De verschillende bevolkingsgroepen in Nederlands-Indie
In de bevolking van Nederlands-Indie konden 4 groepen worden onderscheiden. Er werd verschil gemaakt tussen de oorspronkelijke bevolking, die als rasverwant aan het Japanse volk werd gezien en de vijand: de Nederlanders en de geallieerden. Met de eersten moest men samenwerken, de anderen moesten zo snel mogelijk aan invloed inbinden.
- De kleine groep volbloed-Nederlanders ('Belanda totok') vormde de elite; zij beheerst de topposities in de overheid (het Binnenlands Bestuur, de rechterlijke macht en het KNIL) en in het economische leven (de handelsondernemingen en de grote cultures). Zij werden gelijk geinterneerd want zij waren voor de Japanners de grootste vijand. Eerst de bestuurders, toen de mannen tussen 17 en 60 en daarna de vrouwen, kinderen en oudere mannen. NB. Duitse blanken werden vrijgelaten.
- de Indiers of Indisch-Nederlanders: Nauw aan de blanke, Nederlandse toplaag gelieerd en zich daarmee sterk identificerend is de groep der Indo-Europeanen, degenen met zowel Indonesische als Europese voorouders. Hun juridische status is weliswaar gelijk aan die van de totoks, maar hun sociaal-economische mogelijkheden zijn heel wat beperkter. Voor Indo-europeanen zijn voornamelijk de lagere functies bij de overheid, de staatsbedrijven en de grote cultures weggelegd. Zij komen op de arbeidsmarkt in het gedrang door de toevloed van goed opgeleide Indonesische arbeidskrachten en zij zijn het die de invloed van de economische crisis van de jaren '30 het meest voelen.
De meesten waren anti-Japans en voor het Nederlands gezag. De militairen, de Indisch-Nederlanders die in het KNIL hadden meegevochten kwamen direct in krijgsgevangenkampen. Maar ook de burger Indisch-Nederlanders kwamen in interneringskampen terecht, dat wil zeggen op alle eilanden behalve op Java. Alleen op Java was er een uitzondering. Waarschijnlijk omdat de Japanners op Java zich geen raad wisten met de burger Indisch-Nederlanders (200.000 op Java). Gebrek aan plaats, aan bewaking en voedsel. Misschien ook waren ze nog nodig in hun baantjes en waren ze zo snel niet te vervangen door inheemsen. Het liefst hadden de Japanners hen ook geinterneerd, maar omdat het er teveel waren kozen ze voor "uitdunnen": men werd ingedeeld naar bloedgroep: mensen met meer dan 50 % westers bloed werden meteen geinterneerd (Registratieplicht 1942). Er zijn 8 groepen:
groep 1: totok-vader en Indo-moeder
groep 2: totok-moeder en Indo-vader
groep 3: Indo-vader en Indo-moeder
groep 4: totok-vader en Indonesische moeder
groep 5: totok-vader en totok-moeder maar in Indie geboren
groep 6: Indonesische vader en totok-moeder
groep 7. Indonesische vader en Indo-moeder
groep 8. Indonesische vader en moeder van andere Aziatische nationaliteit.
Luus van Lingen (1882), Arie Bakker en Lucie (1912)
Wat vooral doorslaggevend was was de kleur van de ogen en van het haar. De groepen 1, 2 en 5 zouden het snelst worden geinterneerd.
De Indisch-Nederlanders kregen in 1943 de kans om te bewijzen dat zij Indonesier (Aziaat) waren. Als bewijs voor Indonesische herkomst was soms de foto van een oude baboe voldoende. Werden zij als als Indonesier erkend, dan zouden ze worden vrijgelaten. Maar in het algemeen voelden de Indische-Nederlanders er niets voor om als Aziaat erkend te worden: men vertrouwde de Japanners niet, dacht zonder werk te komen en was in die periode (civiele fase) dan beter af in de kampen. Bovendien was deze groep erg trouw aan Nederland en keek neer op het omgaan met Indonesiërs. De verwachting van Japan, nl. dat de Indische Nederlanders zich massaal als Aziaat zouden laten erkennen en begrip zouden tonen voor de ontwikkeling in de richting van de onafhankelijkheid van Indie kwam niet uit.
Over bloedverwantschap
Dagboek Otto van Lingen, 3 juni 1942, p. 4:
Overigens is een 100-tal van ons, dat zich als Indo-Europeaan heeft opgegeven, naar een speciaal kamp voor Indo-Eur. gegaan. Het door de J. aangegeven criterium was dat je daarvoor tot ten hoogste in je grootouders Inheemsch bloed moet hebben. Aangezien ik dat van mijn grootouders niet weet, en me overigens nooit als Indo-Eur. beschouwd heb, ben ik bij de Eur. gebleven. Maar vraag eens aan Em, van welken landaard mijn grootouders-grootmoeder waren. Ik meen me de naam te herinneren van mama Tjang en dat zal wel op een Ind. oorsprong duiden.
Al met al was er een kleine groep van c. 200.000 Indische Nederlanders die niet was geinterneerd. Zij werden aangezet om zich in te zetten voor Japan: voor een deel waren ze immers van Indonesische afkomst, dus mede-Aziaten. De Japanners stichtten verdeeldheid, dat was slim want als de bevolkingsgroepen zouden gaan samenwerken zouden ze zich massaal tegen de Japanners keren.
De Japanners stookten dus de Indonesiers op tegen de Indo-Europeanen op, bv. met berichten dat de Indo-Europese gemeenschap (in werkelijkheid bestond die gemeenschap haast alleen nog uit vrouwen; de militairen en belangrijke mannen waren al opgepakt) acties tegen de Indonesiers voorbereidden. Dat was een leugen, maar zo stimuleerden ze wel de haat bij de Indonesiers tegen de Indo-Europeanen en bereiden hen voor op hun onafhankelijkheid.
- De derde groep: "Vreemde Oosterlingen". Deze aparte categorie omvat Arabieren en vooral Chinezen. Deze bevolkingsgroepen beheersen veelal de middenstand. Zij werden door de Japanners ongemoeid gelaten
- de Indonesiers (inlanders). Onder in de koloniale hierarchie is de inheemse, islamitische massa te vinden, achtergesteld en zonder enige invloed op het bestuur. Het is overigens juist in de eerste helft van de twintigste eeuw dat emancipatie- en nationalistische bewegingen meer en meer aanhang gaan vinden. De verbetering van het onderwijs heeft hier zeker aan bijgedragen. Binnen deze inheemse massa verdienen volken als de Ambonezen en Menadonezen speciale vermelding. Van oudsher voelen deze gekerstende volken zich verbonden met de Nederlanders. Uit hun geledingen is een groot deel van de manschappen voor het KNIL afkomstig. Een ander deel hoopte onder leiding van Soekarno en Hatta, met behulp van de Japanners onafhankelijkheid te verkrijgen, zij juichten de komst van de Japanners toe, zeker toen de Japanners hen een onafhankelijk staat beloofden.