Hij wordt ook wel de Hollandse Benny Goodman, of Mr. Clarinet genoemd, Ad van den Hoed ‎‎(1925)‎‎, bekend van vele radioshows en grammofoonplaten met zijn muzikale makkers Rinus van Galen, Henk v.d.Molen en Ferdi Posthuma - de Boer. In september 2001 liet hij Het Kwartet Ad van den Hoed nog eens herleven in een klein kerkje te Baambrugge. Ook nu, in 2010 heeft virtuoos Ad zijn instrumenten nog niet aan de wilgen gehangen en speelt met regelmaat. Ad van den Hoed - Autumn Leaves


Ad van den Hoed, Too Close For Comfort


Ad van den Hoed, Can't Help Lovin'that Man Of Mine


Ad van den Hoed, Rose Of Washington Square




Ad van den Hoed, geboren in het jaar 1925, roept bij mij herinneringen op aan mijn jeugd. Mijn vader kocht LP’s van hem. Zijn klarinetspel staat in mijn geheugen gegrift. Ik probeerde hem na te spelen. Nooit had ik kunnen vermoeden, dat ik bijna 40 jaar later nog eens les van hem zou krijgen, maar dat is waar gebeurd. 
Ad is een aimabele, gezellige, gastvrije en geduldige man die ook wel een tikje ijdel is. Bovenal is Ad een vakman. Niet zo maar één, maar een hele goede, hij weet wat hij doet. Een musicus, klarinettist, een jazz-man pur sang, die streeft naar perfectie. Een echte jazz-klarinettist uit het goede hout gesneden, waarvan er in zijn klasse maar weinig ooit geweest zijn. Ik ben trots dat ik Mr. Clarinet, Ad van den Hoed in dit interview aan het woord kan laten.

Aflevering 1 

Dinsdagochtend 30 mei 2006 ben ik bij Ad thuis uitgenodigd in zijn woonplaats Abcoude, een dorp onder Amsterdam waar de tijd nog stil staat. Als Ad een bakkie koffie zet in de keuken raken we al gelijk aan de praat over toonsoorten en klarinetten. 

Kees: ‘Somebody Loves Me van Gershwin speel jij op de plaat in F, voor klarinet in één kruis maar in de pianoboeken staat het altijd in G. Dat is voor klarinet dan in drie kruizen.’ 

Ad: ‘De moeilijkheid ervan moet niet uit maken, Lady be Good staat ook in G. Belangrijk is, dat een nummer mooi klinkt in een bepaalde toonsoort.’ We hebben het terloops over Benny Goodman. Ad vertelt hoe ontzettend goed hij hem vindt, maar zegt dan: ‘Voor klassiek is het niet dat geluid wat ons voor ogen staat, dat vibrato erbij…’
 

Kees: ‘Wij zijn dat niet zo gewend met onze klarinet traditie.’ 

Ad:’Tegenwoordig heb ik een RC klarinet uit de Greenline serie van Buffet Crampon. Vroeger, vlak na de oorlog, kreeg ik nog wel eens een scheur in mijn klarinet. Bij deze klarinet is dat door het geperste hout met kunstof uitgesloten en hij weegt ook nog eens minder in vergelijking met een houten klarinet. Harry Bakker van de muziekwinkel in Muiderzand vertelde me dat scheuren tegenwoordig tot het verleden behoren.’ Ik vertel Ad over mijn nieuwe Leitner & Kraus klarinet, over hoeveel tonnen en bekers ik in Neustadt/Aisch uitgeprobeerd heb. 


Ad: ‘Het geluid zit aan de achterkant van het mondstuk, je hoort het: dat is die persoon en dat is die persoon. Als een leerling zegt, ‘mag ik eens op jouw klarinet spelen,’ dan zeg ik: ‘ja hoor, even je eigen mondstuk erop.’ Dan zeggen ze: ‘Ah, wat speelt die fijn en hij is ook licht van gewicht,’ maar dan denk ik: Zo kan die dus ook klinken…’ 

Onder het genot van een schaal koekjes, klaar gezet door Ad’s echtgenote Inge, beginnen we het interview.

Hij wordt ook wel de Hollandse Benny Goodman, of Mr. Clarinet genoemd, Ad van den Hoed ‎‎(1925)‎‎, bekend van vele radioshows en grammofoonplaten met zijn muzikale makkers Rinus van Galen, Henk v.d.Molen en Ferdi Posthuma - de Boer. In september 2001 liet hij Het Kwartet Ad van den Hoed nog eens herleven in een klein kerkje te Baambrugge. Ook nu, in 2010 heeft virtuoos Ad zijn instrumenten nog niet aan de wilgen gehangen en speelt met regelmaat. Ad van den Hoed - Autumn Leaves


Kees: “Ad, als je jou hoort spelen dan hoor je Ad van den Hoed, met niemand te vergelijken, je bent uniek.” 

Ad: ”Ja dat heb ik ook diverse keren van anderen gehoord. Het is een gegeven, je hoort het, het zijn toch mijn eigen loopjes terwijl ik toch de meest eenvoudige akkoorden gebruik die Jan en Alleman kan spelen.” 

Kees: ”Maar het is ook je timing.” 

Ad: “Ja dat is het.” 

Kees: “Omschrijf eens hoe dat klinkt, wat maakt het zo uniek?” 

Ad: “Ik denk dat het de eenvoud is, ieder keer als ik het ga analyseren met een leerling zegt hij of zij: ‘O, is het zo eenvoudig, d’r is niks aan.’ Ik laat de meeste noten van het akkoord weg en val vaak terug op 1-3-5 of 3-5-1 of 5-1-3 en het geraffineerde plusje. Ik denk dat dat het is. Dan speel ik van C septiem naar F, maar speel dan vlak voor dat F akkoord een gis in C septiem, dus even die gis er in en dan kom ik op F. Uit de zes tonen van de hele toonstoonladder (C-D-E-Fis-Gis-Bes) kun je ook twee plus akkoorden halen, C-E-Gis en D-Fis-Bes en je kunt die toonladder bijvoorbeeld ook in tertsen spelen. Het grappige daarvan is dat ik wel eens gedacht heb, dat je min of meer datgene prijsgeeft wat je vertelt of doet of mensen van je horen, ik kan dat nu rustig vertellen want ze doen het toch anders. Ik moet eigenlijk soms zeggen, Kees….ze doen het allemaal net precies verkeerd. Op het moment dat het niet meer kan, spelen ze het plus akkoord: jammer die gis, die had je er nou net uit moeten laten. Ze zeggen dan: ‘Maar Ad je had toch gezegd dat ik daar een plus moest spelen!’ Waar zit ‘m dat nou in? Het is het zelfde als wat een kok tegen je zegt: een beetje peper, een beetje zout een paar korrels dille of rozemarijn erin. Dan heb ik dat gedaan en vervolgens is het niet te eten. Ik zie zelfs nog kans om een ei te verknallen. Ik denk dus, dat ik herkenbaar ben in het gebruik van het plusakkoord.” 

Kees: “Maar gebruik je dat dan vaak?” 

Ad: “Nee, want als je het teveel gaat doen is het niet leuk meer. Als je elke keer patat eet, dan zeg je: ‘Ik zou nu wel eens een keer een korreltje rijst willen.’” 



Kees: “Tot nu toe hadden we het over jouw herkenbare stijl, daar hoort ook je herkenbare toon bij. In wat voor soort jazz kun je jou indelen?” 

Ad: “Daar heb ik gelijk een antwoord op. Ik noemde het zelf altijd Sophisticated Swing. Het is heel Sophisticated, beschaafd, je kunt erbij praten, je kunt er een glaasje wijn bij drinken, je kunt er op dansen, je kunt erbij eten en bij C&A kun je er ook een broek bij kopen. 

Kees: “Speelde je ook wel eens dixieland?”




Ad: “Ja, dat heb ik ook wel gespeeld. Ik heb dat altijd leuke muziek gevonden”. 


Kees: “Zijn je improvisaties wel eens uitgeschreven?” 

Ad: “Niets staat opgeschreven ik vraag me soms ook af wat ik in die solo’s gedaan heb. Ik heb één plaat waarop ik het nummer ‘Rose of Washinton Square’ speel. Dat stuk is in één keer opgenomen, een bestseller die eruit piekte, vond ik. Het was mijn eerste plaat en er viel meteen een Edison op, maar niet op dat nummer. Rinus van Galen (de pianist van het kwartet) vroeg aan mij: ‘Ad, zullen we To Close for Comfort opnemen?’ Waarop ik zei: ‘Dat is goed, maar ik ken dat nummer niet’ Rinus schreef het voor me op en we gingen het proberen. Juist met dat nummer heb ik een Edison gekregen. Dat is toch niet te geloven: ik heb het erop gezet omdat Rinus het vroeg en omdat ook die opname-man zei: ‘Dat is een leuk stuk’. 


Kees: ‘Hoe ben je bekend geworden met je kwartet?’ 

Ad: ‘Met die Edison was ik van de ene op de andere dag Ad van den Hoed. Ik bedoel het niet arrogant. Het was op een zaterdagavond, dat ik bij Grand Gala du Disque die Edison kreeg uitgereikt. Ik schrok er eigenlijk van, ik wist niet eens wat het was. 

Kees: ”In welk jaar was dat?” 

Ad: ”Het was in1961. Toen waren het nog die grote Edisons. Kijk, daar staat hij. Als je er een half uur mee in je hand staat zak je vanzelf wel in elkaar, die dingen zijn loodzwaar.” 

Kees: “Jij stond dus op het podium in die televisie uitzending met dat zware ding en dacht hoe houd ik het hiermee uit?” 

Ad: “Ja, ik kreeg hem van Wim Sonneveld. Ik kende Wim van zijn eerste plaat waarop ik meegespeeld had met De Koning van Lombardijen, Een Cent een Cent en Het Hondje van Dirk Witte.” 

Ad van den Hoed, Too Close For Comfort



Kees: “Nu even terug naar je jeugd. Waarom ging je klarinet spelen?” 

Ad: “Ik speelde piano en wilde pianist worden. Ik had een bandje: trompet, tenor, klarinet, piano, drum en bas. We oefenden altijd op zondag middag.” 

Kees: “Hoe oud was je toen?” 

Ad: ”Zestien of zeventien jaar.” 

Kees: “Had je toen al een klarinet?” 

Ad: “Nee, nog nooit in mijn mond gehad. We oefenden op zondagmiddag en Harry de klarinettist zei tegen me: ‘Mijn meisje vindt het niet goed dat ik elke zondagmiddag oefen.’ ‘Wat een flauwe kul,’ zei ik en die man viel als een baksteen voor mij. Ik heb toen zelf een klarinet weten te bemachtigen. Ik speelde al een klein beetje tenorsaxofoon. Benny Goodman hoorde ik zeer incidenteel bij iemand die toevallig een plaatje van hem had, want het was oorlog. In die tijd waren er veel saxofonisten en maar weinig klarinettisten. Als je er je beroep van wilde maken moest je een instrument kiezen wat anderen niet speelden. Zo ben ik toen klarinet gaan spelen en les gaan nemen.” 

Kees: “Bij wie ging je klarinetles nemen?” 

Ad: “De allereerste keer ging ik naar Hans Helmke, hij was solo klarinettist bij Het Concertgebouw. Het was een Duitser en hij speelde op een mooie klarinet: een Ludwig Warscheswki. Dat was toen het merk wat tegenwoordig Herbert Wurlitzer of nu ook Leitner en Kraus is. Ik heb nog nooit zo’n anti Duitser meegemaakt als hij was als Duitser. Hij vond het vreselijk.” 

Kees: “Hoe kwam je bij hem terecht, want bij zo iemand kom je niet één twee drie” 

Ad: “Dat weet ik echt niet meer. Ik weet nog wel dat hij een uniform had, want hij moest naar het Commandantur. Hij stond met zijn pistool voor me: ‘Ik schiet je dood’ zei hij dan, ‘Je saboteert. Du blaast en ik hoor helemaal niks. Het zijn allemaal rare geluiden. Vliegtuigen hoor ik maar geen klarinet.’ Ja, dat was een geinige man hoor. Hij was een goede pedagoog, maar voor de dienst moest hij ineens weg, ook bij Het Concertgebouw. Ik kreeg toen Bram de Wilde. Tot het einde van de oorlog heb ik veel les van hem gehad. Daarna ben ik bij Cees Verschoor gekomen, die naderhand naast me zat in Het Metropoolorkest. Het was een man waar ik ontzettend veel respect voor gehad heb. Tijdens de periode dat ik bij de Skymasters zat heb ik ook nog kort les gehad van Jos d’Hondt. Hij kon heel goed uitleggen hoe je klarinet moet spelen.” 

Kees: “Van Bram de Wilde had je klassiek klarinetles?” 

Ad: “Ja, ik kreeg altijd alleen maar klassiek les. Jazz had ik van mezelf en dat mocht daar niet op school. Als ik mijn klarinet aanblies met jazzloopjes, dan zei Bram de Wilde: ‘Dat mag niet hoor, dat vindt men hier niet goed’” 

Kees: “Je zat op school in Amsterdam?” 

Ad: “Ja, op het conservatorium, daar kreeg ik privé les van hem, maar soms ook in Het Concertgebouw. Dan zei hij: ‘Als je nou morgenmiddag komt, dan heb ik even een half uurtje pauze’. Dan kwam ik bij hem en zag ik die mensen van Het Concertgebouw, maar dat interesseerde me allemaal geen bal. Het maakte geen indruk op mij, want ik wilde geen klassiek spelen.” 

Kees: “Maar vond hij het zelf ook niet goed dat je jazz blies?” 

Ad: “Hij vond het juist wel heel fijn, want hij wilde steeds hebben dat ik die jazzloopjes deed voor hem en zo hebben ze bij Het Concertgebouw ook nog eens een blauwe maandag een dansorkest opgericht. Mijn eigen orkestje had ik inmiddels uitgebreid.” 

Kees: “Gingen jullie er ook mee verdienen?” 

Ad: “Nee, dat deed je nog niet. Je mocht eigenlijk helemaal niet spelen. Je had de Kulturkammer en daar was ik geen lid van, dat wilde ik niet. Het was een Duitse instelling: Kulturkammer. Ik trad ook niet op met het orkestje. Ik speelde wel eens voor vrienden, dan huurden we een zaaltje.” 

Kees: “Ad, vertel nog even over dat dansorkest van Het Concertgebouw……” 



Ad: “Bram de Wilde vertelde aan zijn collega’s: ‘Hij heeft een eigen orkest en hij weet wat van die jazzmuziek af.’ Ze antwoorden: ‘Vraag maar of die jongen wil komen.’ Het was in 1943, ik was toen ongeveer achttien jaar. Ik ben op de repetities van het dansorkest gekomen en heb hen verteld hoe je jazz moet spelen. Ze hadden een druk bezet leven. Elke morgen repeteren, ’s middags meestal slapen want ’s avonds hadden ze concert. Het was in de tijd van Willem Mengelberg. Dat was hard aanpakken, hun dansorkest is eigenlijk snel ter zielen gegaan.” 


Kees: “Zocht jij zelf je mensen uit voor jouw eigen orkestje?” 

Ad: “Ja.Ik had drie trompetten twee trombones en vier saxen. Samen met piano drums bas en gitaar is dat dertien man en er kwam ook nog een zangeresje bij.” 

Kees: “Hoeveel studeerde je in die tijd?” 

Ad: “Heel veel. Ik heb ontzettend veel gestudeerd. De pedagogie die tegenwoordig wordt toegepast door de leraar, de dingen die ze kunnen vertellen, die ze weten te vertellen, dat was in mijn tijd niet.” 

Kees: “Je speelde bij De Skymasters, zei je….” 

Ad: “Ja, eerst bij De Skymasters en daarna bij Het Metropoolorkest. Het Metropoolorkest was een orkest waar je in vaste dienst was. Ik was erg gefocused op die vaste baan bij de radio. Televisie bestond nog niet. De markt werd overspoeld met musici die wilde spelen en geld nodig hadden, er was onder hen veel werkeloosheid. Ik wilde op de radio komen, maar hoe? Ik wist het niet, totdat ik een keer ergens speelde en Benny Beer op me af kwam. Hij zei: ‘Ik vind je fijn klarinet spelen, ik zal eens kijken wat ik voor je kan doen.’ Benny Beer zat bij Het Metropoolorkest. Pas naderhand is er een drummer van De Skymasters gekomen die mij bij Bep Rowold voorgesteld heeft omdat Piet Scheffer daar weg ging. Die drummer was Martin Beekman, hij leeft nog.” 

Kees: “Speelde je in het orkest als hoofdinstrument saxofoon?” 

Ad: “En klarinet. Ik was de Clarinet-Lead bij De Skymasters, we speelden Glenn Miller muziek.Dat vond ik de mooiste nummers. We speelden ook wel eens een Wiener Wals, daar zat een prachtige partij in voor de Clarinet-Lead. Verder speelden we de Benny Goodman Story. Ik was tweede klarinet, plaatsvervangende eerste maar dat vond ik helemaal niet erg want Cees Verschoor speelde fantastisch klarinet. Naderhand ben ik wel vaste eerste geworden.

Ad van den Hoed platenlabel INELCO


Kees: “In je loopbaan bij De Skymasters en Het Metropoolorkest heb je meegemaakt dat er de beroemdste solisten van over de hele wereld werden uitgenodigd. Had je wel eens contact met hen?” 

Ad: “Ja, met name Buddy DeFranco (1923). Iedereen zat zijn instrument nog aan te blazen, we moesten nog beginnen, toen hij naar me toe kwam en tegen me zei: ‘You are a real clarinet player.’ Buddy DeFranco was erg goed. Afgelopen keer blies hij nog op Het North Sea Jazz Festival.” 



Kees: “Kon je nog wat leren van die solisten?” 

Ad: “Ja, door te luisteren hoe ze speelden: bijvoorbeeld All Hirt, Stan Getz en natuurlijk Buddy DeFranco.” 

Kees: “Vertel nog eens dat je te laat kwam op de repetitie van Het Metropoolorkest.” 

Ad: “Oh ja, dan kwam ik te laat doordat ik altijd in de pauze van het orkest aan het studeren was.” 

Kees: “Klarinet?” 

Ad: “Ja, ik studeerde klarinet in de Hoorspeelstudio of in studio 6. Ik had nooit zin in die foyer. Steeds ging ik kijken of de jongens nog niet zaten en dan ging ik door met studeren. Het kwam wel eens voor dat ik te laat was. Dolf van der Linden onze dirigent vroeg: ‘Waar zit je dan? Voortaan kom ik je wel halen.’ Ik vond het geweldig dat hij dat deed, maar hij wist dat hij altijd op me kon rekenen als Cees Verschoor ineens niet kwam. Ik had zijn partijen nooit gespeeld maar wel mee gelezen. Ik lees analytisch de volgorde van de akkoorden en daardoor sla ik het toch wel een beetje op.”



Kees: “In welke programma’s zaten jullie met het orkest?” 

Ad: “Metro’s Midnight Music voor de radio, Music All In voor de televisie en later Music Gallery toen Rogier van Otterloo bij ons kwam dirigeren. Andere solisten kwamen, zoals Tony Bennett, Astrid Gilberto en ook Charles Aznavour. De solisten waren altijd de hele week bij ons, waarvan één dag in de week opname met publiek voor Music Gallery. Op een andere dag in die week deden we meestal nog een radio opname, ze waren er dan toch. Later begonnen die solisten hun eigen drummer, pianist, eerste trompettist en eerste alt mee te nemen, want ‘die gaven het goed aan.’ De solist hoefde dan niet te zeggen: ‘Komt die inzet wel?’ Dolf was het daar helemaal niet mee eens: ‘Die jongens van mij kunnen ook goed inzetten, ik heb die anderen echt niet nodig.’” 

Kees: “Jullie waren niet anders gewend.” 

Ad: “Ja, dat was ons vak toch! Maar ja, het was dan misschien een modernere drummer. Ik vond het wel sneu voor onze eigen jongens omdat je ze toch in bescherming wilt nemen. We hadden veel lol met elkaar in het orkest. Dolf zei wel eens: ‘Jongens nou allemaal wegwezen, jullie hebben lekker gespeeld maar wat zijn jullie weer druk, jullie maken er hier een soort Efteling van.’” 

In de volgende aflevering vertelt Ad verder over zijn kwartet en zijn platen en over zijn tegenwoordige bezigheden.



Aflevering 2

Ad van den Hoed (1925) speelt vanaf zijn zestiende bijna iedere dag een paar uur klarinet. Vijfenzestig jaar lang dus. Reken eens uit hoeveel uur dat totaal is. De zomer mag je er dan niet bij tellen. Ad: “Dan hang ik hem aan de wilgen.” Doordat Ad zo gek is op zijn vak, zo ongelooflijk veel klarinet heeft gestudeerd en zo veel bijzondere concerten heeft gegeven is zijn kennis en ervaring van onschatbare waarde. Klassiek klarinet geschoolde vaklui zijn er veel, keus genoeg, maar een echte jazz klarinettist…..? In de tweede aflevering van het interview met Ad vertelt hij over zijn kwartet, de platencontracten, improvisatietechnieken, het lesgeven, zijn huidige klarinet activiteiten en nog veel meer. 

Kees: “Hoe kon je het Metropoolorkest met je kwartet combineren?” 

Ad: “Dat was soms moeilijk, ik moest ook wel eens afzeggen.” 

Kees: “Repeteerden jullie op vaste tijden met je kwartet?” 

Ad: “We repeteerden eerlijk gezegd niet zoveel. Als ik een aardig nummer had gehoord, schreef ik het op. Ik zocht de stukken uit die bij ons pasten We namen het even door, en als we het een leuk stuk vonden hielden we het erbij. Ik zei tegen Rinus: ’Maak jij een intro-tje’ en dan zette ik in. Het volgende nummer begon ik en wisten ze dat zij in moesten zetten. We spraken de dingen wel af maar er staat geen noot van op papier. We maakten in die tijd veel platen. Eerst moesten er acht nummers op. Naderhand twaalf en toen zelfs zestien, op iedere kant acht dus. ” 

Kees: “Had je een mapje voor de optredens waar de stukken in stonden?” 

Ad: “Nee, ik nam nooit een map mee. Ik speelde de hele avond uit m’n hoofd, de jongens ook, niemand had wat bij zich.” 



Kees: “Hoe kwamen jullie er de eerste keer toe om een LP op te nemen?” 

Ad: “In die tijd kwam de directeur van Bovema, His Masters Voice, meneer van Oord naar me toe en vroeg me om een EP op te nemen. Dat was wat jongens….. Voor afspraken moest ik naar hem toe. Daar aangekomen was meneer van Oord er niet. Zie je wel, dacht ik, ik kon het al niet geloven. Ik moest bij de procuratiehouder mijnheer Rutten komen, een keurig nette man. Hij wilde even met me praten: ‘Meneer Oord kan niet, maar ik heb hier alle gegevens, zo’n contract heb ik nog nooit gezien: U mag spelen wat U wilt en U moet maar zeggen wat we moeten betalen’. Normaal was dat honderd twintig gulden de man, maar voor de jongens dorst ik honderd vijftig gulden te zeggen en zelf hoefde ik niets, ik wilde Royalties. Baat het niet dan schaadt het niet, dacht ik. Mijn eerste plaat heette: ‘Kwartet Ad van den Hoed’ met een foto waarop ik in m’n overhemd zit. Daarna ben ik naar een andere maatschappij gegaan. Ik ging naar Inelco, dat was Capitool en Vintage: het jazzlabel. Deze platenmaatschappij ging direct de distributie doen met acht landen in Europa. Dat was Dikke Mik.” 



Kees: “ Waren jullie veel te beluisteren op de radio?” 

Ad: “Ik heb een top gehad van vijftien keer per dag. Dat is hoog. Je werd steeds in allerlei radioprogramma’s ingedeeld, dat wist je zelf niet, daar vroeg je ook niet naar, maar daardoor kreeg je wel bekendheid. Ook had ik interviews op de radio met bijvoorbeeld Edwin Rutten en Koos Posthuma.” 

Kees: “Op welke zenders was je kwartet te horen?” 

Ad: “Verschillende zenders, we hadden in die tijd alleen nog maar Hilversum één twee en drie en s’avonds zat ik bij de televisie op het testbeeld. Daar vroeg ik ook niet om hoor’. 


Kees: “Hoe vaak traden jullie op met het kwartet?” 

Ad: “Ongeveer drie keer in de week. Zeker vrijdag zaterdag en op zondagmiddag en soms wel eens door de week naast mijn diensten met het orkest.” 

Kees: “Was je wel eens gespannen als je ging optreden?” 

Ad: “Ik bagatelliseerde altijd met geintjes naar het publiek. Daarmee nam ik afstand, was tijdens optredens nooit zo nerveus, ik ging gewoon spelen.” 

Kees: “En tegenwoordig, speel je nog steeds na je pensionering, heb je alles nog paraat?” 

Ad: “Ja, alles zit nog steeds in de bol. Ik speel nog steeds, maar treed niet meer op. Ik wil niet dat ze zeggen: ‘Ik heb deze week Ad van den Hoed gehoord, maar die kan er ook maar beter mee ophouden’. ” 



Kees: “Treed je echt nooit meer op?” 

Ad: “Heel incidenteel.” 

Kees: “Met wie speel je dan?” 

Ad: “Met een amateur kwartet, mannen van rond de zestig jaar. Al vijf jaar repeteer ik met ze om ze de kunst van het weglaten te leren. Ik ontmoette ze tijdens een verjaardag en heb ze gezegd: ’Jullie spelen fijn, ik wil jullie wel eens coachen.’ Elke veertien dagen zijn we gaan repeteren. Ze gaan nu steeds beter spelen. We hadden laatst een optreden bij een goede vriend van me. Na afloop loop ik naar mijn auto en zie een echtpaar dat heel geïnteresseerd naar me heeft zitten luisteren. Ik schatte dat ze een jaar of zestig waren. Ik sprak ze aan: ‘Jullie waren een heerlijk publiek.’ Ze keken me aan: ‘Ahhh, meneer van den Hoed, wat hebben we genoten, wat zalig U gehoord te hebben.’ ‘Ja jongens, ik hoef van jullie het paspoort niet te vragen om te weten hoe oud jullie zijn, maar het is onze muziek.’ ‘Zegt U dat wel, meneer van den Hoed, het was fantastisch.’ Nou, dat vind ik leuk om te horen. Mensen die tegen me zeggen dat ze die muziek zo fijn vinden. Ze kunnen er bij praten, het is niet te hard.” 

Kees: “Je voelt je nog als een vis in het water met je klarinet?” 

Ad: “Ja, ja, ik hoef het voor het spelen niet te laten, eigenlijk gaat dat steeds makkelijker. De gekste dingen, het rolt zo uit mijn vingers. Die akkoorden dus, hè! Ik improviseer op mezelf, dan zeg ik tegen mezelf: ‘Begin nou eens een keer anders, nu op een bes, zie maar waar het schip strandt’, maar het strandt nooit, gek hè.” 

Kees: “Nu je het toch over het improviseren hebt, wil ik je daar een paar vragen over stellen. De akkoord schema’s van de nummers speel je uit je hoofd zei je, maar hoe heb je die in je op genomen?” 




Ad: “Nou, ik speel die nummers vaak….” 

Kees: “Maar laten we eens uitgaan van een nieuw nummer.” 

Ad: “Dan had ik het voor me liggen op een papiertje. Ik neem het heel gauw in me op, ik heb een fotografisch geheugen, maar wat je kunt dat vind je zelf allemaal niets bijzonders. Ten tweede hoor ik het en ten derde is het grote geheim: het kennen van je harmonieën, het verband tussen de akkoorden zien. Ik zeg het nu wel even alsof het zo eenvoudig is, maar doordat je die kennis van de akkoorden hebt is het improviseren een stuk makkelijker. Ik voel gewoon de harmonieën, ook als ik klassieke stukken speel.” 

Kees: “Speel je ook klassiek?” 

Ad: “ Ik vind klassiek klarinet spelen heel fijn. Dat doe ik o.a. met twee jongens: Dick Schallies en Hans Bonsel, de zoon van de bekende fluitist Adriaan Bonsel. We spelen bijvoorbeeld Brahms of Zemlinsky. Als de repetitie bijna afgelopen is begint Dick ineens een swing-intro te spelen en vult Hans hem aan op zijn cello. Dan spelen we een blues. Zo zijn we daar een keer mee begonnen en is dat altijd onze eindtune gebleven.” 



Kees: “Ik ben zo nieuwsgierig op welke manier je denkt terwijl je improviseert. Blijft de melodie in je gedachte terwijl je improviseert? Herken je de plaats waar je bent in het stuk aan de melodie of aan het akkoord schema?” 



Ad: “Ik weet altijd precies waar ik ben in het stuk terwijl ik improviseer. Ik hoor de melodie met de klank van het bijbehorende akkoord wat over gaat in het andere akkoord en weet daarbij direct de notennamen van ieder akkoord. Het is met de piano begonnen, het overbrengen van horizontaal, de toetsen naar verticaal, de klarinet. Om te beginnen is het belangrijk om te weten uit welke tonen een akkoord bestaat en vervolgens dat je weet waar een akkoord naar toe kan gaan. Het is bijvoorbeeld heel gek als A naar Es gaat. Die ene keer dat het zo is zou een uitzondering zijn en moet je extra opletten. 

Ad van den Hoed, Can't Help Lovin'that Man Of Mine


Kees: “Heb je nog wat tips om te improviseren?” 

Ad: “Pentatonisch (1-2-3-5-6), dat is altijd toepasbaar. Goodman deed dat ook heel veel. Laat in het begin niet alles horen wat je in huis hebt, want dan is het tweede chorus vervelend. Speel niet te veel noten uit het akkoord, laat niet je hele notenkennis horen. Houdt het rustig. Speel af en toe het plus (5) akkoord, het is dan zo mooi, het doet altijd weer zoveel.” 

Kees: “Je gebruikt het octaaf sprong ook veel…” 

Ad: “Ja, dat klinkt als een voorslag en ook de duodecime die kan je ook als voorslag gebruiken, waarbij je alleen maar de registerklep hoeft te gebruiken. Dat klopt zovaak binnen de akkoorden. Met dat eindeloze studeren heb ik dat allemaal uitgekiend.” 



Kees: “Zijn jouw improvisaties bij een bepaald nummer telkens weer anders?” 

Ad: “Soms wel, maar je valt altijd op bepaalde dingen terug., dat doen ze allemaal. Dat doet Benny Goodman, Buddy DeFranco, Eddie Danieëls. Dan zeg je: ‘jah, dat ken ik, dat heb ik al eens eerder gehoord,’ maar dat heeft Mozart ook. Reger, dat is ook zo’n rare componist, die heeft ook dingen: echt Reger! Je hoeft je er niet voor te schamen, zodat je iedere keer je improvisaties zou moeten veranderen, maar juist om het fris te houden voor de jongens speel ik soms andere chorussen. 

Kees: “Je speelt iedere dag klarinet, wat zijn je plannen voor vandaag?” 



Ad: “Ik vind het zalig om te doen, die klarinet. Vanmiddag ga ik bij Guus klassiek spelen en vanavond speel ik met gitaar en bas, meer niet. Altijd weer fijne stukken spelen en…..de ene keer zorg jij voor de kaas en de wijn en vanavond neem ik de kaas en de wijn mee.” 

Kees: “Dat is toch hartstikke leuk zo” 

Ad: “Ja, ik maak het zelf gezellig. Ik zeg wel eens tegen die jongens: ‘Je weet niet half hoe fijn wij het hebben.’ ‘Dat weten we wel,’ zeggen ze dan, maar springen er soms toch wel eens een beetje slordig mee om, vind ik. ” 


Kees: “Jij hebt veel meegemaakt in je leven ….” 

Ad: “Het wordt één optelsom van allerlei dingen, invloeden van buitenaf die je hebt mee gekregen en die toch indruk op je hebben gemaakt waardoor je ook veel meer waardeert van wat je hebt en wat je kunt. Het waarderen van de kleine dingen, dat heb ik van mijn vader. Hij zei altijd tegen me: ‘Ik ben apentrots op je, maar als je kapsones krijgt dan is daar het gat van de deur.’ Hij vond het fantastisch… ” 

Kees: “Wat is voor jou het verschil tussen een klarinet en een saxofoon? Jij speelt ze beiden.” 



Ad: Saxofoon is veel makkelijker, klarinet blaast over in het duodecime, saxofoon in het octaaf. Klarinet vind ik een uitdaging, saxofoon hoefde ik nauwelijks te studeren, dat ging zo gemakkelijk. Nu heb ik mijn saxofoon verkocht, die interesseerde me niet meer.” 



Kees: “Maar je had wel een geweldig mooie toon op je saxofoon.” 

Ad: “Ja, maar toen ik vroeger zoveel applaus kreeg met die saxofoon, had ik daar wel de pest over in. Als je door de klarinet gegrepen wordt is dat instrument een veel grotere uitdaging voor je.” 



Kees: ”Welk mondstuk gebruik je op je klarinet?” 

Ad: “Een B45 van Vandoren” 

Kees: “Je hebt een Buffet RC uit de Greenline serie, zonder het uitgebreide systeem. Waarom wil je die extra kleppen niet?” 

Ad van den Hoed, Rose Of Washington Square



Ad: “Goodman speelde toch ook zonder het uitgebreide systeem, waarom zou ik dan die extra kleppen wel nodig hebben.” 

Kees: “Heb je Benny Goodman wel eens ontmoet?” 

Ad: “Één keer heb ik naast hem gestaan. Ik wist niet wat ik tegen hem moest zeggen, ik vond het zo geweldig naast hem te staan. Ik heb nog een video van hem. Daarop zit hij z’n klarinet aan te blazen en te klooien met wat rieten. Zijn dochter vertelde dat haar vader wel 40 rieten op zijn hotelkamer had liggen. Zo’n man ben ik nooit geweest., ik zet er één op en spelen maar….” 



Kees: “Wat voor een klarinet had je vroeger?” 

Ad: “Ik speelde altijd op een heel mooie Selmer van 1950. Ik heb hem nog boven liggen. Dat instrument is een keer vreselijk gevallen toen we ergens met het kwartet optraden en is nooit meer goed geworden. Ik vond dat heel erg, alles was ontzet. Daarna heb ik op een Yamaha en Leblanc gespeeld en nu dan deze RC. De ringen op deze klarinet heb ik diep staan, ik voel graag het hout, maar dat is toch een kwestie van smaak.” 

Kees: “ Speel je lang op één riet?” 

Ad: “Na veertien dagen begin ik alweer met de volgende. Ik speel op twee en een half van Vandoren, uit het grijze doosje.” 

Kees: “Schuur je wel eens aan je rieten?” 

Ad: “Niet veel. Ik heb nu een systeem wat me uitstekend bevalt. Eerst speel ik op een nieuw riet. Na verloop van tijd begint het riet slap te worden en buigt het naar binnen. Ik buig hem dan iets terug en plak hem op het raam van mijn kamer. Vaak schijnt de zon er dan op! De volgende morgen, als het droog is, ga ik er weer op spelen en herhaal ik dat voor de tweede keer. Daarna is het riet goed en gebruik ik ze alle tien uit het doosje. Vroeger niet hoor! Als je een nieuw riet hebt, vind ik, heb je ook weer een nieuw instrument. Dat is het fijne aan ons vak.” 



Kees: “Heb je altijd veel les gegeven?” 

Ad: “Daar ben ik mee begonnen toen ik ongeveer vijf en twintig jaar was. Ik geef graag les en heb speciaal stencils over techniek en akkoorden voor mijn leerlingen gemaakt.” 

Kees: “Wat vind jij belangrijk om een leerling aan te leren?” 

Ad: “Het goed doorblazen tijdens loopjes en het binden van tonen.” 

Kees: “Als je terug kijkt op alles wat je gedaan hebt, zou je dan weer dit vak zijn in gegaan?” 

Ad: “Ja, dan werd ik weer musicus en dan was ik weer klarinet gaan spelen, nou en of….”




Ad van den Hoed, geboren in het jaar 1925, roept bij mij herinneringen op aan mijn jeugd. Mijn vader kocht LP’s van hem. Zijn klarinetspel staat in mijn geheugen gegrift. Ik probeerde hem na te spelen. Nooit had ik kunnen vermoeden, dat ik bijna 40 jaar later nog eens les van hem zou krijgen, maar dat is waar gebeurd. 
Ad is een aimabele, gezellige, gastvrije en geduldige man die ook wel een tikje ijdel is. Bovenal is Ad een vakman. Niet zo maar één, maar een hele goede, hij weet wat hij doet. Een musicus, klarinettist, een jazz-man pur sang, die streeft naar perfectie. Een echte jazz-klarinettist uit het goede hout gesneden, waarvan er in zijn klasse maar weinig ooit geweest zijn. Ik ben trots dat ik Mr. Clarinet, Ad van den Hoed in dit interview aan het woord kan laten.


Aflevering 1 

Dinsdagochtend 30 mei 2006 ben ik bij Ad thuis uitgenodigd in zijn woonplaats Abcoude, een dorp onder Amsterdam waar de tijd nog stil staat. Als Ad een bakkie koffie zet in de keuken raken we al gelijk aan de praat over toonsoorten en klarinetten. 

Kees: ‘Somebody Loves Me van Gershwin speel jij op de plaat in F, voor klarinet in één kruis maar in de pianoboeken staat het altijd in G. Dat is voor klarinet dan in drie kruizen.’ 

Ad: ‘De moeilijkheid ervan moet niet uit maken, Lady be Good staat ook in G. Belangrijk is, dat een nummer mooi klinkt in een bepaalde toonsoort.’ We hebben het terloops over Benny Goodman. Ad vertelt hoe ontzettend goed hij hem vindt, maar zegt dan: ‘Voor klassiek is het niet dat geluid wat ons voor ogen staat, dat vibrato erbij…’
 

Kees: ‘Wij zijn dat niet zo gewend met onze klarinet traditie.’ 

Ad:’Tegenwoordig heb ik een RC klarinet uit de Greenline serie van Buffet Crampon. Vroeger, vlak na de oorlog, kreeg ik nog wel eens een scheur in mijn klarinet. Bij deze klarinet is dat door het geperste hout met kunstof uitgesloten en hij weegt ook nog eens minder in vergelijking met een houten klarinet. Harry Bakker van de muziekwinkel in Muiderzand vertelde me dat scheuren tegenwoordig tot het verleden behoren.’ Ik vertel Ad over mijn nieuwe Leitner & Kraus klarinet, over hoeveel tonnen en bekers ik in Neustadt/Aisch uitgeprobeerd heb. 


Ad: ‘Het geluid zit aan de achterkant van het mondstuk, je hoort het: dat is die persoon en dat is die persoon. Als een leerling zegt, ‘mag ik eens op jouw klarinet spelen,’ dan zeg ik: ‘ja hoor, even je eigen mondstuk erop.’ Dan zeggen ze: ‘Ah, wat speelt die fijn en hij is ook licht van gewicht,’ maar dan denk ik: Zo kan die dus ook klinken…’ 

Onder het genot van een schaal koekjes, klaar gezet door Ad’s echtgenote Inge, beginnen we het interview.


Kees: “Ad, als je jou hoort spelen dan hoor je Ad van den Hoed, met niemand te vergelijken, je bent uniek.” 

Ad: ”Ja dat heb ik ook diverse keren van anderen gehoord. Het is een gegeven, je hoort het, het zijn toch mijn eigen loopjes terwijl ik toch de meest eenvoudige akkoorden gebruik die Jan en Alleman kan spelen.” 

Kees: ”Maar het is ook je timing.” 

Ad: “Ja dat is het.” 

Kees: “Omschrijf eens hoe dat klinkt, wat maakt het zo uniek?” 

Ad: “Ik denk dat het de eenvoud is, ieder keer als ik het ga analyseren met een leerling zegt hij of zij: ‘O, is het zo eenvoudig, d’r is niks aan.’ Ik laat de meeste noten van het akkoord weg en val vaak terug op 1-3-5 of 3-5-1 of 5-1-3 en het geraffineerde plusje. Ik denk dat dat het is. Dan speel ik van C septiem naar F, maar speel dan vlak voor dat F akkoord een gis in C septiem, dus even die gis er in en dan kom ik op F. Uit de zes tonen van de hele toonstoonladder (C-D-E-Fis-Gis-Bes) kun je ook twee plus akkoorden halen, C-E-Gis en D-Fis-Bes en je kunt die toonladder bijvoorbeeld ook in tertsen spelen. Het grappige daarvan is dat ik wel eens gedacht heb, dat je min of meer datgene prijsgeeft wat je vertelt of doet of mensen van je horen, ik kan dat nu rustig vertellen want ze doen het toch anders. Ik moet eigenlijk soms zeggen, Kees….ze doen het allemaal net precies verkeerd. Op het moment dat het niet meer kan, spelen ze het plus akkoord: jammer die gis, die had je er nou net uit moeten laten. Ze zeggen dan: ‘Maar Ad je had toch gezegd dat ik daar een plus moest spelen!’ Waar zit ‘m dat nou in? Het is het zelfde als wat een kok tegen je zegt: een beetje peper, een beetje zout een paar korrels dille of rozemarijn erin. Dan heb ik dat gedaan en vervolgens is het niet te eten. Ik zie zelfs nog kans om een ei te verknallen. Ik denk dus, dat ik herkenbaar ben in het gebruik van het plusakkoord.” 

Kees: “Maar gebruik je dat dan vaak?” 

Ad: “Nee, want als je het teveel gaat doen is het niet leuk meer. Als je elke keer patat eet, dan zeg je: ‘Ik zou nu wel eens een keer een korreltje rijst willen.’” 





Kees: “Tot nu toe hadden we het over jouw herkenbare stijl, daar hoort ook je herkenbare toon bij. In wat voor soort jazz kun je jou indelen?” 

Ad: “Daar heb ik gelijk een antwoord op. Ik noemde het zelf altijd Sophisticated Swing. Het is heel Sophisticated, beschaafd, je kunt erbij praten, je kunt er een glaasje wijn bij drinken, je kunt er op dansen, je kunt erbij eten en bij C&A kun je er ook een broek bij kopen. 

Kees: “Speelde je ook wel eens dixieland?”




Ad: “Ja, dat heb ik ook wel gespeeld. Ik heb dat altijd leuke muziek gevonden”. 



Kees: “Zijn je improvisaties wel eens uitgeschreven?” 

Ad: “Niets staat opgeschreven ik vraag me soms ook af wat ik in die solo’s gedaan heb. Ik heb één plaat waarop ik het nummer ‘Rose of Washinton Square’ speel. Dat stuk is in één keer opgenomen, een bestseller die eruit piekte, vond ik. Het was mijn eerste plaat en er viel meteen een Edison op, maar niet op dat nummer. Rinus van Galen (de pianist van het kwartet) vroeg aan mij: ‘Ad, zullen we To Close for Comfort opnemen?’ Waarop ik zei: ‘Dat is goed, maar ik ken dat nummer niet’ Rinus schreef het voor me op en we gingen het proberen. Juist met dat nummer heb ik een Edison gekregen. Dat is toch niet te geloven: ik heb het erop gezet omdat Rinus het vroeg en omdat ook die opname-man zei: ‘Dat is een leuk stuk’. 


Kees: ‘Hoe ben je bekend geworden met je kwartet?’ 

Ad: ‘Met die Edison was ik van de ene op de andere dag Ad van den Hoed. Ik bedoel het niet arrogant. Het was op een zaterdagavond, dat ik bij Grand Gala du Disque die Edison kreeg uitgereikt. Ik schrok er eigenlijk van, ik wist niet eens wat het was. 

Kees: ”In welk jaar was dat?” 

Ad: ”Het was in1961. Toen waren het nog die grote Edisons. Kijk, daar staat hij. Als je er een half uur mee in je hand staat zak je vanzelf wel in elkaar, die dingen zijn loodzwaar.” 

Kees: “Jij stond dus op het podium in die televisie uitzending met dat zware ding en dacht hoe houd ik het hiermee uit?” 

Ad: “Ja, ik kreeg hem van Wim Sonneveld. Ik kende Wim van zijn eerste plaat waarop ik meegespeeld had met De Koning van Lombardijen, Een Cent een Cent en Het Hondje van Dirk Witte.” 


Kees: “Nu even terug naar je jeugd. Waarom ging je klarinet spelen?” 

Ad: “Ik speelde piano en wilde pianist worden. Ik had een bandje: trompet, tenor, klarinet, piano, drum en bas. We oefenden altijd op zondag middag.” 

Kees: “Hoe oud was je toen?” 

Ad: ”Zestien of zeventien jaar.” 

Kees: “Had je toen al een klarinet?” 

Ad: “Nee, nog nooit in mijn mond gehad. We oefenden op zondagmiddag en Harry de klarinettist zei tegen me: ‘Mijn meisje vindt het niet goed dat ik elke zondagmiddag oefen.’ ‘Wat een flauwe kul,’ zei ik en die man viel als een baksteen voor mij. Ik heb toen zelf een klarinet weten te bemachtigen. Ik speelde al een klein beetje tenorsaxofoon. Benny Goodman hoorde ik zeer incidenteel bij iemand die toevallig een plaatje van hem had, want het was oorlog. In die tijd waren er veel saxofonisten en maar weinig klarinettisten. Als je er je beroep van wilde maken moest je een instrument kiezen wat anderen niet speelden. Zo ben ik toen klarinet gaan spelen en les gaan nemen.” 

Kees: “Bij wie ging je klarinetles nemen?” 

Ad: “De allereerste keer ging ik naar Hans Helmke, hij was solo klarinettist bij Het Concertgebouw. Het was een Duitser en hij speelde op een mooie klarinet: een Ludwig Warscheswki. Dat was toen het merk wat tegenwoordig Herbert Wurlitzer of nu ook Leitner en Kraus is. Ik heb nog nooit zo’n anti Duitser meegemaakt als hij was als Duitser. Hij vond het vreselijk.” 

Kees: “Hoe kwam je bij hem terecht, want bij zo iemand kom je niet één twee drie” 

Ad: “Dat weet ik echt niet meer. Ik weet nog wel dat hij een uniform had, want hij moest naar het Commandantur. Hij stond met zijn pistool voor me: ‘Ik schiet je dood’ zei hij dan, ‘Je saboteert. Du blaast en ik hoor helemaal niks. Het zijn allemaal rare geluiden. Vliegtuigen hoor ik maar geen klarinet.’ Ja, dat was een geinige man hoor. Hij was een goede pedagoog, maar voor de dienst moest hij ineens weg, ook bij Het Concertgebouw. Ik kreeg toen Bram de Wilde. Tot het einde van de oorlog heb ik veel les van hem gehad. Daarna ben ik bij Cees Verschoor gekomen, die naderhand naast me zat in Het Metropoolorkest. Het was een man waar ik ontzettend veel respect voor gehad heb. Tijdens de periode dat ik bij de Skymasters zat heb ik ook nog kort les gehad van Jos d’Hondt. Hij kon heel goed uitleggen hoe je klarinet moet spelen.” 

Kees: “Van Bram de Wilde had je klassiek klarinetles?” 

Ad: “Ja, ik kreeg altijd alleen maar klassiek les. Jazz had ik van mezelf en dat mocht daar niet op school. Als ik mijn klarinet aanblies met jazzloopjes, dan zei Bram de Wilde: ‘Dat mag niet hoor, dat vindt men hier niet goed’” 

Kees: “Je zat op school in Amsterdam?” 

Ad: “Ja, op het conservatorium, daar kreeg ik privé les van hem, maar soms ook in Het Concertgebouw. Dan zei hij: ‘Als je nou morgenmiddag komt, dan heb ik even een half uurtje pauze’. Dan kwam ik bij hem en zag ik die mensen van Het Concertgebouw, maar dat interesseerde me allemaal geen bal. Het maakte geen indruk op mij, want ik wilde geen klassiek spelen.” 

Kees: “Maar vond hij het zelf ook niet goed dat je jazz blies?” 

Ad: “Hij vond het juist wel heel fijn, want hij wilde steeds hebben dat ik die jazzloopjes deed voor hem en zo hebben ze bij Het Concertgebouw ook nog eens een blauwe maandag een dansorkest opgericht. Mijn eigen orkestje had ik inmiddels uitgebreid.” 

Kees: “Gingen jullie er ook mee verdienen?” 

Ad: “Nee, dat deed je nog niet. Je mocht eigenlijk helemaal niet spelen. Je had de Kulturkammer en daar was ik geen lid van, dat wilde ik niet. Het was een Duitse instelling: Kulturkammer. Ik trad ook niet op met het orkestje. Ik speelde wel eens voor vrienden, dan huurden we een zaaltje.” 

Kees: “Ad, vertel nog even over dat dansorkest van Het Concertgebouw……” 



Ad: “Bram de Wilde vertelde aan zijn collega’s: ‘Hij heeft een eigen orkest en hij weet wat van die jazzmuziek af.’ Ze antwoorden: ‘Vraag maar of die jongen wil komen.’ Het was in 1943, ik was toen ongeveer achttien jaar. Ik ben op de repetities van het dansorkest gekomen en heb hen verteld hoe je jazz moet spelen. Ze hadden een druk bezet leven. Elke morgen repeteren, ’s middags meestal slapen want ’s avonds hadden ze concert. Het was in de tijd van Willem Mengelberg. Dat was hard aanpakken, hun dansorkest is eigenlijk snel ter zielen gegaan.” 


Kees: “Zocht jij zelf je mensen uit voor jouw eigen orkestje?” 

Ad: “Ja.Ik had drie trompetten twee trombones en vier saxen. Samen met piano drums bas en gitaar is dat dertien man en er kwam ook nog een zangeresje bij.” 

Kees: “Hoeveel studeerde je in die tijd?” 

Ad: “Heel veel. Ik heb ontzettend veel gestudeerd. De pedagogie die tegenwoordig wordt toegepast door de leraar, de dingen die ze kunnen vertellen, die ze weten te vertellen, dat was in mijn tijd niet.” 

Kees: “Je speelde bij De Skymasters, zei je….” 

Ad: “Ja, eerst bij De Skymasters en daarna bij Het Metropoolorkest. Het Metropoolorkest was een orkest waar je in vaste dienst was. Ik was erg gefocused op die vaste baan bij de radio. Televisie bestond nog niet. De markt werd overspoeld met musici die wilde spelen en geld nodig hadden, er was onder hen veel werkeloosheid. Ik wilde op de radio komen, maar hoe? Ik wist het niet, totdat ik een keer ergens speelde en Benny Beer op me af kwam. Hij zei: ‘Ik vind je fijn klarinet spelen, ik zal eens kijken wat ik voor je kan doen.’ Benny Beer zat bij Het Metropoolorkest. Pas naderhand is er een drummer van De Skymasters gekomen die mij bij Bep Rowold voorgesteld heeft omdat Piet Scheffer daar weg ging. Die drummer was Martin Beekman, hij leeft nog.” 

Kees: “Speelde je in het orkest als hoofdinstrument saxofoon?” 

Ad: “En klarinet. Ik was de Clarinet-Lead bij De Skymasters, we speelden Glenn Miller muziek.Dat vond ik de mooiste nummers. We speelden ook wel eens een Wiener Wals, daar zat een prachtige partij in voor de Clarinet-Lead. Verder speelden we de Benny Goodman Story. Ik was tweede klarinet, plaatsvervangende eerste maar dat vond ik helemaal niet erg want Cees Verschoor speelde fantastisch klarinet. Naderhand ben ik wel vaste eerste geworden.

Ad van den Hoed platenlabel INELCO


Kees: “In je loopbaan bij De Skymasters en Het Metropoolorkest heb je meegemaakt dat er de beroemdste solisten van over de hele wereld werden uitgenodigd. Had je wel eens contact met hen?” 

Ad: “Ja, met name Buddy DeFranco (1923). Iedereen zat zijn instrument nog aan te blazen, we moesten nog beginnen, toen hij naar me toe kwam en tegen me zei: ‘You are a real clarinet player.’ Buddy DeFranco was erg goed. Afgelopen keer blies hij nog op Het North Sea Jazz Festival.” 



Kees: “Kon je nog wat leren van die solisten?” 

Ad: “Ja, door te luisteren hoe ze speelden: bijvoorbeeld All Hirt, Stan Getz en natuurlijk Buddy DeFranco.” 

Kees: “Vertel nog eens dat je te laat kwam op de repetitie van Het Metropoolorkest.” 

Ad: “Oh ja, dan kwam ik te laat doordat ik altijd in de pauze van het orkest aan het studeren was.” 

Kees: “Klarinet?” 

Ad: “Ja, ik studeerde klarinet in de Hoorspeelstudio of in studio 6. Ik had nooit zin in die foyer. Steeds ging ik kijken of de jongens nog niet zaten en dan ging ik door met studeren. Het kwam wel eens voor dat ik te laat was. Dolf van der Linden onze dirigent vroeg: ‘Waar zit je dan? Voortaan kom ik je wel halen.’ Ik vond het geweldig dat hij dat deed, maar hij wist dat hij altijd op me kon rekenen als Cees Verschoor ineens niet kwam. Ik had zijn partijen nooit gespeeld maar wel mee gelezen. Ik lees analytisch de volgorde van de akkoorden en daardoor sla ik het toch wel een beetje op.”




Kees: “In welke programma’s zaten jullie met het orkest?” 

Ad: “Metro’s Midnight Music voor de radio, Music All In voor de televisie en later Music Gallery toen Rogier van Otterloo bij ons kwam dirigeren. Andere solisten kwamen, zoals Tony Bennett, Astrid Gilberto en ook Charles Aznavour. De solisten waren altijd de hele week bij ons, waarvan één dag in de week opname met publiek voor Music Gallery. Op een andere dag in die week deden we meestal nog een radio opname, ze waren er dan toch. Later begonnen die solisten hun eigen drummer, pianist, eerste trompettist en eerste alt mee te nemen, want ‘die gaven het goed aan.’ De solist hoefde dan niet te zeggen: ‘Komt die inzet wel?’ Dolf was het daar helemaal niet mee eens: ‘Die jongens van mij kunnen ook goed inzetten, ik heb die anderen echt niet nodig.’” 

Kees: “Jullie waren niet anders gewend.” 

Ad: “Ja, dat was ons vak toch! Maar ja, het was dan misschien een modernere drummer. Ik vond het wel sneu voor onze eigen jongens omdat je ze toch in bescherming wilt nemen. We hadden veel lol met elkaar in het orkest. Dolf zei wel eens: ‘Jongens nou allemaal wegwezen, jullie hebben lekker gespeeld maar wat zijn jullie weer druk, jullie maken er hier een soort Efteling van.’” 

In de volgende aflevering vertelt Ad verder over zijn kwartet en zijn platen en over zijn tegenwoordige bezigheden.



Aflevering 2

Ad van den Hoed (1925) speelt vanaf zijn zestiende bijna iedere dag een paar uur klarinet. Vijfenzestig jaar lang dus. Reken eens uit hoeveel uur dat totaal is. De zomer mag je er dan niet bij tellen. Ad: “Dan hang ik hem aan de wilgen.” Doordat Ad zo gek is op zijn vak, zo ongelooflijk veel klarinet heeft gestudeerd en zo veel bijzondere concerten heeft gegeven is zijn kennis en ervaring van onschatbare waarde. Klassiek klarinet geschoolde vaklui zijn er veel, keus genoeg, maar een echte jazz klarinettist…..? In de tweede aflevering van het interview met Ad vertelt hij over zijn kwartet, de platencontracten, improvisatietechnieken, het lesgeven, zijn huidige klarinet activiteiten en nog veel meer. 

Kees: “Hoe kon je het Metropoolorkest met je kwartet combineren?” 

Ad: “Dat was soms moeilijk, ik moest ook wel eens afzeggen.” 

Kees: “Repeteerden jullie op vaste tijden met je kwartet?” 

Ad: “We repeteerden eerlijk gezegd niet zoveel. Als ik een aardig nummer had gehoord, schreef ik het op. Ik zocht de stukken uit die bij ons pasten We namen het even door, en als we het een leuk stuk vonden hielden we het erbij. Ik zei tegen Rinus: ’Maak jij een intro-tje’ en dan zette ik in. Het volgende nummer begon ik en wisten ze dat zij in moesten zetten. We spraken de dingen wel af maar er staat geen noot van op papier. We maakten in die tijd veel platen. Eerst moesten er acht nummers op. Naderhand twaalf en toen zelfs zestien, op iedere kant acht dus. ” 

Kees: “Had je een mapje voor de optredens waar de stukken in stonden?” 

Ad: “Nee, ik nam nooit een map mee. Ik speelde de hele avond uit m’n hoofd, de jongens ook, niemand had wat bij zich.” 



Kees: “Hoe kwamen jullie er de eerste keer toe om een LP op te nemen?” 

Ad: “In die tijd kwam de directeur van Bovema, His Masters Voice, meneer van Oord naar me toe en vroeg me om een EP op te nemen. Dat was wat jongens….. Voor afspraken moest ik naar hem toe. Daar aangekomen was meneer van Oord er niet. Zie je wel, dacht ik, ik kon het al niet geloven. Ik moest bij de procuratiehouder mijnheer Rutten komen, een keurig nette man. Hij wilde even met me praten: ‘Meneer Oord kan niet, maar ik heb hier alle gegevens, zo’n contract heb ik nog nooit gezien: U mag spelen wat U wilt en U moet maar zeggen wat we moeten betalen’. Normaal was dat honderd twintig gulden de man, maar voor de jongens dorst ik honderd vijftig gulden te zeggen en zelf hoefde ik niets, ik wilde Royalties. Baat het niet dan schaadt het niet, dacht ik. Mijn eerste plaat heette: ‘Kwartet Ad van den Hoed’ met een foto waarop ik in m’n overhemd zit. Daarna ben ik naar een andere maatschappij gegaan. Ik ging naar Inelco, dat was Capitool en Vintage: het jazzlabel. Deze platenmaatschappij ging direct de distributie doen met acht landen in Europa. Dat was Dikke Mik.” 



Kees: “ Waren jullie veel te beluisteren op de radio?” 

Ad: “Ik heb een top gehad van vijftien keer per dag. Dat is hoog. Je werd steeds in allerlei radioprogramma’s ingedeeld, dat wist je zelf niet, daar vroeg je ook niet naar, maar daardoor kreeg je wel bekendheid. Ook had ik interviews op de radio met bijvoorbeeld Edwin Rutten en Koos Posthuma.” 

Kees: “Op welke zenders was je kwartet te horen?” 

Ad: “Verschillende zenders, we hadden in die tijd alleen nog maar Hilversum één twee en drie en s’avonds zat ik bij de televisie op het testbeeld. Daar vroeg ik ook niet om hoor’. 



Kees: “Hoe vaak traden jullie op met het kwartet?” 

Ad: “Ongeveer drie keer in de week. Zeker vrijdag zaterdag en op zondagmiddag en soms wel eens door de week naast mijn diensten met het orkest.” 

Kees: “Was je wel eens gespannen als je ging optreden?” 

Ad: “Ik bagatelliseerde altijd met geintjes naar het publiek. Daarmee nam ik afstand, was tijdens optredens nooit zo nerveus, ik ging gewoon spelen.” 

Kees: “En tegenwoordig, speel je nog steeds na je pensionering, heb je alles nog paraat?” 

Ad: “Ja, alles zit nog steeds in de bol. Ik speel nog steeds, maar treed niet meer op. Ik wil niet dat ze zeggen: ‘Ik heb deze week Ad van den Hoed gehoord, maar die kan er ook maar beter mee ophouden’. ” 



Kees: “Treed je echt nooit meer op?” 

Ad: “Heel incidenteel.” 

Kees: “Met wie speel je dan?” 

Ad: “Met een amateur kwartet, mannen van rond de zestig jaar. Al vijf jaar repeteer ik met ze om ze de kunst van het weglaten te leren. Ik ontmoette ze tijdens een verjaardag en heb ze gezegd: ’Jullie spelen fijn, ik wil jullie wel eens coachen.’ Elke veertien dagen zijn we gaan repeteren. Ze gaan nu steeds beter spelen. We hadden laatst een optreden bij een goede vriend van me. Na afloop loop ik naar mijn auto en zie een echtpaar dat heel geïnteresseerd naar me heeft zitten luisteren. Ik schatte dat ze een jaar of zestig waren. Ik sprak ze aan: ‘Jullie waren een heerlijk publiek.’ Ze keken me aan: ‘Ahhh, meneer van den Hoed, wat hebben we genoten, wat zalig U gehoord te hebben.’ ‘Ja jongens, ik hoef van jullie het paspoort niet te vragen om te weten hoe oud jullie zijn, maar het is onze muziek.’ ‘Zegt U dat wel, meneer van den Hoed, het was fantastisch.’ Nou, dat vind ik leuk om te horen. Mensen die tegen me zeggen dat ze die muziek zo fijn vinden. Ze kunnen er bij praten, het is niet te hard.” 

Kees: “Je voelt je nog als een vis in het water met je klarinet?” 

Ad: “Ja, ja, ik hoef het voor het spelen niet te laten, eigenlijk gaat dat steeds makkelijker. De gekste dingen, het rolt zo uit mijn vingers. Die akkoorden dus, hè! Ik improviseer op mezelf, dan zeg ik tegen mezelf: ‘Begin nou eens een keer anders, nu op een bes, zie maar waar het schip strandt’, maar het strandt nooit, gek hè.” 

Kees: “Nu je het toch over het improviseren hebt, wil ik je daar een paar vragen over stellen. De akkoord schema’s van de nummers speel je uit je hoofd zei je, maar hoe heb je die in je op genomen?” 




Ad: “Nou, ik speel die nummers vaak….” 

Kees: “Maar laten we eens uitgaan van een nieuw nummer.” 

Ad: “Dan had ik het voor me liggen op een papiertje. Ik neem het heel gauw in me op, ik heb een fotografisch geheugen, maar wat je kunt dat vind je zelf allemaal niets bijzonders. Ten tweede hoor ik het en ten derde is het grote geheim: het kennen van je harmonieën, het verband tussen de akkoorden zien. Ik zeg het nu wel even alsof het zo eenvoudig is, maar doordat je die kennis van de akkoorden hebt is het improviseren een stuk makkelijker. Ik voel gewoon de harmonieën, ook als ik klassieke stukken speel.” 

Kees: “Speel je ook klassiek?” 

Ad: “ Ik vind klassiek klarinet spelen heel fijn. Dat doe ik o.a. met twee jongens: Dick Schallies en Hans Bonsel, de zoon van de bekende fluitist Adriaan Bonsel. We spelen bijvoorbeeld Brahms of Zemlinsky. Als de repetitie bijna afgelopen is begint Dick ineens een swing-intro te spelen en vult Hans hem aan op zijn cello. Dan spelen we een blues. Zo zijn we daar een keer mee begonnen en is dat altijd onze eindtune gebleven.” 



Kees: “Ik ben zo nieuwsgierig op welke manier je denkt terwijl je improviseert. Blijft de melodie in je gedachte terwijl je improviseert? Herken je de plaats waar je bent in het stuk aan de melodie of aan het akkoord schema?” 



Ad: “Ik weet altijd precies waar ik ben in het stuk terwijl ik improviseer. Ik hoor de melodie met de klank van het bijbehorende akkoord wat over gaat in het andere akkoord en weet daarbij direct de notennamen van ieder akkoord. Het is met de piano begonnen, het overbrengen van horizontaal, de toetsen naar verticaal, de klarinet. Om te beginnen is het belangrijk om te weten uit welke tonen een akkoord bestaat en vervolgens dat je weet waar een akkoord naar toe kan gaan. Het is bijvoorbeeld heel gek als A naar Es gaat. Die ene keer dat het zo is zou een uitzondering zijn en moet je extra opletten. 


Kees: “Heb je nog wat tips om te improviseren?” 

Ad: “Pentatonisch (1-2-3-5-6), dat is altijd toepasbaar. Goodman deed dat ook heel veel. Laat in het begin niet alles horen wat je in huis hebt, want dan is het tweede chorus vervelend. Speel niet te veel noten uit het akkoord, laat niet je hele notenkennis horen. Houdt het rustig. Speel af en toe het plus (5) akkoord, het is dan zo mooi, het doet altijd weer zoveel.” 

Kees: “Je gebruikt het octaaf sprong ook veel…” 

Ad: “Ja, dat klinkt als een voorslag en ook de duodecime die kan je ook als voorslag gebruiken, waarbij je alleen maar de registerklep hoeft te gebruiken. Dat klopt zovaak binnen de akkoorden. Met dat eindeloze studeren heb ik dat allemaal uitgekiend.” 



Kees: “Zijn jouw improvisaties bij een bepaald nummer telkens weer anders?” 

Ad: “Soms wel, maar je valt altijd op bepaalde dingen terug., dat doen ze allemaal. Dat doet Benny Goodman, Buddy DeFranco, Eddie Danieëls. Dan zeg je: ‘jah, dat ken ik, dat heb ik al eens eerder gehoord,’ maar dat heeft Mozart ook. Reger, dat is ook zo’n rare componist, die heeft ook dingen: echt Reger! Je hoeft je er niet voor te schamen, zodat je iedere keer je improvisaties zou moeten veranderen, maar juist om het fris te houden voor de jongens speel ik soms andere chorussen. 

Kees: “Je speelt iedere dag klarinet, wat zijn je plannen voor vandaag?” 



Ad: “Ik vind het zalig om te doen, die klarinet. Vanmiddag ga ik bij Guus klassiek spelen en vanavond speel ik met gitaar en bas, meer niet. Altijd weer fijne stukken spelen en…..de ene keer zorg jij voor de kaas en de wijn en vanavond neem ik de kaas en de wijn mee.” 

Kees: “Dat is toch hartstikke leuk zo” 

Ad: “Ja, ik maak het zelf gezellig. Ik zeg wel eens tegen die jongens: ‘Je weet niet half hoe fijn wij het hebben.’ ‘Dat weten we wel,’ zeggen ze dan, maar springen er soms toch wel eens een beetje slordig mee om, vind ik. ” 



Kees: “Jij hebt veel meegemaakt in je leven ….” 

Ad: “Het wordt één optelsom van allerlei dingen, invloeden van buitenaf die je hebt mee gekregen en die toch indruk op je hebben gemaakt waardoor je ook veel meer waardeert van wat je hebt en wat je kunt. Het waarderen van de kleine dingen, dat heb ik van mijn vader. Hij zei altijd tegen me: ‘Ik ben apentrots op je, maar als je kapsones krijgt dan is daar het gat van de deur.’ Hij vond het fantastisch… ” 

Kees: “Wat is voor jou het verschil tussen een klarinet en een saxofoon? Jij speelt ze beiden.” 



Ad: Saxofoon is veel makkelijker, klarinet blaast over in het duodecime, saxofoon in het octaaf. Klarinet vind ik een uitdaging, saxofoon hoefde ik nauwelijks te studeren, dat ging zo gemakkelijk. Nu heb ik mijn saxofoon verkocht, die interesseerde me niet meer.” 



Kees: “Maar je had wel een geweldig mooie toon op je saxofoon.” 

Ad: “Ja, maar toen ik vroeger zoveel applaus kreeg met die saxofoon, had ik daar wel de pest over in. Als je door de klarinet gegrepen wordt is dat instrument een veel grotere uitdaging voor je.” 



Kees: ”Welk mondstuk gebruik je op je klarinet?” 

Ad: “Een B45 van Vandoren” 

Kees: “Je hebt een Buffet RC uit de Greenline serie, zonder het uitgebreide systeem. Waarom wil je die extra kleppen niet?” 



Ad: “Goodman speelde toch ook zonder het uitgebreide systeem, waarom zou ik dan die extra kleppen wel nodig hebben.” 

Kees: “Heb je Benny Goodman wel eens ontmoet?” 

Ad: “Één keer heb ik naast hem gestaan. Ik wist niet wat ik tegen hem moest zeggen, ik vond het zo geweldig naast hem te staan. Ik heb nog een video van hem. Daarop zit hij z’n klarinet aan te blazen en te klooien met wat rieten. Zijn dochter vertelde dat haar vader wel 40 rieten op zijn hotelkamer had liggen. Zo’n man ben ik nooit geweest., ik zet er één op en spelen maar….” 



Kees: “Wat voor een klarinet had je vroeger?” 

Ad: “Ik speelde altijd op een heel mooie Selmer van 1950. Ik heb hem nog boven liggen. Dat instrument is een keer vreselijk gevallen toen we ergens met het kwartet optraden en is nooit meer goed geworden. Ik vond dat heel erg, alles was ontzet. Daarna heb ik op een Yamaha en Leblanc gespeeld en nu dan deze RC. De ringen op deze klarinet heb ik diep staan, ik voel graag het hout, maar dat is toch een kwestie van smaak.” 

Kees: “ Speel je lang op één riet?” 

Ad: “Na veertien dagen begin ik alweer met de volgende. Ik speel op twee en een half van Vandoren, uit het grijze doosje.” 

Kees: “Schuur je wel eens aan je rieten?” 

Ad: “Niet veel. Ik heb nu een systeem wat me uitstekend bevalt. Eerst speel ik op een nieuw riet. Na verloop van tijd begint het riet slap te worden en buigt het naar binnen. Ik buig hem dan iets terug en plak hem op het raam van mijn kamer. Vaak schijnt de zon er dan op! De volgende morgen, als het droog is, ga ik er weer op spelen en herhaal ik dat voor de tweede keer. Daarna is het riet goed en gebruik ik ze alle tien uit het doosje. Vroeger niet hoor! Als je een nieuw riet hebt, vind ik, heb je ook weer een nieuw instrument. Dat is het fijne aan ons vak.” 



Kees: “Heb je altijd veel les gegeven?” 

Ad: “Daar ben ik mee begonnen toen ik ongeveer vijf en twintig jaar was. Ik geef graag les en heb speciaal stencils over techniek en akkoorden voor mijn leerlingen gemaakt.” 

Kees: “Wat vind jij belangrijk om een leerling aan te leren?” 

Ad: “Het goed doorblazen tijdens loopjes en het binden van tonen.” 

Kees: “Als je terug kijkt op alles wat je gedaan hebt, zou je dan weer dit vak zijn in gegaan?” 

Ad: “Ja, dan werd ik weer musicus en dan was ik weer klarinet gaan spelen, nou en of….”