid versterken) naarmate zij het beter klaarspelen in het gezin - en vooral bij hun ouders - zowel al bij speelkameraadjes aandacht te krijgen.
Een kind heeft niet alleen behoefte aan oprechte genegenheid en belangstelling, hij moet ook oprechte uitingen van irritatie en boosheid mogen zien.
Verbergen we gevoelens voor een kind, dan zeggen we daarmee impliciet dat hij beschermd moet worden en niet voor vol wordt aangezien.
Strategie 6 is voor het onzekere kind dat in tweestrijd is over zijn recht om assertief te zijn.
Kinderen die zich zeker voelen en in staat zijn succesvol te communiceren kunnen aandacht krijgen als ze die nodig hebben. Dat soort aandacht is gewoonlijk prettig zodat de voordelen van het stotteren niet aan bod komen
Als de enige aandacht die het kind ten deel valt bestaat uit reacties op het stotteren, levert dat voordelen op die de weg banen voor een leven georganiseerd rond het begrip: ‘Ik ben een stotteraar’.
Afgeleid worden door een kind dat uw aandacht probeert te trekken, kan dikwijls heel frustrerend zijn
U brengt uw kind schade toe als u zo druk bezig bent met allerlei andere dingen dat u geen aandacht over heeft voor wat hij doet of zegt ………. totdat hij begint te stotteren.
Als het stotteren meer uw aandacht trekt dan al het andere dat uw kind doet, geeft hem een duidelijk signaal, hoe hij uw aandacht krijgen kan.
Ouders zijn de steun en toeverlaat van een kind. Van wie anders kan hij verwachten dat ze beschikbaar zijn als hij ze nodig heeft?
Als een kind dat past binnen Strategie 6, stottert, geeft hij daarmee aan dat rechtstreekse methoden om uw aandacht te trekken geen succes hebben gehad.
Het kind zegt daarmee dat in die bepaalde situatie stotteren zijn laatste redmiddel is om uw aandacht te krijgen. - Hij doet dit niet met opzet. - Hij wil niet stotteren.
Als u wilt voorkomen dat een stotterend kind een chronische stotteraar wordt, besteed dan aandacht aan zijn signalen zodra u ze opmerkt.
05 Afdeling V- Professionele hulp