‘Nol, jij en Ter moeten hier als de bliksem weg,’ zei Krijn. Door toeval waren de Duitsers, geholpen door Nederlandse rechercheurs, de verzetsgroep van Krijn Breur op het spoor gekomen van een huis aan de Nieuwe Herengracht in Amsterdam. Daar woonden Nol enTer, een jong echtpaar. Ze waren in juni 1940 getrouwd en waren direct in het verzet gegaan toen ze was gevraagd of ze ‘wat konden doen tegen die klerelijers’. Het is eind 1942. Hun dochtertje Ruth was anderhalf jaar oud. En was Ter opnieuw zwanger? Het werd kouder, de vorst stond voor de deur. Ze konden niet meer over straat. Er waren razzia’s.
‘Waren mijn ogen een bron van tranen,
dan zou ik dag en nacht wenen om de gevallen strijders van mijn dierbaar volk.’
Kleine Brammie, tenger jodenjochie, snikt het uit, Begrijpt het niet
Dat zijn makkers sarren en hem plagen, Hem bedotten en bespotten.
Moeder, vraagt hij, waarom scheldt men voor jood?
Luister Brammie lief:
Het lot van jodenkindertjes is niet vol zonneschijn,
Maar je zult het later goed begrijpen,
Als je groot bent dat je jood bent.
Goeie mensen doen ons joden geen kwaad.
Droog nou maar je traantjes, kameraad.
De joodse deelname aan het economische en sociale leven groeide niet meer in de jaren dertig. Joden bleven geconcen- treerd in traditionele beroepen, zoals marktkooplieden en straatventers, dieerg onder de armoede leden, groothande- laren en kleine winkeliers, waarmee het ook al niet erg goed ging, en f inanciers en bedrijfseigenaren in enkele industriële sectoren, die het soms beterdeden. Er waren ook relatief veel joodse artsen, juristen, onderwijskrachten en journalisten, omdat de sectoren waarin deze mensen werkten traditioneel weinig barrières opwierpen. In de politiekwaren joden lid van de liberale, sociaal-democratische en communistische partijen. Joden waren dun gezaaid in de christelijke partijen, die tot 1939 de scepter zwaaiden. De socialisten haddenveel invloed in de gemeenteraden van de grote steden, maar tot vlak voor de oorlog bezetten zij geen regeringsposities en hadden weinig in te brengen in de nationale politiek.
Daar stond tegenover dat gedurende de laatste jaren voor de oorlog sommige groepen in de Nederlandse bevolking positie- ver gingen denken over joden. Onder indruk van de gebeurtenissen inDuitsland en de vluchtelingenstroom verwierpen protestantse, maar ook katholieke individuen en groeperingen oude religieuze vooroordelen en begonnen met het bieden van hulp aan joodseslachtoffers van vervolging. In enkele economische sectoren konden meer joden op verschillende niveaus werk vinden, bijvoorbeeld in de margarineproductie, f inanciële diensten en detailhandel. Hoewel joden niet op ministersposten werden benoemd, leverden sommigen toch een bijdrage aan het nationale politieke beleid en de invoering open voor joden. Ze onderhielden ook in het dagelijksleven contacten met niet-joden. Ondanks de vooroordelen was er een sterk groeiend aantal gemengde huwelijken, dat wil zeg- gen met een joodse en een niet-joodse partner.
De volkstelling van 1930 bracht aan het licht dat de ont- kerkelijking onder joden groot was: tien jaar eerder hadden ruim drieduizend meer mensen gezegd dat ze lid waren van een joodse religieuzegemeente. Veel joden gingen niet naar de synagoge, ook niet meer op hoogtijdagen. Zij hadden de godsdienst afgezworen of hadden er gewoon geen behoefte meer aan. In plaats van religie gavenveel joden hun identiteit op een andere manier gestalte, onder andere door nauwe banden met andere joden, een af keer van traditioneel ver- boden voedsel zoals varkensvlees en een taalgebruik dat de één vulgair en de ander bloemrijk vond, bijvoorbeeld omdat sommige joden ‘wij bennen’ zeiden in plaats van ‘wij zijn’.
De joodse bevolking van Nederland in 1940 werd daar- door gekenmerkt door grote verscheidenheid. Er waren interne verschillen tussen stad en provincie, jong en oud, arm en rijk, ongeleerd en hoogopgeleid, liberaal en socialist, orthodox en ongelovig.
veelvormig joods verzet
Joden in Nederland reageerden daarom op verschillende manieren op de vervolging tijdens de bezetting. Ze getuig- den van hun geloof of cultuur. Ze lieten zich niet terrori- seren. Ze vochtenterug. Ze protesteerden. Ze schreven in illegale bladen. Ze hielpen die verspreiden, vaak met groot risico voor hun eigen veiligheid. Ze onttrokken zich aan de deportatie. Ze doken onder. Zezetten organisaties op om onderduikers bij te staan. Ze hielpen opgepakte joden ontsnappen. Ze pleegden aanslagen. Ze vormden of sloten zich aan bij niet-joodse verzetsgroepen. Jodenhoorden ook bij de voortrekkers van het gewapende verzet.
Deze reacties kwamen voor in alle lagen van de joodse bevolking. Een rabbijn zei vlak voor zijn executie: ‘[De Duitsers] zijn zo klein; ze kunnen ons joden niets doen, alleen afmaken enoch, het jodendom zal het fascisme wel overleven.’2 Een zakenman riep zijn voltallige personeel bij elkaar en verwierp luidkeels het idee dat je joden hun burgerrechten kon ontnemen – hijwerd gearresteerd en vermoord. Een reclameschilder knokte op straat met nationaal-socialisten – hij werd opgepakt en omgebracht. Een leraar vertelde zijn scholieren dat hij geen ster droeg, omdat hij de autoriteit van de bezetters niet erkende. Een bakker smokkelde mensen in zijn bakf iets uit verzamelde- pots voor deportatie. Een zionist zette een vluchtroute op naar neutraalgebied – hij werd aangehouden en nam zijn eigen leven. Een student richtte een verzetsgroep op die probeerde een deportatiecentrum in brand te steken – hij werd gepakt en geëxecuteerd. Eenfotograaf nam de leiding van een groep op zich – hij kwam om in een vuurgevecht.
Veel van dit joodse verzet had een typisch Nederlands karakter, in die zin dat het voortkwam uit of aansloot bij algemene ideeën en groeperingen waar de joden zich thuis voelden. Zoberiepen de zakenman en leraar, hierboven vermeld, zich op gangbare begrippen van burgerrecht en autoriteit. Anderen namen het voortouw in organisaties die voortkwamen uit devooroorlogse politieke stromingen. Ze maakten ook gebruik van contacten in groeperingen waar- van zij lid waren en zochten voor hun verzet medestrijders, wapens en explosieven bij niet-joden die zij voor de oorlog hadden leren kennen in hun dagelijks leven, studie en werk.
Toch had het joodse verzet ook een eigen identiteit. Het was verzet van slachtoffers. Het onderscheidde zich verder van het niet-joodse verzet doordat relatief veel joden deel- namen aanclandestiene activiteiten, inclusief gewapend verzet. Soms werkten ze geïsoleerd en lieten zich inspireren door hun eigen geloof en cultuur. Een ander verschil was dat joods verzet vroeg totontwikkeling kwam, dat wil zeggen voor juli 1942 en dus voordat het algemene verzet groeide naarmate de bevolking steeds meer getroffen werd door een opeenstapeling van Duitsemaatregelen en acties zoals executie van gijzelaars, rationering van goederen die essentieel waren voor het leven van alledag, inbeslagname van materialen en productiemiddelen voorDuitsland, verplichte arbeidsdienst voor mannen en razzia’s om de mannen op te pakken die zich probeerden te onttrekken aan de arbeidsinzet. Het joodse verzet was al in volle gang voordathet militaire verloop van de oorlog een positieve wending kreeg door de geallieerde landingen in Noord- Afrika en de beslissende veldslagen in Rusland.
Dit leidde tot een veelvormigheid van joods verzet. Soms werden die vormen bepaald door bewuste en overtuigde keuzes die mensen maakten. Sommigen gingen voor geweld. Veel anderenwaren niet gewelddadig of konden geen wapens vinden. Vaak was het joodse verzet niet of nauwe- lijks georganiseerd maar werd het intuïtief gepleegd. Of het kwam voort uit de wens totzelf behoud, een wil om de familie en de groep te beschermen. Of het was gewoon een resultaat van simpel toeval, bijvoorbeeld omdat je iemand tegenkwam die je kende en jou om hulp vroeg.Niet iedere jood kon kiezen of koos voor verzet als er wel een keuze was. Persoonlijke eigenschappen en omstandigheden speelden daarbij een rol. Het betekende echter niet dat joden de vervolging passief ondergingen. En dat laat het verhaal van Nol en Ter en hun vrienden zien.