Mogelijke doelen: (Vanuit Vlaamse doelen)
Leerdoelen zijn altijd interpreteerbaar. Dikwijls bereik je maar een deel van het beschreven doel.
Historische tijd:
3.8: De leerlingen kunnen aan de hand van een voorbeeld illustreren dat een actuele toestand, die voor kinderen herkenbaar is, en die door de geschiedenis beïnvloed werd, vroeger anders was en in de loop der tijden evolueert.
3.9 De leerlingen tonen belangstelling voor het verleden, heden en de toekomst, hier en elders.
Ruimte:
4.2.: De leerlingen kunnen aan de hand van een kaart de afstand tussen twee plaatsen in Vlaanderen berekenen en beschrijven.
4.3.: De leerlingen kunnen in een praktische toepassingssituatie op een gepaste kaart en op de globe evenaar, de polen, de oceanen , de landen van de Europese Unie en de werelddelen opzoeken en aanwijzen.
4.11.: De leerlingen kunnen aspecten van het dagelijks leven in een land van een ander cultuurgebied vergelijken met het eigen leven.
4.18: De leerlingen kunnen een eenvoudige route uitstippelen met het openbaar vervoer.
5.1.: De leerlingen kunnen op hun niveau verschillende informatiebronnen raadplegen.
Informatie- en communicatietechnologie (ICT)
4: De leerlingen kunnen zelfstandig leren in een door ICT ondersteunde leeromgeving.
5: De leerlingen kunnen ICT gebruiken om eigen ideeën creatief vorm te geven.
6: De leerlingen kunnen met behulp van ICT voor hen bestemde digitale informatie opzoeken, verwerken en bewaren.
7: De leerlingen kunnen ICT gebruiken bij het voorstellen van informatie aan anderen.
Leren leren
1.:De leerlingen kunnen losse gegevens verwerven en gebruiken door ze betekenis te geven en te memoriseren.
2.: De leerlingen kunnen op systematische wijze verschillende informatiebronnen op hun niveau zelfstandig gebruiken.
3.: De leerlingen kunnen op systematische wijze samenhangende informatie (ook andere dan teksten) verwerven en gebruiken.
4.: De leerlingen kunnen eenvoudige problemen op systematische en inzichtelijke wijze oplossen.
5.: De leerlingen kunnen, eventueel onder begeleiding:
- hun lessen, taken en opdrachten plannen en organiseren;
- hun eigen leerproces controleren en bijsturen.
6.: Houdingen en overtuigingen
De leerlingen kunnen op hun niveau leren met:
- nauwkeurigheid;
- efficiëntie;
- wil tot zelfstandigheid;
- voldoende zelfvertrouwen;
- voldoende weerbaarheid;
- houding van openheid;
- kritische zin.