Gelden: (Werkwoord) Betekent van toepassing zijn of van kracht zijn.
Voorbeeldzin: Deze aanbieding geldt alleen voor vandaag.
Autochtoon: (Zelfstandig naamwoord) Een persoon die geboren is in hetzelfde land of dezelfde regio als waar hij of zij woont.
Voorbeeldzin: De autochtone bevolking van dit dorp is hier al generaties lang gevestigd.
Allochtoon: (Zelfstandig naamwoord) Een persoon die niet in het land of de regio is geboren waar hij of zij woont.
Voorbeeldzin: De meeste inwoners van de stad zijn allochtoon en komen oorspronkelijk uit verschillende landen.
Xenofoob: (Bijvoeglijk naamwoord) Een negatieve houding of vijandigheid jegens vreemdelingen of buitenlanders.
Voorbeeldzin: Zijn xenofoob gedrag maakt het moeilijk voor hem om nieuwe vrienden te maken.
Regiolect: (Zelfstandig naamwoord) Een taalvariëteit of dialect dat kenmerkend is voor een specifieke regio of plaats.
Voorbeeldzin: Het regiolect dat hier wordt gesproken heeft veel unieke uitdrukkingen en uitspraakkenmerken.
Spontaan: (Bijvoeglijk naamwoord) Iets wat gebeurt zonder voorafgaande planning of overweging.
Voorbeeldzin: Haar spontane glimlach maakte de hele kamer blij.
Social talk: (Zelfstandig naamwoord) Gesprekken die gericht zijn op sociaal contact en het onderhouden van relaties, vaak niet direct gerelateerd aan zakelijke of formele onderwerpen.
Voorbeeldzin: Tijdens de lunchpauze genieten collega's van wat social talk om te ontspannen.
Sociolect: (Zelfstandig naamwoord) Een variant van een taal die wordt gesproken door een specifieke sociale groep, vaak gekenmerkt door bepaalde woordenschat en uitdrukkingen.
Voorbeeldzin: Het sociolect van jongeren kan aanzienlijk verschillen van dat van oudere generaties.
Standaardnederlands: (Zelfstandig naamwoord) De officiële en gestandaardiseerde vorm van de Nederlandse taal die wordt gebruikt in formele situaties en in onderwijs.
Voorbeeldzin: In academische papers wordt van je verwacht dat je het Standaardnederlands gebruikt.
Tongval: (Zelfstandig naamwoord) Een variant van een taal die wordt gesproken in een specifieke geografische regio, gekenmerkt door verschillen in uitspraak en woordgebruik.
Voorbeeldzin: Zijn tongval verraadt dat hij uit het zuiden van het land komt.
Mentaliteit: (Zelfstandig naamwoord) De manier waarop iemand denkt of zijn/haar houding ten opzichte van bepaalde zaken.
Voorbeeldzin: De mentaliteit van deze groep mensen is gericht op hard werken en doorzettingsvermogen.
Taalkundige: (Zelfstandig naamwoord) Een expert op het gebied van taalwetenschap die taal bestudeert en analyseert.
Voorbeeldzin: De taalkundige bestudeert de evolutie van taalstructuren door de geschiedenis heen.
Taalkunde: (Zelfstandig naamwoord) De wetenschappelijke studie van taal en zijn structuren, geschiedenis, evolutie en gebruik.
Voorbeeldzin: Taalkunde is een fascinerend vakgebied dat ons helpt de complexiteit van taal te begrijpen.
Een-op-eengesprek: (Zelfstandig naamwoord) Een gesprek tussen slechts twee personen.
Voorbeeldzin: Ik wil graag een een-op-eengesprek met je hebben om enkele belangrijke zaken te bespreken.
Aangewezen: (Bijvoeglijk naamwoord) Iets dat specifiek is aangeduid of aangewezen voor een bepaald doel.
Voorbeeldzin: De vergaderzaal is aangewezen voor onze bijeenkomst van vandaag.
Sowieso: (Bijwoord) In ieder geval; ongeacht wat er gebeurt.
Voorbeeldzin: Ik ben niet zeker of ik kan komen, maar ik zal sowieso mijn best doen.
Etnisch: (Bijvoeglijk naamwoord) Gerelateerd aan een bepaalde etnische groep of afkomst.
Voorbeeldzin: Het etnisch diverse festival viert de cultuur van verschillende gemeenschappen.
Etniciteit: (Zelfstandig naamwoord) De culturele, sociale, en vaak raciale identiteit van een bepaalde groep mensen.
Voorbeeldzin: Etniciteit kan een belangrijk aspect zijn van iemands identiteit en achtergrond.
Tussentaal: (Zelfstandig naamwoord) Een informele, meestal gesproken taalvariant die ergens tussen een dialect en de standaardtaal in ligt.
Voorbeeldzin: In sommige informele gesprekken gebruiken mensen een tussentaal die niet in officiële documenten wordt gebruikt.
Variëteit: (Zelfstandig naamwoord) Een verschillende vorm of verscheidenheid van iets.
Voorbeeldzin: Er is een grote variëteit aan smaken beschikbaar in dit ijssalon.
Hoegenaamd: (Bijwoord) Gebruikt om de nadruk te leggen op de ontkenning van iets.
Voorbeeldzin: Ik heb geen idee waar hij is, hoegenaamd.
Fundamenteel: (Bijvoeglijk naamwoord) Essentieel of van groot belang.
Voorbeeldzin: Het begrip lezen is fundamenteel voor de ontwikkeling van taalvaardigheden.
Authenticiteit: (Zelfstandig naamwoord) De kwaliteit van echt en origineel zijn.
Voorbeeldzin: De authenticiteit van het kunstwerk werd bevestigd door experts.
Authentiek: (Bijvoeglijk naamwoord) Echt, origineel, niet nagemaakt.
Voorbeeldzin: Het restaurant serveert authentieke Italiaanse gerechten bereid volgens traditionele recepten.