Alles is reusachtig aan olifantenlook:
Dit is geen knoflook, maar een eeuwenoude selectie uit wilde prei (Allium ampeloprasum var. Ampeloprasum), op heel dikke tenen en bollen.
De teelt lijkt wel goed op die van knoflook:
Plant in september/oktober om de 20 x 30 cm zo’n dikke teen, net onder de grond.
Het blad komt trager op dan dat van knoflook, maar forser. Vorst is geen probleem, natte grond wel. Mulch en wied om je planten voeding en ruimte te geven.
Strooi in april 100 g/m2 houtas, patentkali of vinasse-extract in de rij, en mulch van mei tot juli dunnetjes en regelmatig met grasmaaisel.
In april/mei kun je hele planten oogsten en eten als pittige prei. In mei/juni komen de lekkere jonge bloeistengels. De grote lila bloemen volgen: gebruik ze als snijbloem of eet ze in slaatjes. Vruchtbaar zaad komt er niet aan: dat vermogen is olifantenlook blijkbaar kwijtgeraakt.
Oogst de bollen in juli als twee derde van het blad vergeeld is. Je staat dan versteld van bollen die tot een kilo kunnen wegen, maar minder mag ook.
Olifantenlook heeft nog weinig of geen last van ziekten en plagen.
Elke bol bestaat uit vier tot zes even indrukwekkende tenen.
Die smaken milder dan knoflook, en pittiger dan ui en prei.
Uit één teen kweek je één bol. Knoflook heeft tot twintig tenen per bol, en laat zich zo snel vermenigvuldigen. Maar olifantenlook, met zijn gemiddeld vijf tenen, moet je jaren vermeerderen om behoorlijk wat planten te hebben – en je wil er ook nog van eten. Je snapt meteen waarom de plantgoedteelt van olifantenlook niet erg rendabel is en waarom je dus geen olifantentenen in het Velt-assortiment vindt.
Even lekkere alternatieven, met meer en kleinere bollen:
Oerprei is een zusje van olifantenlook, met kleine preitjes . Verkrijgbaar bij liefhebbers.
Kweek en eet ook biologisch (!) gekweekte sieruien van Allium ampeloprasum, zoals de rassen Ping Pong en Summer Drummer. Bloem, bol, loof: allemaal lekker.