„Now, O, now, I needs must part”
(John Dowland)
Nu, o, nu ik heengaan moet,
Groet ik je, schoon niet getreurd.
Daar gemis geen vreugde doet;
Vervlogen vreugd is verbeurd.
Zolang ik leef, noopt mijn hart,
Want zonder hoop is ’t niet vief
Zo bewijst wanhoop met smart,
Want verdeeld heeft niemand lief.
Droeve wanhoop stoot mij af;
Grof is wat wanhoop schenkt.
Als afscheid zo aanstoot gaf,
Is zij het dus die mij krenkt.
Zo gauw jij bij mij verdween,
Was ’t gedaan met al mijn vreugd,
Daar ik van jou houd, jou alleen,
Wier liefde mij heeft verheugd.
Schoon ik je niet meer aanschouw,
Zal ik jouw blik niet derven.
Tot de dood ons scheidt in rouw,
Nooit zal mijn passie sterven.
Droeve wanhoop stoot mij af;
Grof is wat wanhoop schenkt.
Als afscheid dan aanstoot gaf,
Is zij het dus die mij krenkt.
Schat, al kom ik nimmer weer,
Hartstocht en ik gaan saam dood.
O mis hem niet met hartzeer
Van wie jij vanouds genoot;
Afscheid is gewis, nu ’k sneef,
’k Sterf daar jij mij jou ontzegt.
Wanhoop zet hem daarom scheef
Die zowel leeft als sterft recht.
Now, oh now I needs must part,
Parting though I absent mourn.
Absence can no joy impart;
Joy once fled cannot return.
While I live I needs must love,
Love lives not when Hope is gone.
Now at last Despair doth prove,
Love divided loveth none.
Sad despair doth drive me hence;
This despair unkindness sends.
If that parting be offence,
It is she which then offends.
Dear when I from thee am gone,
Gone are all my joys at once,
I lov’d thee and thee alone,
In whose love I joyed once.
And although your sight I leave,
Sight wherein my joys do lie.
Till that death doth sense bereave,
Never shall affection die.
Sad despair doth drive me hence;
This despair unkindness sends.
If that parting be offence,
It is she which then offends.
Dear, if I do not return,
Love and I shall die together.
For my absence never mourn
Whom you might have joyed ever;
Part we must though now I die,
Die I do to part with you.
Him despair doth cause to lie
Who both liv’d and dieth true.
„Can she excuse my wrongs”
(John Dowland)
Vergeeft ze mijn feilen door deugd vervuld?
Zal ik haar roemen als ze mij zo plaagt?
Is dat rein vuur dat door rook wordt verhuld?
Moet ik loof prijzen dat mij geen vrucht draagt?
Nee, nee: als schaduwspel ’t lijf overrompelt,
lijd je pijn terwijl je blik vertroebelt.
Kille minne welt bellen op, dompelt
geloftes onder, in zand gedroedeld.
Verlang je nog naar meer steken
als je weet dat ze je niets gunt?
en je haar wil nooit zult breken,
je geen liefde verwachten kunt?
Was ik zo min, dat ik niet mocht smachten
naar ijle vreugden die ze mij ontneemt?
Zo ijl ze zijn, zo ijl is mijn trachten:
Als zij dit ontzegt, wat nog blijft mij vreemd?
Als ze toegeeft aan wat rede dicteert:
Dat liefde als reden wettiging vergt.
Lief, gun me dat je me hiermee vereert,
of, als ik sterven moet, me niet meer tergt.
Beter duizendmaal te sterven,
dan te leven terwijl ik verdierf:
Lief, gedenk toch dat ik het was
die om jouwentwil tevreden stierf.
Can she excuse my wrongs with virtue’s cloak?
shall I call her good when she proves unkind?
Are those clear fires which vanish into smoke?
must I praise the leaves where no fruit I find?
No, no: where shadows do for bodies stand,
thou may’st be abused if thy sight be dim.
Cold love is like to words written on sand,
or to bubbles which on the water swim.
Wilt thou be thus abused still,
seeing that she will right thee never?
if thou canst not overcome her will,
thy love will be thus fruitless ever.
Was I so base, that I might not aspire
Unto those high joys which she holds from me?
As they are high, so high is my desire:
If she this deny what can granted be?
If she will yield to that which reason is,
It is reasons will that love should be just.
Dear make me happy still by granting this,
Or cut off delays if that I die must.
Better a thousand times to die,
then for to live thus still tormented:
Dear but remember it was I
Who for thy sake did die contented.
Wijding van het Rijksmuseum te Arnhem,
genaamd „voormalig Stadhuis te Amsterdam”
Vrij naar Alberdingk Thijm
Nooit sloopt Vaderlandsliefde Mokums Oud Stadhuis:
Klimaatdisruptie wenkt kunstminnaars tot de Sluis
Het Anthropoceen; een Zondvloed deed opzien baren
En, naar Arnhem, Kunst Heur nieuwe wijk overvaren:
Vlot over waatren brug, in veilge reddingsbark,
Dreef Werelderfgoed: want Arnhem is Hollands Ark!
Arnhem is Hollands Ark. Als, om den Waterschade,
Mozes’ roede niet sláat — slaat Gelder ons al gade.
Welk lief lichtjen blinkt in het overstroomde niets!
Dit, Mokum, was uw deel! — Als cultuurdrager Diets
Mag ekpyrosis uw Hollandocentrisme treffen
’t Was als straf om ev’rywhen elders plek te verheffen;
Uw Wil was Wederrecht, ter liefde van het Geld,
Een grens te stellen; welk Holt-landse bomen velt.
Mokums Dam staat nu leêg; het IJ is waarlijk open:
Holland is uit Holland gegaan
Gewesten zijn ontrouw, maar er kraait kind noch haan,
Schilders, beeldhouwers zijn hun graven uitgedropen.
De kunst! de kunst! — Cultuur drukt zwáar op ons.
Geen Sakser kan zijn hart in’t Rijksmuseum verkwikken:
Heel Brabant mag over solastalgie beschikken:
De bundel mist slechts één pijl des Bonds:
De Nacht wacht — voor sombre blikken!
Maar neen! te Arnhem daagt nog licht!
Daar breekt de zon nog door de dampen;
Daar vlammen, schoon omfloerst, de kaarsen nog en lampen....
Op d’Elevacie der Edele Vrouwe Petronella de la Court, alsus Illuster,
En haar huydenwoordige Sin-rycke Saense Suster,
Haer Volgling in de Kunsten Alderdevootst
Bei’ verbeelt op een Stukje Schildery in Malkander
door poesel Vrouwe-Handt gebootst
Doch eertyts geschildert van een Ander
***
Aanschou ’t Mirakel uyt myn hooft geboren;
So Minerf ’t Ligt sag in Alvaers gefronste voren
Vertroost Natuur sigh door de Konst in ’s Mensen oog
Doch dra sy verset staet, houdt sy’t selden droog,
En Grypt haer Doek, dept Verwes traenen op’t Lynwaet
Om in Lynsaet beelt te geven aen haer eel Gelaet.
So ook op dit stuk Houts, bemaalt van soet Handtje
Doch geïnventeert vanouts van my Mieris, Jantje.
Daer sit sy, schrander byschryvent in haer Groot-Boek
Soveel saken dat geen schilder t’af kan malen
Of haar Saal levendig voor den Geest magh halen
So vol van Rariteyten, ten thoon voor’t Eelst Bezoek:
Kostlicke Schulpen, Schalen, en Schilderyen.
Gy die tsaam in’t Samelaarsters-Gildt gedyen
Laet de blick dwalen, betyen; wat u aengelangt,
Op’t Konterfeitsel dat tot Ciersel voor u hangt.
Gy siet een’ Brouwster op stand, statig aan de want
Sy reêneert met verstand aen Bacchante devyant,
Doch met Stoet van Bewond’rers die in Reidans gaet
Tot Eer haerer Sterre, eer sy ten Hemel vaert.
In Apols Kar met Musen, haer Susterschappen.
Want sy vermagh uyt menigh Vaetken tappen.
Met Clio vorst sy naer ’s Lands Geschiedenis.
Wyl sy kavelt met Callioop in Muysenis.
Tot Eraat verhoudt sy sigh even Musicqaal
Als tot Euterp in Dubbel-Klank Harmoniaal.
Met Melopomeen heeft sy Plegtigheyd gemeen
En met Polyphym, wat ongerympt, haer Spleen.
Gelyk Thalie draegt sy Poppekas in falie voor.
En in Koor verleydt sy Acheloos als Terpsikoor,
Krygt van hem Kockel, Wulk en Schulp-Trompet der Faam
Wyl sy dyt uyt tot Uranies bestert Lychaem.
Van haer ontfing sy ongevenaerde Atlanten
Die om d’Aert banden leggen tot haers Weërs-Kanten
Langs Kaap Hoop tot aen Oost-Injen en Sinaas Kust
Die bracht Porceleyn dat in’t Kabinet berust:
Backen, Bossies, Borden, Boffers en Bagynties
Alles hoogst qualiteyt sonder tierlantynties.
Uyt West-Injen Naturaliën alder Aert
Die sy sorgsaem geordent in Laadties opbewaert.
So sal men Petra Niella wel gedenken
Als Boom-Steen waerop rust de Kerck van Gods Geschenken
Silveren Beslagh der Deught, waerin gevat Scriptuur
Wit op Swart door Vreught byeen, als het fynst Sculptuur
Op Ebbe Voet, uyt Eel Phantyn, dat’s Elpenbeen
De Werrelt der Natuur, hier voor’t rapen in’t kleen,
Naer’t Leven uytgesneen, secuur doch verheven:
Venus, Amor en Mars – ’t Oer-Bos uyt-gedreven.
So d’Olifant syn laetste Aem blaest om syn Hooren
Luyden Kerst-Nagt-Bellekens om Paerlen Moeren
Thoen U Adam t’Aerts Paradys quam t’ontfallen.
Bedenkt wel, van alwat Gy hier uyt wilt stallen,
Of versaemt in Ebbe of Coningshouten Kas,
Selfs verstockt Men-Is-Te-Doodt ook eens levent was.
So volgt de Levens-Konst op Natuurs Versterven;
Weet dat Leda’s Swaen eens d’Aert-Kloot sal beërven.
Daer syn Schepselen die nog in’t Slyck wemelen
Die scheppen, en sigh selv’ op mooghen hemelen.
Menigh Snuffelaer-Waernemer magh t’ontwaren:
Tot weeck Sacht-Leven, Kick-Vorsch en Graat-Visch scharen
Waer onder Mier is, Fretje, Bÿke en Crab-Beest.
Doch geen dier kan overleven ’s-Sondvloedts Tempeest
Maer, voor waer, daer is geen eed’ler Dier als de Swaen
Want die sal in ’s Scheppers Heugenis voort-bestaen.
*** *** ***
(Toegift op den jarigen Autheur)
So sal Neels Mæceen op’t Nageslagt overslaen
Als een Vloedt-Golf die strekt tot Eer van Saens Vulcaen.
Want Saendyks Draeken-Temster Griet Hut houdt de Lyn.
En behoedt so Smit en Konst-Broeder voor’t Venyn.
De melkkiesjesballade
De herinnering aan haar kindertijd
draagt zij met haar mee,
soms niet zonder weemoed,
maar bekommerd tevreden;
niet lyrisch, gewoon lief.
Soms denkt ze weleens
‘was of had ik maar’.
Volgt haar schreden terug en zoekt,
weer gaand over gladde treden
en opnieuw op gammele trapjes staand,
langs al lang niet begane paden
onzeker huppeldartelend
met sprongetjes in de tijd,
en zoekt daar fouten
– bij voorbaat vergeeflijk –
welke misschien al nooit waren,
nooit geweest, waar zij ooit was,
of niet meer zijn, waar zij nu is.
Dan staat ze stil
bij waar iets goedging
of bij wat er scheefliep;
nu precies. Hier en daar,
in de herinnering aan haar eden
liggen de keuzes die ze maakte,
de soms harde noten die ze brak,
gekraakt met haar melkgebit
waarvan haar nog slechts, één
één klein kiesje rest,
waarin tot einde van dagen...
al wordt het haar onttrokken,
haar onvervalste onschuld schuilt.
Enfilade
Zolang u onderweg bent,
raakt u nooit de weg kwijt.
alleen waar u woont, dwaalt u,
door vertrek naar vertrek,
die samen uw thuis niet vormen.
Uw huis is geen thuis,
maar een aaneenschakeling
van plaatsen waar u
voor onbepaalde tijd verblijft of
u allang niet bent geweest,
soms kortstondig in gedachte.
Door te vertrekken uit uw huis
– Het huis van uw Vader
en dat van uw Moeder –
en daarbij het achterland
van uw jeugd achterlatend
koos u een pad, het uwe,
niet langer ’t spoor bijster.
Maar al te lief laat u achter.
Laat u zich meenemen
waar de weg u naartoe voert
en waar de weg zich voedt met u.
En zich aan elkaar te goed doend,
Vindt u de weg en hij u.
Op uw weg verdwaalt u niet,
Toch treedt u hem met voeten,
Omdat hij gewoonweg onder u ligt
en reeds achter u ligt.
Daarbij: u staat liever in de weg dan in uw huis.
De terugkeer is dan geen thuiskomst,
maar een vertrek van waar u eertijds woonde.
Het huis, dat onderkomen mag heten,
geen hoede waaronder u zich veilig waant.
Waarvandaan u kwam, heet uw thuis,
Waar naartoe u slechts in herinnering kan terugkeren.
Maar het huis, waar u nu bent,
noemt u niet meer dan verblijfplaats;
een bivak van uw tijdelijk bestaan.
Ossenworst
Vanmorgen werd ik wakker
Met een stukje opgedroogde ossenworst op mijn hand.
Of een opgedroogd stukje ossenworst.
Het is maar hoe je ’t ziet.
Hoe het daar kwam, weet ik niet.
Hoe ik wist dat het ossenworst was, zal ik u besparen.
Ja, zelf vind ik het ook maar een kutgedicht tot nu toe.
Maar ik moet het nu eenmaal voltooien en dragen.
Vooral ook dragen, evenals mijn lot en vele koffertjes.
Of een handsieraad van ossenworst.
Met waardigheid!
Voor de aardigheid!
Als grap. Bij wijze van grol.
Het leven is hard. Kijk maar door het raam.
Allemaal mensen in onwetendheid van mijn carnivale bijouterie.
Er is een klein verschil tussen dragen, verdragen en voordragen.
Ik doe het laatste, en dan het liefst bij de koning.
Maar die is in Korea.
Disclaimer
R. v. L. regrets that is possible for him to:
try to attribute or date works that are neither signed nor dated,
characterize artistic idiosyncrasies of paintings and painters,
transcribe and annotate early modern (Dutch) texts,
write articles or books to order,
write forewords or introductions,
write reviews or peer review papers
make statements for publicity purposes,
do any kind of editorial work,
give interviews,
conduct educational courses,
deliver lectures,
give talks or make speeches,
broadcast or appear on television,
take part in art-historical congresses
answer questionnaires,
contribute to or take part in symposiums or “panels” of any kind,
donate copies of his publications to libraries,
autograph books for strangers,
supply personal information about himself,
supply photographs of himself,
supply opinions on art-historical or other subjects
formulate criteria to assess art-historical papers or research proposals,
judge the merit of projects and researchers
contribute significantly to our understanding
without compensation.
Lavorar col Penelo
Penelar cioè non, correlabile per simile,
Che peneleggiar la buganza di Marsiglie.
E quel Giouanin, ch’auuiuò le tele;
Diè il seme, come la rechiela schioca:
E col penelo, e con la man abile.
Scopa col gran spazzola indietr’al boca.
Quel Giouanin, che lascio la colpa labile
Montando; che già fù vaghezza vaga
Che le tele semenate, le sue colore
Incoronò da le mie rechie dure.
Là doue lascio vn bocardelo anch’caga
D’alta macchia, vn Schiavon nouelo?
E quel Adamo, che già pauro temuto
Si sporse in auanti’l suo penelo?
Haue il caparozzolo del mar spremuto
Dal natura spinta, ch’io stupor l’Agnelo.
Giouanin Battist dipingendo il rostro
Zeusi, e Apelle rinati dal Phoecal nostro.
Gegorgel
En gans de Christenheid riep
eensgezind en met één stem
tezamen en gelijk zeer alleen:
Steek die vanitas mundi maar in je reet!
En zo geschiedde.
Daarop spleten de radioactieve kokosnoten van het Bikini-atol eendrachtig open,
het vocht vloeide rijkelijk.
‘Te laat
te laat’
zei Duimelot
‘hoewel juist nog op tijd
want... nee, toch niet.’
En gelijke lieden laafden zich
gelijkluidend in
een niet aflatend doodsgegorgel
DAT (of is gegorgel vrouwelijk?)
– want in dat geval –
DIE
gepaard gaat bij dit soort drinkgelagen.
Kernonos I
(met behulp van AI)
In het welíg woud, | op de wórtels der wéreldse bómen,
Zit daar Kernónos, | koninklijk krúislings gezéten.
Hoóg rijst zijn hértengewei, | dat de hémelse hóogten
Raákt, waar de dónkere sláng | om zijn léden zich wíndt.
Ángwipotís, | met de schédel van rám als zijn króning,
Búigt zich voor béstand en wég, | voor de wáchter der wégen.
Vást houdt hij Tórkos van góud, | de gedráaide der tíjden,
Wéndt zo de wét van het wórden | naar wílle van dúister.
Krákend verbréekt hij de bánd, | om het bégin te geléiden
Ván de stórm, | en het vúige gewei valt ter áarde.
Kórtowajtos ontbrándt, | de berúchte, de wílde der wínden,
Lós breekt de lóeiende lóop | van de jacht door de náchten.
Ráást over ránden van róts | en door ríeten der rávijnen,
Geésten in gráuwig geráas | door de glíjdende scháduwen dríjvend.
Hóevenloos hólt het gehéul | door de holten der héuvels,
Stórmt door de stéppen der stíllen | en stámpt in stérvende bómen.
Vóór hen de hónden van háar | en van haveloos schóren,
Áchter hen ádem van ás | uit de kieuwen der kélen.
Wáytos ontwáákt in het blóed, | de bezétene brón van de bránding,
Wékt uit de wórtel der wíl | de wóede der wéreld.
Mánnen verhúllen hun húid | met de wólven der wóesten,
Bérenkracht brúist in hun bórst | en verbréekt hun gebóden.
Zíj zijn de Wólfsgehúlden, | gekóren voor éeuwige twééstrijd,
Kráchten die kláuwen der Klufte | in krochten der klóven bedwíngen.
Géén menselijk messtaal sníjdt | door de scháduwen zéker,
Máár de móed van de máchtigst’ | der díeren der áarde.
Kérnonos kíjkt naar de kríjgers | met kláuwen van íjzer,
Níet met een nóod tot verníelen, | máár om de máat te herstéllen.
Wáytos, de wervel der wáánzin, | wékt in hun áderen vúur,
Éxtase étsend en éeuwig | in’t íngewand strómend.
Zó wordt de jáger een jakháls, | de wáchter een wóeder,
Zólang de Tórkos de tóorn | van de tíjden betéugelt.
Díep in de dólingen, | waar Dhúbnos de dúistere schátten
Wáárdt, ligt de wórm die de wéelde | der wéreld verzwélgt.
Wórm zonder wángen en wíl, | die met wóekerend líchaam
Brónnen van blóei verstíkt | in zijn béulende drúk.
Kérnonos daált naar die díepte | als Wlókʷos de wréker,
Níet om te sláchten uit líst, | máár om de máat te herstéllen.
Wólvenkracht wóónt in zijn léden, | berénkracht bróeit in zijn bórstkas,
Húid van het hárdste gedíert’ | omhúlt hem als héilig gewáad.
Spéren van snákkende kláuwen | spóren de schúbbige spléten,
Zóekt naar het zwákke der zwárte | in schíld van geschúurd pantser.
Tíran der tégenstand tréft | hij, de trótse bewáarder,
Máchtig in mólm en in múur | van verstárde verbíntenis.
Blóedt nu de bódem van bítterschap, | bréékt de beróvende vlóekband,
Áls de Lokéderkos líd | van de lúster naar léégte verdráágt.
Úit het verváagde vervál | herríjst de ríjkdom van vórige,
Gláns van de gódheid die glóeit | in het gráf van de gríjzige wínter.
Zúivere krácht van plánt | en van próoi wordt geheven,
Drágend zich hóog op het géwei | dat de grénzen bewáárt.
Tórkos verschijnt als een téken | van troúw aan de túinen der tíjden,
Wáár Heer en Hínde het hóningzoéte | van héil weer verpánden.
Dágda de dáppere gáát | met zijn knóts naar de dónkere vélden,
Slépend de stáf die het stérven | bezégelt en sáppen ontbíndt.
Kéten van kóude en van kóorts | wordt gebróken door bárse slágen,
Léven ontlíet niet zijn krácht | waar de sláchter de sláper ontwáakt.
Kétel van kóper en bróns, | de bekér van de bódem der áarde,
Stáát in de schóot van de stéén | waar de scháduwen sámendruípen.
Nímmer wordt léég die gewelfde, | geen hóngerende hánd blijft onvérvuld,
Wánt uit de díepte der drómen | drúppelt het dágende líef.
Vléés voor de vállende véchter, | vréugde voor véchten en wáchten,
Stáárt uit de scháal die de stílte | met stérkende stómen vervúld.
Ángwipotís kringelt kráchtdrágend | óm de gístende gíeten,
Wáár hij de gísten der gróei | en het wérkende wórden bewaárt.
Ríng en de ránd van de kétel | zijn ríchels van rúst en van ríjkdom,
Kéérkring die slúit wat verstroóid | en de stíjgende stómen betéugelt.
Kérnonos kíjkt in het kieperend | kóper der kráchten,
Zíet daar het géwéést en het wórdend | en wát nog wánkelt in tíjd.
Dríevoudig blíkt hem de wáárheid | úit wíttige wálmen,
Spíegels van zílver en zíel | in het zíngende bróns verváttend.
Dágda veréént nu het dóden | met drínkend en éetbaar bestáan,
Léven en lást worden lícht | in de lópend herwónnen geméénschap.
Zó wordt de kétel een belófte | aan bódem en bínnen der stámmen,
Zó blijft de gód van de gróei | in de gráven der gróei bewáárd.
Wíld is de wórsteling wáár | de Wlókʷos de wólfshuid omgórdt,
Bérenkracht brúist in het blóeden | der báng gemaakte zíelen.
Zíj zijn de Wólfsgehúlden, | uitverkóren tot éeuwige twééstrijd,
Mánnen die múilen van mónsters | met máagdelijke móed overwínnen.
Wáytos ontwáákt als een wínd, | die de wórstelaar wékt uit zijn slúimer,
Stárt de verzéngende stórm | in het blóed van de bítse bestríjders.
Húid van de hólbewonér | húlt nu de hélden in héilige rústloosheid,
Tótdat de tíran der twíjfel | door tánden en vúisten wordt gétart.
Géén menselijk métaal sníjdt | door de scháduwen díeper der náchten,
Máár de gémóedskracht van wíld | en het werende wézen der áarde.
Zó wordt de jáger een jakháls, | de wáchter een wóeste vergélder,
Zólang de Tórkos de tóorn | van de tíjden in téugels verbínden.
Léég is het líchaam van ángst, | als de wáánzin de wérking bestúurt nu,
Extase étsend en éeuwig | schrij́ft zich ín in het ínnerlijk béender.
Kérnonos kíjkt naar de kríjgers | met kláuwen van íjzer en zékerheid,
Níet om de wéreld te bréken, | máár om de máat te bewáren.
Wáytos, de wáaier van wáánzin, | de wérvel die wékt wat verzónken,
Bréngt door de stíjd en de stámp | weer wórdingskracht t’rug in de stámmen.
Stókken die slágen het rítme | van ránke rustéloze vóeten,
Béllen die rínkelend róepen | de régen van óude gebéden.
Dánsen de mánnen met línten | en lápjes, de Móorse bewégers,
Stámpend op áarde die dórst | naar het blóed van de dúizenden dóden.
Wírug‑kráns óm het gehóofd | is het téken van tíjdloos gewínnen,
Óogst van de zíel die bewáárd | wordt in bólwerken bínnen de múren.
Kérnonos kíjkt naar de krínkeling, | lácht om het lévensgeglínster,
Hóorn die de hémelen bestórmt | met de húlp van de héilige stókslag.
Kéérkring van dóod en van dánsen, | van hóofden en héilige óogst nu,
Sméedt zo de stám in de sméltkroes | van éeuwigheid, stápel voor stápel.
Éindigheid bééft voor het rítme | dat vóórtdraáit in vóeten van ménsen,
Zólang de Gehóornde de máat | van de Móordans máchtig bewáárt.
Zúilen van stéén in het zúiden | bewáren de wítte gebéenten,
Níssen die gápen als mónden | van góden in gránieten dénken.
Skélet der víjand genágeld | als óogst aan de héilige póorten,
Zétel van wíjsheid en brón | van de mácht die de ménsheid ontstíjgt.
Róofvogel wáakt op de póort nu, | met vlérken van stéén in zijn hóede,
Béschermt de vlúcht van de zíel | naar de stérren der stílte daarbóven.
Snável die óogst uit de schédels | de sáppen van éeuwige wíjsheid,
Brénger van léven dat wéér | uit het dúister van dóod zal ontsprúiten.
Míddernachtzón, | als een zweér op het zwártblauwe láken,
Glánst en verkóndigt geváár | waar de gréns is gevónden.
Tórkos, de tróts van de tíjden, | zal tén slotte vermálen,
Áls de Wáytos de wéreld | in wólken van ás laat verdámpen.
Géén gewei gróeit nog hóog, | géén graán vindt de krácht om te kíemen,
Áls de Gehóornde de hálmen | van héélheid laat vállen.
Dáverend dréunt nu de drúppel | der dónkere éindtijd,
Ín de scháal van de stílte | waar Kérnonos stópt met zijn dánsen.
Hóór hoe het hóut van de wéreldboom | hérfstelijk kráakt nu,
Lícht is gelóósd in de léégte | van láátste gedáchten.
Wírukernos, | wazíge wáchter van wónderlijk wézen,
Vérgaart de krácht uit de krúinen | der kríjgers en kóppen.
Hérne de hóngerige huilt | in de hólten der héuvels,
Vángt in zijn vlúcht nu de géesten | van vríjbuíters vróeg.
Kéérkring van dóod en van dánsen | komt dáar tot verstílling,
Tíjd wordt getémd in het tándeloos | zwíjgen der sténen.
Tóch in de schóot van het zwárte | ontkíemt weer de wórding,
Wánt uit het áfgeleéfd ás | drúppelt het éérste begín.
Kernonos II
(met behulp van AI)
In het welige woud, op de wortels van wereldse bomen,
Zit de Kernonos koninklijk, krachtig in kruislingse houding.
Hoog is zijn hertengeweitak, die hemelse hoogten beraakt nu,
Diep in de duisternis danst de Angwipotis om leden.
Slang met de schedel van ram, die de raadselen fluistert van winter,
Buigt voor de bieder van balans, voor de wachter van wegen.
Greep hij de gouden de Torkos, de torsie van tijden en stromen,
Wringt hij het wonder van wet naar de wil van het wankelend duister.
Krakend verbreekt hij de band, om het begin van de storm te geleiden,
Vallend verlaat hem zijn vuige gewei op de vorstige aarde.
Kortowajtos begint, de beruchte, de briesende jachtstoet,
Raast over randen van rotsen, met razende geesten in vlucht nu.
Lokederkos, zijn blik, ziet het broze en buigt het naar leven,
Jager en hoeder ineen, die het zaad van het zonlicht herovert.
Smeed hij in schoot van de moeder de machtige cirkel weer samen,
Totdat de Torkos gesloten, de lente weer luide verkondigt.
Toen de Kortowajtos de koude van kempen en kloven doorkruiste,
Werd de spruit van de slang weer de scepter van stormen en winter.
Hoog in het holst van de nacht, waar de nevelen neerkwamen bruisend,
Vond hij het fort van de vijand, de vreemde, de vreter van lichtkracht.
Daar hield de Draak van de Diepste, de Duistere, zaden gevangen,
Wierp hij zijn klauwen om kist en om keizerlijk kostbaar gemoede.
Kernonos kwam als een krijger, de kampvechter, kloek in zijn wezen,
Niet met het zwaard van de mensen, maar met de magie van zijn oogopslag.
Lokederkos flitste, de felle, de vlammende straal van de waarheid,
Brak de betovering, bonkte de bolwerken bevend aan spikkels.
De worm van de wereld, de wreedaard, verweek voor de wrochtende koning,
Gaf hem de gunst van het goud en de glanzen van glinsterend leven.
Zwaar was de zegen die zegevier’nd zat op de schouders van Hoornheer,
Toen hij met volk van de vlucht weer de valleien van vroegte betrad nu.
Weer op de wereldboom wachtte hij, wiegend in weldadige ruststand,
Smeedde met vuur van de vreugde de voeg van de Torkos in éénheid.
Het vee in de velden, het wild in de wouden, het was en het groeide,
Want de Heer van de Herten had heil in het hart van de aarde gebracht.
Diep in de dolingen, waar Dhubnos de duistere schatten bewaakte,
Lag de vervloekte, de vuige, de vreter van vruchtbare aarde.
Worm zonder wangen, die woekert met weelde van wereldse kringen,
Blokte hij bronnen van bloei met zijn bruut en zijn bestiaal lichaam.
Kernonos kwam daar, als Wlokwos, de wreker met wrochtende klauwen,
Niet om te moorden uit miez’righeid, maar om de maat te herstellen.
Speurden zijn snavels van speren naar spleten in schubbig gepantser,
Trof hij de tiran, de trots van de tergende tegenstand machtig.
Bloedt nu de bodem van bitterschap, brak de berovende vloek nu,
Toen de Lokederkos het lid van de lust naar de leegte vervoerde.
Uit het uitveegselverderf herrees nu de rijkdom van vroeger,
Glans van de godheid die gloeit in het graf van de grijzige winter.
Pure potentie van plant en van prooi werd uit poelen geheven,
Gedragen op gewei dat als goudgeel de grenzen bewaakte.
De Torkos werd teken van trouw aan de tuinen van tijdloze orde,
Waar de Heer en de Hinde de honing van hemelse vreugde verpanden.
Wild is de worsteling, waar de Wlokwos de wolfshuid omgordt nu,
Berenkracht bruist in de bezetene, boven de bange gemoederen.
Zij zijn de Wolfshuiders, uitverkoren, met uitzicht op eeuwige tweestrijd,
Mannen die muilen van monsters bemeesteren, met de magie van de Hoorngod.
Wajtos, de winnende waan, die de worstelaar wekt uit zijn sluimer,
Start de ziedende storm in het bloed van de bitse bestrijders.
Kernonos kijkt naar de kerels, de krijgers met klauwen van ijzer,
Die in de nacht van de noodlottigheid nimmer de nederlaag vrezen.
Huid van de holbewoner hult nu de helden in heilige rusteloosheid,
Totdat de tiran van twijfel betwist wordt door tanden en vuisten.
Geen menselijk metaal, maar de moed van het machtigste wilddier,
Snijdt door de schaduw en schenkt aan de stam de heroverde vrede.
Zo wordt de jager de jakhals, de wachter een woeste wraakgeest,
Zolang de Torkos de toorn van de tijden in toornige band houdt.
Het lege gewei wordt een lans voor de lust van de laatste beslissing,
Waar de Heer van de Huiden de harten van helden tot hoogtepunt stuwt.
Wajtos, de waaier van waanzin, de wervelwind wekt nu de geesten,
Extase die endeloos etst in de aderen, eer aan de oerkracht.
Storwerkos, sterk in zijn streven, de schrik van de stormige velden,
Draagt de drievoudige donkerheid, drukkend op dappere schouders.
Zeven zomers van zuiverheid, zeven van ziedende zonden,
Vlecht hij de vloek en de vrede tot vastheid van veilige tijden.
Offer van overmoed, offer van oorlog en ondierlijk razen,
Werd nu de weg naar de wording, de wederkeer waardig en vroom nu.
Kernonos knielde, de koning, bij kabbelende koninklijke beekjes,
Legde de last van de lust en de lans in de lemige aarde.
Uit het bloed van de Beerbinder broeit nu de bloei van de bloemen,
Uit de vacht van de vechter ontvouwt zich de vruchtbare oogsttijd.
De Torkos is ten slotte getemd door de tederheid tussen de halmen,
Gulden is de glans van de granen, de gunst van de goede getijden.
Rust is de raad van de ram-slang, die rinkelt in rustige voren,
Waar de Heer van de Herten de honing van heelheid laat stromen.
Zo is de cyclus gesloten, de strijd is de spijs voor de vrede,
Eeuwig in ere hersteld door de Dans van de Dierlijke Torkos.
Wirukernos, de krimper van koppen, de krachtige kampvechter komstig,
Storwerkos strijdt in de schaduw van stervende zonnen.
Hergeboorte is balsem, maar bindt ook de brede gevoelens,
Aan de tol van de tijd en de tanden van tergende Dood nu.
De Middernachtzon is een zweer op het zwartblauwe laken,
Glans die gevaarlijk verkondigt: de grens is gevonden.
Torkos, de trots van de tijden, zal ten slotte vermalen,
Wanneer de Wajtos de wereld in wolken van as laat verdampen.
Geen gewei dat nog groeit, geen graan dat de groeikracht nog vindt dan,
Als de Heer van de Herten de halmen van heelheid laat vallen.
Daverend dreunt nu de druppel van donkere eindtijd,
In de schaal van de stilte, waar Kernonos stopt met zijn dansen.
Hoor hoe het hout van de wereldboom herfstelijk kraakt nu,
Het licht is geloosd in de leegte van laatste gedachten.
Wirukernos, de wazige wachter van wonderlijk Wezen,
Koppenbeklimmer, die kracht uit de kruin van de krijgers verzamelt.
Herne, de hongerige, huilt in de holte van heuvels en eiken,
Vangt in zijn vlucht nu de geesten van vrijbuiters, vroeg in de morgen.
Stokken die slaan op het ritme van ranke en rusteloze voeten,
Bellen die rinkelen, roepen de regen van oude gebeden.
Dansen de mannen met linten en lapjes, de Moorse bewegers,
Stampend op aarde die dorst naar het bloed van de duizenden doden.
Wiruge-krans om het hoofd is het teken van tijdeloos winnen,
Oogst van de ziel die bewaard wordt in bolwerken, binnen de muren.
Kernonos kijkt naar de krinkeling, lacht om het levensgeglinster,
Hoorn die de hemel bestormt met de hulp van de heilige stokslag.
Keerkring van dood en van dansen, van hoofden en heilige oogst,
Smeedt nu de stam in de smeltkroes van eeuwigheid, stapel voor stapel.
Eindigheid beeft voor het ritme dat voortduurt in voeten van mensen,
Zolang de Gehoornde de maat van de Moordans machtig bewaakt nu.
Zuilen van steen in het zuiden, bewaren de witte gebeenten,
Nissen die gapen als monden van goden in granieten gedachten.
Skelet van de vijand genageld als oogst aan de heilige poorten,
Zetel van wijsheid en bron van de macht die de mensheid ontstijgen.
Kernonos kijkt naar de krinkeling, lacht om het levensgeglinster,
Hoorn die de hemel bestormt met de hulp van de heilige stokslag.
Vrede berust op het hoofd dat genomen is uit de vernieling,
Zielen gestapeld als stenen voor steun aan de stam en de tempel.
Eindigheid beeft voor het ritme dat voortduurt in voeten van mensen,
Zolang de Gehoornde de maat van de Moriske krachtig bewaakt nu.
Hoog op de poort van de nissen, daar waakt nu de machtige roofvogel,
Vlerken van steen die de vlucht van de ziel naar de sterren beschermen.
Snavel die oogst uit de schedels de sappen van eeuwige wijsheid,
Brenger van leven dat weer uit het duister van dood zal ontspruiten.
Kernonos kijkt naar de krinkeling, lacht om de levensgeglinster,
Hoorn die de hemel bestormt met de hulp van de heilige stokslag.
Zand en gebeenten versmelten in schoot van de eik-oude verte,
Palen van pijn en van pracht die de poort van de profeet nu bewaren.
De hinde en havik gevloten in heilige halsring van werken,
Trekken de trein van de tijd door de tunnels van tijdeloos wachten.
Koning van koppen en klauwen, die kracht uit de kerker van vlees haalt,
Lacht om de leegte van lichamen, lustig in levende vogel.
Schansen van schedels beschermen de schatten van spir’tueel wezen,
Torkos is ten slotte de tempel, de toon van de toekomst in éénheid.
Waar de woedende wind en de wrocht van de wildernis waaien,
Blijft de Gehoornde de herder die heelheid uit herfsttijd laat spruiten.
Moeder van mergel en modder, die merkwaardig mensen verslindert,
Koestert het karkaskiezeltje in klamme en kostbare aarde.
Schedels zijn zaad in de voren van vruchteloos lijkende velden,
Wachtend op Wajtos die weer wording en wakkerheid brengt nu.
Kernonos buigt voor de Baarmoeder, brengt haar de buit van het sterven,
Torkos het teken dat tijden van tegenspoed tussen de halmen verdwijnen.
Sap van de doden wordt sieraad, sap van de stam in de lente,
Zolang de Gehoornde de maat van de Moederlijke macht nu bewaakt nu.
Angwipotis, de anderse adder met hoorns van de ramstier,
Kringelt om Kernonos, knisperend kleed van de krimpende diepte.
Dagda, de dappere, draagt nu zijn knots naar de donkere velden,
Slepend de staf die het sterven bezegelt en sappen laat stromen.
Ketel van rijkdom en ring van de slang zijn geweven in éénheid,
Voedsel voor vlezen en vrede voor geesten in vluchtige vrijheid.
Dubbel is doelen van dier en van demoon in de dans van de tijden,
Waar de Heer van de Herten de honger van helse gerechten bestrijdt nu.
Wiruge wrocht in de wording van wijn en van witte gebeenten,
Zolang de Gehoorde de maat van de Moorse dans machtig bewaakt nu.
De ketel van Dagda, de bron van de bodem, het bekken van overvloed,
Schenkt aan de schare het spijs dat de sterfelijke stonden verzadigt.
Nimmer geraakt de bodem van brons in de bergplaats van barden,
Want uit de diepte van duistere dromen daar druppelt het leven.
Kernonos kijkt naar de kookpot van kracht in de klamme gewelven,
Waar de ramkoppige slang de geheimen van gisting en groei nu bewaakt.
Vreugde en vlees voor de vechters die vallen in vroege gevechten,
Sappen van sterkte die stromen uit schalen van slijk en van aarde.
Wiruge wrocht in de wording van wijn en van witte gebeenten,
Zolang de Gehoorde de maat van de Moorse dans machtig bewaakt nu.
In het metaal van het machtige bekken, de mysterieuze,
Vloeien de vaten van vroeger en vlees in de vlammen.
Het is de schoot van de smeedkunst, de schat van de stille gewelven,
Waar het zilver de zielen van zangers en zonen verzamelt.
Geen bodem beperkt nu de beker van brons en van bloeien,
Want de god van de geweien laat gunst uit het donker ontspruiten.
De ring en de rand zijn de randen van rijkdom en ruststand,
Waar de Angwipotis de as van de overvloed omarmt.
Wiruge wracht in de wording van wijn en van witte gebeenten,
Zolang de Gehoorde de maat van de Moorse dans machtig bewaakt nu.
In het metaal van de machtige bekken, de mysterieuze,
Verschijnen drie koppen, de krachtige, kijkend naar kanten.
Zij zien wat geweest is, wat wordt en wat wankelt in wording,
Drievoudig de blik van de god op de drempel van tijden.
Geen oogslag ontgaat hem, de hoeder van herten en huiden,
Die wijsheid vergaart uit het brons van de borrelende bronnen.
Zijn schedels zijn spiegels van gisteren, morgen en nu ook,
Gevangen in zilver, gezegend door sappen van aarde.
Wiruge wrocht in de wording van wijn en van witte gebeenten,
Zolang de Gehoorde de maat van de Moorse dans machtig bewaakt nu.
Drie zijn de vrouwen die vlechten het lot in de vlijmen,
Maagd en de moeder, de morrige macht van de manen.
Zij schenken de zaden, de zwarte, de zwoele, de zware,
Waar de Heer van de Herten de honing van heelheid herovert.
Het zilver van de beker is spiegel van spitse gezichten,
Die wenken naar werden en wankeling wissen uit wegen.
Wiruge wrocht in de wording van wijn en van witte gebeenten,
Zolang de Gehoorde de maat van de Moriske machtig bewaakt nu.