padelles/lvb/lvb2
LVB
Lesvoorbereidingen.
Checklist voor lesvoorbereidingen
Doel: Cursisten kunnen met onderstaande criteria controleren of sprake is van een optimaal
bruikbare lesvoorbereiding (jeugd/volwassenen/veteranen).
“EEN GOEDE VOORBEREIDING IS DE SLEUTEL TOT SUCCES”
DEEL I van het lesvoorbereidingsformulier
Opdracht:
1. Is sprake van één van de 5 hoofdspelsituaties (HSS)?
2. Indien HSS ‘serveren’: is bij ‘slag’ duidelijk of het om 1e of 2e
service gaat?
3. Indien HSS ‘service & return’: is bij ‘slag’ duidelijk of het om het serveren, retourneren of om
het netspel gaat en is dit reëel/logisch in relatie tot de bedoeling?
4. Zijn naam lesgever, datum en namen en niveau van de spelers ingevuld?
a. Beginsituatie
5. Zijn de volgende zaken beschreven/vermeld van alle spelers: geslacht, leeftijd, speeljaren,
leservaring, motieven, aanleg, competitie spelend, rechts/linkshandig, blessures? Na het
lezen: zie je het spel (in de spelsituatie) en het niveau van het spel ‘voor je’ (dus niet de
bewegingen, maar waar de ballen komen en hoe de bal door de lucht gaat en met welke
vastheid)? Denk aan opstelling en balbaankeuze.
b. Spelbeschrijving
6. Geldt de beschrijving vooral voor de spelsituatie uit de opdracht?
7. Staat er vooral wat ze wel kunnen?
8. Staat er ‘wat er fout gaat’ (resultaat) als er fouten worden gemaakt?
9. Staan er als laatste eventueel ook opvallende technische zaken genoemd?
c. Doelen
10. Sluiten de doelen logischerwijs aan bij de spelbeschrijving?
11. Sluiten de doelen dus aan op wat de spelers al wel kunnen?
12. Zijn de doelen binnen een les haalbaar, uitdagend en (dus) aansprekend?
13. Kloppen de doelen nog met de opdracht?
14. Is het doel voor het scouten duidelijk? Wat wil de leraar zien/vaststellen?
15. Is het technische doel SMART geformuleerd?
16. Is het tactische doel SMART geformuleerd?
17. Zijn de overwegingen beschreven ten aanzien van: speelafstand, bal, soort oefenvormen,
intensiteit van de les, leerstijl van de leerlingen, het inspelen op de motieven van de
leerlingen, de noodzaak om te differentiëren, hoe differentiëren indien nodig?
18. Staat bij persoonlijke doelen beschreven waar de leraar (extra) op gaat letten om zichzelf te
verbeteren?
19. Zijn dit concrete punten (zichtbaar gedrag)?
.
2
DEEL II van het lesvoorbereidingsformulier:
Inleiding (5 min gesprek/inspelen en 10 min scouten):
Gesprek:
1. De vragen die voor de les van belang zijn, zijn omschreven (onder didactisch handelen bij
‘observeren’)
Inspelen:
2. Warming up zonder racket en bal kan een optie zijn.
3. Inspelen is dusdanig dat de spelers daarna klaar zijn om punten te spelen.
4. Het inspelen gaat - volgens de LV - in de lijn van het onderwerp (E/D) van de les.
5. Het inspelen gaat uit van de spelsituatie van de les.
6. Inspelen gelijk met een doel (mikpunt/opdracht).
Observeren/Scouten:
7. Het spelen van de wedstrijdsituatie is passend bij het niveau van de spelers.
8. De leraar mag de eerste bal inspelen, maar dat hoeft niet. Staat dit beschreven?
9. Welke observatiegegevens gaat de leraar volgens de LV noteren/onthouden om daarna te
gebruiken om de doelstelling agreed te maken?
10. Er is duidelijk omschreven welke gegevens/informatie de lesgever nodig heeft om zijn les te
kunnen geven (waar kijkt de leraar specifiek naar?).
11. Op welke opvallende punten (tactisch/technisch) anticipeert de leraar (wat verwacht hij)?
12. Blijkt uit de LV dat spelers ieder minimaal 8 keer in de situatie van het lesonderwerp
worden gebracht om er inhoudelijk (tactisch/technisch) iets over te kunnen zeggen?
13. Er staan individueel bruikbare accenten die passend zijn bij de doelen (technisch/tactisch);
deze zijn dus nooit standaard en per lesonderwerp en per doel verschillend.
14. Er is omschreven op welke manier er gezocht kan gaan worden naar de technische
breekpunten van de spelers (hoe kan je de situatie makkelijker/moeilijker maken).
Kern A (totaal 20 min.):
15. In kern A is het volstrekt duidelijk welke bedoeling centraal staat.
16. In kern A wordt duidelijk aan welke (combinatie van) functie(s) wordt gewerkt.
17. Er is sprake van een kern A1 en kern A2 (aansluitend en methodisch volgend).
18. Kern A1 kenmerkt zich door een (min of meer) regelmatig aankomende bal.
19. Kern A2 is de tussenstap naar het tactische; dus wisselend aankomende ballen.
20. Differentiatievormen zijn omschreven (hoe makkelijker/moeilijker te maken indien nodig).
21. Er staan correctiemethodieken (liefst FFF) omschreven, in geval nodig bij een speler.
22. De gekozen oefensituatie (aankomende/vertrekkende bal, positie en bewegingen speler in
relatie tot het doel) is beschreven en komt overeen met de tekening.
23. Het technisch doel is SMART omschreven, het woord ‘kunnen’ wordt genoemd.
24. Minimaal 50% van de leerlingen is met het oefen-/leerdoel bezig (geen rijtje dus).
25. Plaatsingsoefeningen: minimaal 2 mik-/richtpunten of -vlakken.
26. De mik-/richtpunten cq -vlakken zijn uitdagend voor het niveau.
3
27. Er is hier aandacht voor (het kloppend maken van) de viereenheid (GRAS).
28. (Bio)mechanica is uitgangspunt van de te geven functioneel-technische correcties en is
beschreven.
29. Er staat beschreven waar de spelers naar moeten kijken (kijkwijzer) tijdens het
demonstreren van technische accenten.
30. Didactische aandachtspunten en correcties sluiten aan bij de gestelde functies in het doel.
31. Didactische aandachtspunten sluiten aan bij de spelbeschrijving onder ‘vraag b.’ (voorkant).
32. Didactische aandachtspunten sluiten aan bij de belevingswereld van de
leerlingen/doelgroep.
33. Didactische aandachtspunten sluiten aan bij het ambitie/leersnelheidsniveau van de
leerlingen.
34. De gekozen oefenvorm is een voor de leerlingen direct herkenbare wedstrijdsituatie.
35. De combinatie van tekening en tekst is dusdanig dat de oefensituatie volstrekt duidelijk is.
36. De LV toont aandacht voor succesbeleving en de invloed op de mentale factoren.
Kern B (20 min.):
37. In kern B staat 1 (of een combinatie van 2) tactisch(e) basisprincipe(s) centraal.
38. Het tactische doel is SMART omschreven, het woord ‘herkennen’ (waarnemen + beslissen)
wordt genoemd en concreet gemaakt.
39. In kern B is altijd sprake van een wedstrijdgerelateerde situatie.
40. Er wordt een voorbeeld gegeven waarin het omgaan met de keuzes duidelijk wordt.
41. In kern B moet er sprake zijn van een keuze (open situatie) passend bij het tactische doel.
42. Kern B is geen volledig open wedstrijdsituatie (‘partijtje’), maar een doelgerichte
leersituatie.
43. De didactische aandachtspunten moeten aansluiten bij het tactische doel.
44. De didactische aandachtspunten zijn (dus) geen herhaling van kern A.
45. Kern B moet een logisch gevolg zijn van kern A.
46. Indien in kern B punten gespeeld worden, blijft het oefendoel centraal staan.
47. Uit de voorbereiding blijkt dat alle spelers tijdens Kern B steeds bezig zijn met het
oefendoel.
48. De tekening en de beschrijving komen overeen en verduidelijken elkaar.
49. Indien de leraar meespeelt, is duidelijk aandacht voor gelijke inspanningen van alle spelers.
50. De LV toont aandacht voor succesbeleving en de invloed op de mentale factoren.
51. Afsluiting (5 min.): Afsluitend gesprek met leerlingen en evaluatie/feedback!
52. Indien mogelijk is sprake van een wedstrijdsituatie met service.
53. Lijkt heel veel op de scoutingssituatie.
54. Er is altijd sprake van toepassen van geleerde (zowel technisch als tactisch).
55. De specifieke (aan deze les gekoppelde) evaluatievragen en -opmerkingen zijn
geformuleerd.
56. In de planning is tijd ingeruimd voor de evaluatie.