Het Japanse gedrag tegen de achtergrond van het Japanse geloof en cultuur
De meeste westerlingen dachten bij Japan alleen aan: namaken van westerse artikelen, en een paar specifieke Japanse zaken zoals origami, hun papieren huizen, hun bonsai en hun kleding met kimono's. De Japanse cultuur is uiteraard veel breder gegrondvest.
Godsdienst.
De Japanse nationale godsdienst is het shinto. Volgens de Japanse godsdienst kan in elk mens, in elk voorwerp een geest -het hoogste- huizen. Er is geen verschil tussen het Japanse volk en het Japanse land zelf. Ze geloven dat de keizer van goddelijke afstamming is. De Japanner kent vergaande liefde voor zijn land, verering van de keizer, gehoorzaamheid aan de keizer. Vaderlandsliefde werd voor de Japanner de enige, werkelijke godsdienst. Japanners worden opgevoed als zouden ze superieur zijn aan andere volken en landen, dapperder, deugdzamer en intelligenter. Er was maar een levenswijze denkbaar, de hunne, de beste, ook andere volken moesten die levenswijze volgen.
Hij beschouwt het als zijn hoogste taak om in het leven zijn verplichtingen te vervullen tegenover de staat en zijn familie. In de eeuwen voor de oorlog was het land een paar eeuwen afgesloten van de buitenwereld. Het bewind kon zich slechts handhaven door iedereen scherp te bewaken. Zodoende waren Japanners gewend aan gehoorzaamheid en politiecontroles.
Krijgsgevangenen.
De Japanners hadden in hun hele geschiedenis nog nooit krijgsgevangenen gemaakt. Zij vonden, dat een strijder zich moest doodvechten. Mislukte dat, dat werd hij veelal door de overwinnaar gedood, als dat niet gebeurde kon hij -na krijgsgevangen te zijn geweest naar huis terugkeren maar daar werd hij dan ter dood gebracht omdat dat gezien werd als de enige manier waarop hij de schande kon uitwissen, die hij over zijn gezin, zijn overige verwanten en zijn voorouders had gebracht. Zij vonden krijgsgevangenen dus minderwaardige, verachtelijke wezens, waardeloze mensen ook, die voor het minste vergrijp zwaar gestraft moesten worden: buigingen, in het gezicht geslagen, afgeranseld met houten stokken stukken bamboe, ijzeren staven geweerkolven, getrapt, langdurige appels met urenlang in de houding staan, opgesloten in de brandende zon, geen post (daar hadden de weinige Japanse krijgsgevangenen zelf nooit behoefte aan gehad -schaamtegevoel voor het thuisfront- dus hoefden de westerlingen ook niet), collectieve straffen, afranselingen, beestachtige executies. De Japanners waren onberekenbaar, hardhandig, vernederend, met momenten van ware terreur.
Superioriteit
Overigens gedroegen de Japanners zich ook zo ten opzichte van hun minderen. En er waren uitzonderingen van Japanners die zich wel correct hebben gedragen.
Geinterneerden.
De Japanse houding in de interneringskampen paste bij hoe de Japanners toen leefden. De gehoorzaamheid, die in de Japanse samenleving van elke Japanner werd gevergd, werd vooropgesteld: geinterneerden moesten niet hun eigen zin volgen maar zich opgewekt en toegewijd schikken in hun lot: 'ordelijk leven' en 'zelftucht betrachten' opdat hun moreel niet daalt. Om dit te bereiken moeten zij uit vrije wil hun werkzaamheden verrichten - een merkwaardige formulering 'moeten' en 'uit vrije wil', maar voor de Japanners was dat geen tegenstelling: het 'moeten', de plicht, werd er bij hen zo ingehamerd dat wat voorschrift was geweest, de vorm aannam van een eigen wilsbesluit. Verder vonden de Japanners dat de geinterneerden dankbaar moesten zijn: zij waren waardeloze mensen, die hun vaderland waren verloren en dus nergens meer recht op hadden
Gedragsregels.
Japanners kennen veel gedragsregels, o.a buigen voor alles waarvoor je "dank u"moet zeggen, de mate van buiging geeft aan hoe men tot elkaar stond. Die gedragsregels gaven de Japanners een gevoel van veiligheid, hij wist waar hij aan toe was. De gevangenen reageerden juist obstinaat als ze moesten buigen, dat snapten de Japanners niet en leidde tot irritatie en straffen.
Keizer
De Japanners geloofden dat zij veel verplichtingen hadden t.o.v. de keizer, aan wie zij alles te danken hadden wat hun dagelijks werd verstrekt. Dat de gevangenen niet dankbaar waren voor hun onderdak en eten was in de ogen van de Japanners een teken van grove ondankbaarheid.
Rechten en plichten.
Japanners vonden dat de gevangenen vooral plichten hadden. De geinterneerden vonden, dat zij bepaalde rechten hadden op basis van de Conventie van Geneve.
Huwelijk
In Japan werd de huwelijkspartner meestal door de familie gekozen, het gevoel speelde een ondergeschikte rol en men vond het ongepast dat gehuwden in aanwezigheid van derden lichamelijk contact hadden, bv. elkaar kusten. Toen in dec. 42 sprake zou zijn van bezoeken aan mannelijke geinterneerden werd tevoren aan de echtgenotes, kinderen, vaders en moeders gezegd dat "omarmingen en het geven van zoenen absoluut verboden waren.
Dagelijkse bezigheden
In Japan was het gewoon, om zich voor het baden in aanwezigheid van anderen zich uit te kleden. Soms liepen Japanse mannen -als het warm was - binnenshuis naakt rond. Dat was voor de geinterneerde vrouwen, als ze dat zagen, een grote schok.
Vrouwen.
Vrouwen hebben in de Japanse cultuur een lage status, terwijl de Nederlandse vrouwen in de kampen juist zelfbewuste vrouwen waren, die gewend waren een huishouding met personeel te leiden.
Taalverschil.
Soms kwam het onberekenbare ook door een taalmisverstand, of omdat de meeste Japanners konden niet uit het hoofd rekenen, alleen met een telraam, en dat gaf ook problemen als ze de gevangenen moesten tellen. Het was een hoge uitzondering dat een Japanner het Nederlands meester was of andersom.
Japanse les in het kamp
c. 15 juni 1942, Dagboek Otto van Lingen, p. 3
...Maandag 15 dezer begin ik serieus aan Jap. lessen; wie weet waarvoor ik 't nog noodig zal hebben. Ik ga me er werkelijk ernstig op toeleggen; heb er ook alle tijd voor....
1 sept. 1942, p. 32 "Ik heb eindelijk na +- 3 mnd. den knoop doorgehakt en het Japansch opgegeven; het vergde teveel van mijn hersens en van mijn geheugen; die absoluut onbekende klanken kon ik maar niet onthouden".
De Japanners voelden zich superieur boven al die armzalige blanken en vrijwel alle blanken koesterden een haat en minachting jegens de Japanners. Zij ervoeren voorschriften die voortvloeiden uit het Japanse cultuurpatroon als volslagen willekeur. Er stonden twee werelden, twee culturen tegenover elkaar. Tussen de kampbewakers en de gevangenen bestond een kloof tussen levensopvatting en levenshouding, en geen van beide partijen deed moeite de ander te begrijpen