Op de site "Waarnemingen.be" kan je de waarnemingen van Kelsbroek zien.
De dagkoekoeksbloem (Silene dioica, synoniem: Melandrium rubrum) is een tweejarige of vaste plant uit de anjerfamilie (Caryophyllaceae). De naam dagkoekoeksbloem verwijst naar het overdag openstaan van de bloemen, dit in tegenstelling tot die van de avondkoekoeksbloem (Silene latifolia subsp. alba) en de nachtkoekoeksbloem (Silene noctiflora).
De plant wordt tot bijna een meter hoog. De soort is tweehuizig. Van mei tot september draagt hij roze eenslachtige bloemen met vijf aan de top diep ingesneden kroonbladen. De kelkbladen zijn buisvormig vergroeid tot een kelkbuis. De hoofdbloeiperiode valt in mei en juni, maar in de herfst kan een tweede bloeiperiode plaatsvinden. De vrucht is een met tanden openspringende doosvrucht.
De plant groeit op vochtige plaatsen met een pH waarde tussen 6,1 en 7,8, op voedselrijke laagveen- of zandgrond. Enige schaduw is gewenst, maar volle zon is geen probleem wanneer de bodem voldoende vochtig is en blijft. Hoewel de bloemen overdag open zijn, is de plant voor bestuiving grotendeels afhankelijk van nachtvlinders.
De plant is waardplant voor de bladmineerder Pegomya flavifrons, voor de koekoeksbloembochelwants, en ook voor verschillende soorten nachtvlinders. Oorwormen gebruiken de lege zaaddozen van de dagkoekoeksbloem graag als schuilplaats.
Mannelijke bloem
Vrouwelijke bloem
Hondsdraf (Glechoma hederacea) is een kruipende, geurende plant die behoort tot de lipbloemenfamilie (Lamiaceae). De plant komt in het wild zeer algemeen voor en wordt ook wel als bodembedekker aangeplant.
De plant wordt 15-60 cm groot, de vierkante stengel is liggend tot rechtopstaand en wortelt op de knopen. De bladeren zijn niervormig met een gekartelde rand. Hoe zonniger de standplaats, des te kleiner de bladeren. Van maart tot juni zijn paars-blauwe bloemen te zien die in een schijnkrans staan. De onderlip is aan het einde in tweeën gespleten en de bovenlip is vlak en niet bol. Er zijn tweeslachtige en functioneel vrouwelijke exemplaren. De laatste hebben duidelijk veel kleinere bloemen.
De plant komt in allerlei soorten begroeiingen voor, overal waar voldoende humus en vocht is kan hij worden aangetroffen. De plant groeit zelfs als epifyt in bijvoorbeeld knotwilgen.
Look-zonder-look (Alliaria petiolata, synoniemen: Alliaria officinalis en Sisymbrium alliaria) is een algemeen voorkomende plant die behoort tot de kruisbloemenfamilie (Brassicaceae). Binnen de kruisbloemenfamilie is de soort gemakkelijk te herkennen aan de witte bloemen, het blad en de geur. Na het wrijven van een blad komt er een geur vrij die volgens sommigen op uien lijkt, maar door de meeste mensen als knoflook wordt aangeduid. De plant dankt hieraan ook zijn naam; het ruikt naar look maar is botanisch niet verwant aan look.
De plant is een waardplant van de rups van het oranjetipje en het klein geaderd witje
Zoals veel soorten uit de kruisbloemenfamilie is look-zonder-look in de keuken bruikbaar. De plant kan als groente worden gegeten.[2]
Een aftreksel van de bladeren wordt wel als drankje tegen astma en bronchitis gebruikt. Als kruidenkompres is toepassing bij wonden bekend.
De moerasspirea (Filipendula ulmaria) is een vaste plant uit de rozenfamilie (Rosaceae). Het is een rechtop groeiende, 0,6-2 m hoge plant.
Moerasspirea's hebben talrijke roomkleurige, 0,4-1 cm brede bloemen met vijf kroonblaadjes, die sterk naar amandel geuren. De bloem bevat veel meeldraden, die ongeveer tweemaal zo lang zijn als de kroonblaadjes
De moerasspirea groeit vooral op vochtige plaatsen, zoals in ruigtes, nat grasland, bossen, slootkanten, elzenbroekbos en rietvelden.
Vroeger werd de plant gebruikt als middel tegen gal- en nierziekten, maar ook tegen jicht en zenuwpijn. De bladeren en bloemen werden gedroogd om thee van te trekken die bij koorts gegeven werd.[1] De heilzame werking wordt toegeschreven aan verschillende aspirine-achtige verbindingen zoals isosalicine, dat in de bloemkoppen te vinden is.
Moeraszegge of Carex acutiformis
Moeraszegge is een middelhoge tot hoge plant met lange, kruipende wortelstokken en een opvallende bloeiwijze. De bladeren zijn smal en glanzend, de stengels ruw. De bloeiwijze heeft dicht opeen zittende mannelijke en vrouwelijke aren met bruine kafjes. Moeraszegge groeit in een breed scala aan moeras- en oeveromgevingen, van voedselrijke tot zwak voedselarme grond, en verdraagt waterstandswisselingen goed. Ze is te vinden in zowel natte als matig vochtige omstandigheden en kan ook goed standhouden bij waterstandsdaling of opslibbing. In droge gebieden groeit ze vaak op plekken met een stagnatielaag in de ondergrond.
De soort in het Kelsbroek heeft een 3-hoekige stengel
Ridderzuring Rumex obtusifolius heeft een dikke wortel die vanbinnen safraangeel is. De stengel is krachtig behaard of niet-behaard, rechtopstaand, al of niet vertakt met opstijgende takken.
Het is een vaste plant uit de duizendknoopfamilie (Polygonaceae), die van nature voorkomt in Europa. De plant is eenhuizig.
Ridderzuring komt voor op vochtige, zeer voedselrijke grond langs wegen, tussen puin en in grasland. Groeit ook op beschaduwde plaatsen.
Ridderzuring kan aangetast worden door verschillende bladvlekkenziekten, waaronder Ramularia rubella, die ook suikerbieten kan aantasten.
Ridderzuring is een waardplant van de zuringuil, een nachtvlinder.
De bladeren van ridderzuring bevatten oxaalzuur en kunnen mogelijk giftig zijn als ze in grote hoeveelheden door mensen worden geconsumeerd
Gewone smeerwortel Symphytum officinale is een grootbladige, robuuste plant die relatief laag blijft door al snel breed te vertakken. De plant is borstelig ruwbehaard Het is een vaste plant uit de ruwbladigenfamilie (Boraginaceae). Deze soort is in België en Nederland een algemeen voorkomende plant in ruigtes, bermen, op dijken en bij slootkanten. Dit geldt voor geheel Europa met uitzondering van het hooggebergte. De plant is in Noord-Amerika ingevoerd en verwilderd.
De soortaanduiding officinale (uit de apotheek) duidt aan dat de plant vanouds medische toepassingen heeft gekend. Vooral de wortel werd verzameld. De plant bevat onder meer symphytocynoglossine, consolidine, choline, en 0,8−1 % allantoïne.
De plant werd en wordt met name uitwendig toegepast, in de vorm van omslagen bij botbreuken, wonden, en gewrichtsontstekingen. Onderzoek heeft uitgewezen dat allantoïne de heling van wonden inderdaad kan bevorderen door de stimulering van de vorming van nieuwe cellen. Voor inwendig gebruik wordt smeerwortel afgeraden in verband met de hoge dosering pyrrolizidine-alkaloïden. Dit tast de lever aan.
Het gewoon speenkruid (Ficaria verna subsp. verna, synoniem: Ranunculus ficaria subsp. bulbilifer) is een laagblijvende voorjaarsbloeier die behoort tot de ranonkelfamilie (Ranunculaceae).
De triviale naam 'speenkruid' is volgens sommigen afgeleid van de vorm van de knollen, die op kleine speentjes lijken. Andere triviale namen voor deze plant zijn 'vijgwortel', 'oaneklootjes' en 'katteklootjes'. Volgens anderen is de naam afgeleid van de toepassing tegen aambeien, oftewel speen.
De bladeren van gewoon speenkruid bevatten veel vitamine C. Vroeger werd de plant dan ook gebruikt tegen scheurbuik. Ze werd ook veel verwerkt in salades. Belangrijk is dat de bladeren dan voor de bloei worden geplukt. Tijdens de bloei ontwikkelt de plant in de bladeren namelijk protoanemonine en saponine, giftige stoffen. De bladeren smaken dan bitter, en ze wordt dan ook door weidedieren gemeden.
Elzenhaantje
Els (Alnus) is een geslacht uit de berkenfamilie (Betulaceae). Het geslacht omvat circa dertig soorten, die op het noordelijk halfrond voorkomen. Het zijn vochtminnende loofbomen, die bloeien voordat de bladeren verschijnen. In de Benelux komen er twee soorten van nature voor: de zwarte en de grauwe els. De bladeren lijken op die van de hazelaar. Ze vallen groen van de boom en vertonen dus geen herfstkleur.
Elzen leven in mutualistische symbiose met bacteriën uit het geslacht Frankia, die zorgen voor de binding van stikstof uit de lucht. Deze levensgemeenschap bevindt zich in knolletjes aan de wortels. De knolletjes kunnen vuistgroot worden. De els functioneert daardoor als groenbemester. Na het omzagen van een els ontstaat er na vijf minuten een kleurverandering die kan variëren van rood tot bruin. Deze kleur wordt voornamelijk gevormd door koolstofmonoxide.
Es met essenziekte
De es (Fraxinus excelsior) is een loofboom uit de olijffamilie (Oleaceae), die van nature in Europa voorkomt. Het is een snelgroeiende (30–60 cm per jaar) boom die tot 40 m hoog kan worden. De es is, net als onder meer de wilg, geschikt om te knotten en heeft bovendien een groter vermogen om de wonden in te kapselen door middel van cambiumvorming, de wonden mogen echter niet groter zijn dan 15 cm anders duurt de insluiting veel langer.
De boom is bladverliezend en heeft een oneven geveerd blad, dat bestaat uit zeven tot dertien lancetvormige gezaagde deelblaadjes. De bladeren zijn kruiswijs tegenoverstaand. Essen bloeien voordat ze in blad komen.
De vruchten zijn voorzien van 'vleugels' die helpen bij de verspreiding door de wind. Voor 'zaad'winning kunnen de vruchten op twee tijdstippen geoogst worden. Als ze in de eerste helft van augustus groen geoogst worden kunnen ze direct uitgezaaid worden, omdat ze dan nog geen kiemrust hebben. Bij oogst in het najaar van afgerijpte vruchten moet eerst de dan ontwikkelde kiemrust gebroken zijn voordat ze gezaaid kunnen worden.
Essentaksterfte of essenziekte
Sinds het begin van de jaren 1990 wordt de es aangetast door de schimmel vals essenvlieskelkje (Chalara fraxinea). Deze schimmel is een invasieve exoot en komt oorspronkelijk uit Oost-Azië.[1] In Europa werd de aantasting voor het eerst gezien in Polen, via de wind werden schimmelsporen daarna snel over grote delen van Europa verspreid. Infectie met deze schimmel leidt tot essentaksterfte. In Nederland zijn sinds 2012 bomen geïnfecteerd en worden zieke bomen indien nodig omgezaagd om ongelukken te voorkomen.[2]
Vanaf 2017 is de schimmel alom aanwezig en hebben veel essen in karakteristieke lanen, singels en bossen ernstig van de ziekte te lijden.[3] Er is geen remedie tegen essentaksterfte, maar een klein deel van de bomen lijkt minder vatbaar te zijn voor de ziekte. Deze bomen kunnen wellicht gebruikt worden om resistente bomen te kweken; eerder is op deze wijze succes geboekt in de strijd tegen de iepziekte. Het publiek werd gevraagd om door te geven wanneer er gezonde essen in een overwegend zieke populatie aanwezig waren.[4][5]
Vrouwelijke bloei
Mannelijke bloei
Larve van de hazelnootboorder
De hazelaar (Corylus avellana) is een in West-Europa inheemse struik uit de berkenfamilie (Betulaceae). De vrucht van de hazelaar is de hazelnoot, waarvan de kern eetbaar is.
De hazelaar is een "naaktbloeier": de plant bloeit als deze nog geen bladeren heeft. De hazelaar is voor de bestuiving afhankelijk van de wind. Aan de hazelaar zitten de mannelijke en de vrouwelijke bloeiwijzen apart. De mannelijke bloemen zitten in katjes en zijn al in de zomer aanwezig in de oksels van de bladeren. Ze gaan pas bloeien in januari. De vrouwelijke bloemen zitten met drie tot vier stuks in een klein knopje bij elkaar. Tijdens de bloei zijn alleen de rode stijlen met de stempels te zien.
Hazelnoten zijn een bron van vitamine E. Een handvol bevat ongeveer 50% van de aanbevolen dagelijkse hoeveelheid. Hiernaast bevatten ze veel energie (682 kcal per 100 gram), voornamelijk in de vorm van onverzadigde vetzuren.[1]
De hazelnoten worden door vogels als de gaai verspreid, ze worden ook gegeten door muizen. Verder verspreidt de hazelaar zich via worteluitlopers. De hazelaar is een bosrandsoort, die zowel in de schaduw als in de zon kan worden aangetroffen. De hazelaar heeft voor verspreiding een milieu nodig waarin grote grazers een rol spelen. De hazelaar gedijt ook op een minder vruchtbare en/of kalkrijke bodem.
Plagen
De hazelnootboorder
Meidoorn (Crataegus) is een geslacht uit de rozenfamilie (Rosaceae). Het geslacht wordt ook wel haagdoorn of steendoorn genoemd. Het zijn struiken die van nature in Europa, Noord-Amerika, Azië en Noord-Afrika voorkomen. Sommige soorten komen ook als boom voor. De meidoorn werd vanwege de doornen op de takken veel gebruikt in hagen als afscheiding voor het vee. Op sommige plaatsen zoals in het gebied de Maasheggen in het noordoosten van Noord-Brabant is dat nog goed te zien. Het hout is hard en fijn van structuur.
De eenstijlige meidoorn kan een tot 10 m hoge boom worden, terwijl de tweestijlige meidoorn een struik is die tot 4,5 m hoog wordt. Ze bloeien in mei/juni met sterk geurende bloemen. Aan de takken zitten doornen.
De meidoorn is evenals de peer en de mispel vatbaar voor bacterievuur. Hierdoor zijn veel meidoornhagen verdwenen. Vooral meidoorns die oorspronkelijk uit Italië afkomstig waren, bleken vatbaar. De meidoorn mag daarom in bepaalde gebieden ter bescherming van de fruit- en boomteelt niet meer aangeplant worden
De meidoorn is een waardplant van de meidoornstippelmot, meidoornvouwmot, meidoornspanner, meidoornmot, bastaardsatijnvlinder, koningspage, meidoornkielwants, meidoornhaantje, penseelkever en groene appeltakluis.
Blad aangetast door roest
Mannelijke bloeiwijze
Canadapopulier, Canadese populier of Euramerikaanse populier (Populus ×canadensis) is een nothospecies uit het geslacht populier. Het betreft een hybride van Amerikaanse populier (Populus deltoides) en zwarte populier (Populus nigra). Doorgaans worden de hybriden die canadapopulier kan vormen met een van haar oudersoorten alsnog als tot canadapopulier gerekend. Canadapopulier is rond 1750 ontstaan in Frankrijk.
De rechte stam van canadapopulier buigt onder invloed van de wind niet of nauwelijks door en breekt niet snel. Dat maakt haar tot een populaire boomsoort voor houtwinning of voor aanplant in de kustgebieden. Ze is vaak lijnvormig aangeplant als begeleider van wegen en kanalen, waardoor ze als het ware coulissen in het landschap vormt. Vaak is hun functie dan het breken van de wind. Om die reden worden ze ook in de kuststreek en rond boomgaarden aangeplant. Deze bomen zijn grote waterverdampers die daarom vaak in natte gebieden zoals uiterwaarden werden aangeplant.
Ziekte (roest). Bij canadapopulier is de weerstand tegen lariks-populierenroest (Melampsora larici-populina) afhankelijk van het ras en varieert van slecht tot goed. De weerstand tegen bladvlekkenziekte (Marssonina brunnea), waarbij op de bladeren olijfgroene of bruinzwarte vlekken ontstaan, is afhankelijk van het ras en varieert van matig tot zeer goed. De weerstand tegen bacteriekanker (Xanthomonas populi) is ook afhankelijk van het ras en varieert van voldoende tot zeer goed.
De sleedoorn (Prunus spinosa) is een 2–6 m hoge struik uit de rozenfamilie (Rosaceae). De soort komt van nature voor in de Benelux, waar de plant vooral langs bosranden voorkomt. Het hout is zeer hard.
De opvallende bloei vindt plaats in maart en april, voordat er bladeren zijn. De bestuiving wordt uitgevoerd door insecten.
De vruchtzetting is vanaf augustus. De sleepruimen zijn zeer wrang, en worden pas lekker als de vorst eroverheen geweest is. De vruchten worden wel verwerkt in jam, vruchtenmoes, vruchtensap, likeur (sloe gin of patxaran), vruchtenwijn en brandewijn, bijvoorbeeld slivovitsj.
De naam van de heester bevat een oud woord voor pruim, slee, dat onder meer verwant is met het woord voor pruim in de Slavische talen, een woord dat terug te vinden is in de naam slivovitsj en szilva pálinka.
Bloei
Bessen
Vlier (Sambucus) is een geslacht van snelgroeiende heesters of kleine bomen. In de lente dragen ze tuilen van witte of crèmekleurige bloemen, gevolgd door kleine rode, blauwachtige of zwarte vruchten. Ook komt er een vlier met paars blad en roze bloemen voor. De vruchten van de vlier zijn steenvruchten.
De bessen zijn een belangrijke bron van voedsel voor veel vogels. De vlier is de favoriete gastheer van het judasoor. De vlier is waardplant voor de schemerbladroller, gewone coronamot en grijze kruidenmot, dat zijn microvlinders.
Bladeren schietwilg
Amandelwilg voorjaar
Mannelijke katjes van de boswilg met gele meeldraden
Vrouwelijk katjes van de boswilg
Wilg (Salix) is een geslacht van tweehuizige bomen en struiken uit de wilgenfamilie (Salicaceae). Wilgen zijn bladverliezende bomen met verspreide bladstand. De knop heeft één knopschub. De bloeiwijze van de wilg heeft de vorm van een katje en groeit uit de zijknoppen van een eenjarige twijg. De wilgenkatjes zitten of staan, dit in tegenstelling tot de hangende katjes bij populieren.
De pluizige zaden worden door de wind verspreid, maar zijn slechts korte tijd kiemkrachtig. De meeste soorten zijn te vermenigvuldigen door middel van stekken.
Wilgen zijn pioniersoorten met een grote lichtbehoefte. Wilgen komen in Nederland en België veel voor langs sloten en plassen. Wilgen houden namelijk over het algemeen van een vochtige bodem en groeien zeer snel
Wilgen is de beste houtsoort voor klompen. Verder wordt het gebruikt voor gereedschapsstelen, zeefranden, speelgoed, fruitmandjes en daar waar populierenhout kan worden toegepast.
Schietwilg
De meeste wilgensoorten maken een stam. Salix alba wordt schietwilg genoemd en kan tot 25 m hoog worden. Schietwilgen kunnen worden geknot. In een vlak en open landschap is dit soms noodzakelijk om te voorkomen dat de bomen door een najaarsstorm worden geveld.
Knotwilg
Een knotwilg is een wilg die enkele jaren na te zijn geplant, op circa 1,5-2 m hoogte wordt afgezaagd. Daarna wordt de boom iedere drie tot zes jaar geknot door de nieuw uitgelopen takken weg te nemen. De verdikking aan de basis van de uitlopers vormt de knot waaraan de knotwilg zijn naam dankt.
.Aan de stam groeien vervolgens waterloten, die wilgentenen worden genoemd. Ze worden tegenwoordig vooral gebruikt om manden en tuinschermen te maken. Vroeger werden wanden van hutten gemaakt van vlechtwerk van wilgentenen, afgedicht met klei, en funderingen van dijken werden gelegd op matten van gevlochten wilgentenen. Deze zinkstukken blijven op hun plaats door ze af te zinken met basaltstenen. Ze beschermen de bodem tegen erosie.
Knotwilgen bepalen in belangrijke mate het typisch Hollandse en Vlaamse landschap. Het is belangrijk dat eenmaal geknotte wilgen regelmatig opnieuw geknot worden, omdat de anders te dik wordende loten na een aantal jaren de boom uit elkaar scheuren. Nu de vraag naar wilgentenen afneemt, wordt dit werk vaak door vrijwilligers gedaan. Knotwilgen bieden door hun dichte kruin en hun vaak holle stam veel nest- en schuilgelegenheid voor vogels, marters, vleermuizen en insecten. Zij verrijken daarom vaak de fauna van een gebied.
Sommige wilgen zijn goed tot 'knotstruiken' te kweken. Zo is het ras Salix alba 'Chermesina' met oker/oranjekleurige takken in de winter niet alleen fraai als knotwilg, maar in kleinere tuinen goed te kweken als 'knotstruik' door deze elk of om het voorjaar tot bijna bij de grond af te snoeien. Fraaie wintercombinaties zijn dan ook mogelijk met bijvoorbeeld witte kornoelje.
Boswilg
Boswilg kan in de groeivorm van zowel een struik als een boom voorkomen. De soort blijft met een hoogte tot 10 m relatief laag.
De jonge twijgen zijn grauwgroen en worden later diep roodbruin tot zwartachtig van kleur en zijn aanvankelijk bedekt met lange haren. De schors is bij jonge bomen glad en grijs met ruitenvormige verkurkte lenticellen. Wanneer de boom ouder wordt, wordt de schors grijs tot zwartbruin en krijgt deze brede groeven.
Boswilg heeft katjes, die met lange behaarde schutbladen bedekt zijn. Ze bloeien in maart en april. Boswilg is tweehuizig. Mannelijke katjes zijn eivormig en aanvankelijk bedekt met zilverachtige haartjes. Daarna verschijnen gele meeldraden dicht opeen. Vrouwelijke katjes zijn slank, bleekgroen met witachtige, korte stijlen. De vrouwelijke katjes zijn langer dan de mannelijke. Zowel de mannelijke als de vrouwelijke bloemen hebben één honingklier. Door de vroege bloei is boswilg voor bijen een aantrekkelijke drachtplant.
Knotwilgen langs water
Bladeren en vruchten van de zomereik
Eikenblad aangetast door een galwesp
Zomereik (Quercus robur) is een soort uit het geslacht eik (Quercus). Het is een zeer langlevende, Europese, hardhout leverende boom. De bladeren van zomereik verteren moeilijk wat zijn invloed heeft op de strooisellaag in het bos.
Zomereik is historisch een van de dominante soorten in het West-Europese bos. Men zou verwachten dat, wanneer je een bos op zijn beloop laat, de eik zijn positie kan bewaren. Dit blijkt echter niet zo te zijn. Eiken hebben licht nodig om te ontkiemen en op te groeien tot een boom (het is een uitgesproken lichtminnende boomsoort). In een 'natuurlijk' bos zonder grote grazers is de concurrentie voor licht in het nadeel van de eik. Schaduwverdragende soorten als beuk en haagbeuk zijn beter in staat om die gaten te dichten.
De eik verliest heel laat zijn bladeren. Jonge eiken houden vaak gedurende de hele winter hun verdorde blad vast. De bladontplooiing in de lente vindt plaats eind april, begin mei.
Plagen (Galwesp)
De bekendste soort is de eikengalwesp (Cynips quercusfolii) die op de onderkant van eikenbladeren 3 centimeter grote gele tot rode galappels veroorzaakt.
Naast de zomereik komt in België ook de wintereik voor maar in mindere mate, het verschil is te zie naan het blad zie foto's
Blad van een zomereik
Blad van een wintereik
De rode kelkzwam (Sarcoscypha coccinea), soms ook rode bekerzwam of vermiljoenbekerzwam genoemd, is een in loofbossen en parken voorkomende paddenstoel. Hij is in winter en vroege voorjaar te vinden op vaak bemost verterend hout op vochtige, voedselrijke grond.[1] De aan het einde van de twintigste eeuw nog als zeldzaam te boek staande zwam werd in de jaren 2010 als vrij algemeen voorkomend beschouwd .
Te zien in het Kelsbroek vooral op de westzijde van de tramberm in het vroege voorjaar na vorst op vergaan hout.
Bronnen spreken elkaar tegen over de eetbaarheid van de soort. Het Oneida-volk gebruikte de gedroogde en vermalen rode kelkzwam om op de navel van pasgeborenen te smeren, zodat deze sneller zou helen. De zwam wordt in Scarborough ook gebruikt als tafelversiering, samen met mos en takjes.
Judasoor =eetbaar
Echt judasoor (Auricularia auricula-judae, synoniem: Hirneola auricula-judae) is een zwam uit de familie Auriculariaceae. De soort neemt bij droog weer in omvang af en regenereert in vochtiger omstandigheden.
De naam wordt verklaard uit een overlevering over de Bijbelse figuur Judas Iskariot die zich aan een vlier zou hebben opgehangen nadat hij Jezus verraden had. Het zwammetje lijkt ook op een oor.
Echt judasoor veroorzaakt witrot wanneer hij als parasiet op een levende gastheer leeft. Als de gastheer sterft wordt het judasoor een saprofyt. Dit soort schadelijke zwammen noemt men necrotrofe parasieten.
Te zien in het Kelsbroek op vlier langs de Kelsbeek en langs de tramberm in de winter (najaar)
Reebok en reegeit
Jonge ree (kalf) 2 a 3 weken oud
De ree[2] (Capreolus capreolus) is een evenhoevig zoogdier uit de familie van de hertachtigen (Cervidae). De soort komt voornamelijk in Europa voor. In Azië leeft de verwante Siberische ree (Capreolus pygargus).
De ree heeft een zandgele tot roodbruine zomervacht, 's winters is deze meer grijsbruin tot zwart van kleur. Volwassen dieren hebben geen vlekken. Duidelijk zichtbaar is de witte tot gelige rompvlek. Bij mannetjes is deze vlek 's zomers vrij onduidelijk. De neus is zwart en de kin is wit. De staart is vrij klein (twee tot vier centimeter lang) en enkel zichtbaar tijdens het ontlasten. 's Winters steekt bij het vrouwtje, de reegeit, een bosje witte haren tussen de achterpoten naar achteren, het schortje. Dit lijkt wel op een staart, maar is het niet.
Het volwassen mannetje, de reebok, heeft een eenvoudig gewei, bestaande uit meestal twee tot drie punten (enden).
Zeggekorfslak of Vertigo moulinsiana
Zegge herbergt ook ook een slak, de zeggekorfslak
De Zeggekorfslak is een kleine landslak (hoogte 2,4-2,8 mm) met een (bijen)korfvormig huisje dat 4 tot 5 rechtsgewonden, fijn radiaal gestreepte omgangen heeft. Zeer kenmerkend is het feit dat de laatste omgang relatief breder is dan de voorgaande. In de relatief grote mond bevinden zich 4 tot 5 tanden. De kleur van de schelp is licht- tot donkerbruin. Binnen de korfslakken is dit de grootste soort. De zeggekorfslak leeft op kalkrijke natte moerassen, aan de oevers van kalkrijke rivieren, rond poelen, vijvers en aan brongebiedjes met een vegetatie van Moeraszegge.
Zomervorm
De gehakkelde aurelia (Polygonia c-album) is een vlinder uit de onderfamilie Nymphalinae van de familie Nymphalidae (aurelia's of schoenlappers). Deze middelgrote vlinder komt voor in een groot deel van het Palearctisch gebied en zijn verspreidingsgebied breidt zich steeds verder uit naar het noorden.
De gehakkelde aurelia is in Nederland en België een algemene soort, die bij bosranden, struwelen en in parken en tuinen kan worden waargenomen. Met de dagpauwoog, atalanta, kleine vos en landkaartje is de gehakkelde aurelia een van de "brandnetelsoorten" onder de dagvlinders, waarvan de rupsen vooral op brandnetel te vinden zijn. Het menu van de rups van de gehakkelde aurelia kan echter ook uit andere planten bestaan. De vlinder overwintert als volwassen dier verstopt in boomholtes of tussen afgevallen blad.
De boomklever (Sitta europaea) is een vogel uit de familie van de boomklevers (Sittidae). De wetenschappelijke naam van de soort werd in 1758 gepubliceerd door Carl Linnaeus in de tiende editie van Systema naturae.[2] De naam 'boomklever' verwijst naar het dichtpleisteren van de nestingang, al heeft het op en neer lopen tegen de boomstam ongetwijfeld ook een rol gespeeld.[3]
De boomklever is het enige lid van de familie in de Benelux. Hij kan met de kop omlaag langs boomstammen naar beneden klimmen, en daarin onderscheidt hij zich van spechten en boomkruipers, die alleen omhoogklimmen. Bovendien gebruiken spechten hun staart om op te steunen en dat doet de boomklever niet.
Hij is in vrijwel geheel Europa een tamelijk algemene standvogel. De opvallende en helder klinkende roep is vaak de eerste aanwijzing van zijn aanwezigheid. In de winter is hij een geregelde bezoeker van tuinen waarin pinda's worden aangeboden.
Wat voedsel betreft is de buizerd een flexibele vogel en een opportunist; hij eet wat voorhanden is. Vandaar ook z'n brede verspreiding. Veldmuizen, mollen of konijnen vormen vaak het hoofdvoedsel samen met kikkers en kleine vogels. Een buizerd kan als het nodig is snel overschakelen op een ander voedingspatroon: ook dieren als eekhoorns, hazelwormen, waterhoentjes, insecten, verschillende amfibieën of vissen zijn dan niet veilig. Ook eet hij wel aas, meestal verkeersslachtoffers.
De buizerd (Buteo buteo) is een middelgrote tot grote roofvogel uit de familie van de havikachtigen.
De buizerd komt voor in het grootste gedeelte van Europa en delen van Azië. Hij is overwegend een standvogel die in hetzelfde gebied overwintert als waar hij broedt, behalve in de koudste gebieden en op enkele ondersoorten na. De vogel jaagt gebruikelijk in open land, maar nestelt in bosranden. Normaal gesproken bestaat de prooi van een buizerd voornamelijk uit kleine zoogdieren, amfibieën (zoals kikkers) en kleine vogels, maar hij is bij gelegenheid ook aaseter.
De roep van de buizerd klinkt als een gerekt klagend gemiauw. Wanneer men een nest nadert, beginnen de buizerds opgewonden en miauwend boven de boomkruinen te vliegen. Dit gedrag heet in vogelaarstaal 'alarmeren
De spanwijdte van de vleugels is ongeveer 113 tot 128 cm. De totale lengte van kop tot staart is ongeveer 51 tot 57 centimeter.[5]
Door de typische vlucht is de vogel gemakkelijk te herkennen; enkele vleugelslagen, kort zweven en dan weer een paar slagen. De buizerd is een uitgesproken langzame vlieger met zijn brede vleugels en de korte, brede staart. Vaak kan worden waargenomen dat een buizerd door een of meer kraaien, die in zekere zin zijn voedselconcurrenten zijn, wordt weggejaagd. De buizerd maakt ook graag gebruik van de thermiek. Op een mooie voorjaarsdag zijn vaak groepen buizerds te zien die zweven in de opstijgende warme lucht in een thermiekbel.[6]
De buizerd bouwt hoog in een boom, in een gaffelvormige boomtak of tegen de stam aanleunend, een nest van dode takken, met daarop bijvoorbeeld dennen- of larikstakken. Een nest van een roofvogel zoals de buizerd noemt men een horst. De vogel zal gemakkelijk een horst uit vorige jaren weer opbouwen.
Het vrouwtje legt in mei twee tot vier eieren, maar meestal drie. Deze witachtige eieren hebben bruine vlekken en vegen. De broedtijd is 28 tot 31 dagen. Het jong dat als eerste uit het ei komt heeft de grootste kans te overleven. Bij gebrek aan voldoende voedsel sterft het zwakste kuiken en wordt uit het nest gegooid, of opgegeten door de rest.
De groene specht (Picus viridis) is een vogel uit de familie van de spechten (Picidae). Het is een talrijke en wijdverbreide standvogel in het grootste deel van Europa en in het uiterste westen van Azië. De specht is eenvoudig te herkennen aan zijn groene verenkleed, zijn zwart met rode koptekening en zijn typische, luide roep. De groene specht voedt zich voornamelijk met mieren, die hij meestal op de grond zoekt. Anders dan veel andere spechtensoorten roffelt de groene specht slechts weinig op bomen.
De groene specht is een relatief grote specht. Een volwassen groene specht heeft een lichaamslengte van 31 tot 34 centimeter. Het gewicht ligt meestal rond de 170 à 180 gram, maar kan variëren tussen de 140 en 250 gram. De vleugelspanwijdte kan 40 tot 52 centimeter bedragen, maar is meestal tussen de 45 en 51 centimeter. Er is vrijwel geen verschil in gewicht en lengte tussen mannetjes en vrouwtjes.
Zijn snavel is echter relatief zwak voor een specht en is alleen geschikt voor zacht hout. De groene specht is meer aangepast op het foerageren op de grond dan de meeste andere spechten. Hij heeft hiervoor een ongewoon lange tong van zo'n tien centimeter, die hij rond zijn schedel kan oprollen. De verhoornde punt van de tong is plat, breed en van kleine weerhaken voorzien. De vergrote speekselklieren zorgen voor een grote kleverigheid
De grote bonte specht (Dendrocopos major) is een vogel uit de familie van de spechten (Picidae). Het is een talrijke en wijdverbreide standvogel in een groot deel van het Palearctisch gebied. Hier broedt hij in bossen en allerlei cultuurlandschappen. De grote bonte specht zoekt zijn voedsel in vrijwel alle vegetatielagen. In de zomer voedt hij zich voornamelijk met insecten en andere ongewervelden, in de winter vooral met plantaardig voedsel, zoals zaden van naaldbomen.
Anders dan zijn naam doet vermoeden is de grote bonte specht een relatief kleine spechtensoort. Een volwassen exemplaar is doorgaans 20 tot 24 centimeter groot en weegt 60 tot 110 gram. De vleugelspanwijdte bedraagt 34 tot 39 centimeter.[
De grote bonte specht is een veelzijdige opportunist, waardoor het hoofdvoedsel per leefgebied sterk kan variëren.[4] Hij eet in de warmere periodes voornamelijk dierlijk voedsel, zoals insecten en hun larven en poppen.
De groenling, groenvink of groninger (Chloris chloris synoniem: Carduelis chloris) is een zangvogel van de familie van de vinkachtigen (Fringillidae). De vogel eet vooral zaden.
Een groenling is ongeveer 15 centimeter lang. Het mannetje is olijfgroen van kleur, vooral op de stuit. De rug heeft een bruine tint en de onderzijde is meer geelachtig. De randen van de vleugel en de meeste staartpennen zijn aan de basis helder geel. De dikke snavel is bijna wit en de poten zijn vleeskleurig. Het wijfje is minder intens van kleur, zij is meer grijsgroen en haar geel in de veren is veel valer.
Het voedsel bestaat voornamelijk uit jonge plantjes, zaden, haver, bessen, bladknoppen en soms ook weleens insecten. De jongen eten voornamelijk insecten zoals bladluis of fruitvliegjes.
Mannetje
De koolmees (Parus major) is een zangvogel uit de familie van echte mezen (Paridae). In België en Nederland is het een zeer talrijke broedvogel. Het is merendeels een standvogel, maar in sommige jaren is er een wisselend aantal doortrekkers.
Kenmerken
Volwassen koolmezen zijn 13,5-15 centimeter groot,[2] hebben een spanwijdte van 22,5 tot 25,5 centimeter en een gewicht van gemiddeld 17 gram. De koolmees heeft een zwarte kruin, witte wangvlekken, een gele borst en daarop overlangs een zwarte band. Mannetjes zijn te herkennen aan de duidelijk bredere zwarte band, maar ook aan de grotere hoeveelheid zwart tussen de poten en meer glans op de kop. Het juveniel is valer gekleurd en mist de zwarte streep, deze verschijnt in het najaar. De koolmees is de grootste soort mees, zoals de wetenschappelijke soortnaam verraadt: major betekent groot. De roep van de koolmees klinkt als péh-puuh wat vergelijkbaar is met de sirene van een politieauto. De zang is een hoog si si sirrr en lijkt iets zachter dan die van de pimpelmees. De vlucht van de koolmees is meestal gelijk aan die van andere mezen. In grote bogen vliegt de koolmees door de lucht, afwisselend wordt met de vleugels geslagen en gezweefd.
Aantrekkingskracht
Koolmezen zien elkaar anders dan wij ze zien,[3] aangezien de groep van vogels waar koolmezen onder vallen heel goed uv-licht kunnen waarnemen, in tegenstelling tot de mens en de meeste andere dieren. Het vermogen om uv-licht waar te nemen is essentieel voor het vrouwtje om een mannetje te selecteren. Het zwarte brede bandje/streepje is hierbij het belangrijkste deel om indruk te maken en een zo groot mogelijke kans te maken voor een mannetje om door een vrouwtje te worden uitgekozen. Uv-gevoeligheid wordt gebruikt om soortgenoten makkelijk waar te nemen maar toch niet op te vallen voor roofdieren aangezien deze geen uv-licht kunnen waarnemen. Voor vrouwtjeskoolmezen speelt hiernaast ook het bewijs dat een mannetje voor haar kan dansen, zingen en voeren een belangrijke rol in de selectie.
De merel (Turdus merula) is een middelgrote zangvogel uit de familie lijsters (Turdidae). Het is een inheemse broedvogel in Europa, Azië en Noord-Afrika en een algemeen voorkomende standvogel in de meer gematigde delen van zijn verspreidingsgebied. De merel is geïntroduceerd in delen van Noord- en Zuid-Amerika, Zuid-Afrika, Australië en Nieuw-Zeeland. In het totale leefgebied van de merel worden een aantal ondersoorten onderscheiden, al worden enkele Aziatische ondersoorten soms beschouwd als volle soorten.
Het mannetje is overwegend zwart en heeft een gele oogring en snavel. In het broedseizoen is zijn melodieuze zang in het grootste deel van Europa 's ochtends en 's avonds te horen. Het vrouwtje en de juveniel zijn meer gecamoufleerd dankzij een donkerbruin verenkleed. Beide geslachten zijn territoriaal in hun broedgebied in bossen en tuinen. De merel is omnivoor en voedt zich met insecten, aardwormen, bessen, vruchten en slakken.
De Pimpelmees is een van de meest wijdverspreide mezensoorten van Europa. Van nature komen ze voor in eikenbossen met veel ondergroei, maar tegenwoordig zijn ze in veel biotopen te vinden zoals parken, boomgaarden en tuinen. Ze komen daarbij makkelijk op voederplankjes en vetbollen.
De Pimpelmees is een holenbroeder en neemt dankbaar nestkastjes in gebruik. Als de opening klein genoeg is zodat de Koolmees er niet in kan, vinden Pimpelmezen het helemaal perfect. Een opening tussen 2,6 en 2,8 mm wordt voor Pimpelmezen aangeraden.
De roodborst of het roodborstje (Erithacus rubecula) is een zangvogel uit de familie Muscicapidae (vliegenvangers).
Het is een vrij gedrongen vogeltje en zowel mannetjes als vrouwtjes hebben een opvallende bruinrode tot oranje keel. De staart is roodbruin, de rug bruin en de buik lichtgekleurd. De zang is het hele jaar te horen. Hij begint 's ochtends te zingen als het nog donker is. Bij gevaar stoot hij de kreet 'tsik' uit. Een bijzonderheid van de roodborst is dat ook de vrouwtjes zingen, vooral in de herfst. Jonge vogels hebben een gespikkelde kop en borst. Het vogeltje is 14 cm lang.
Tegen soortgenoten zijn zowel mannetjes als vrouwtjes heel agressief. Zowel in de zomer als in de winter verdedigen zij hun territorium fel.[2] Daarom leven de roodborstjes veelal solitair. Omdat de meeste vogels zichzelf niet herkennen in hun spiegelbeeld zijn ze ook agressief tegen hun eigen spiegelbeeld, zoals een weerspiegeling in venster van een huis.[3] Dit kan ertoe leiden dat ze in het broedseizoen hun eigen broedsel verwaarlozen. Het kinderliedje van Jan Goeverneur,[4] waarin een roodborst tegen het raam tikt om erin te mogen, is gebaseerd op dit gedrag, dat dus niet bedoeld is om kruimeltjes brood te krijgen
De tjiftjaf (Phylloscopus collybita; zangⓘ) is een kleine, slanke zangvogel uit de familie Phylloscopidae en een zeer algemene broedvogel in België en Nederland.
In het voorjaar en de vroege zomer bijna overal horen. De tjiftjaf is (vooral) een bosvogel die houdt van een rijke ondergroei; veel struikgewas en lage bomen. Wordt in uiterlijk vaak verward met de fitis, maar door het herhaald roepen van zijn eigen 'tjif-tjaf' is snel duidelijk welke van de twee het is.
Insecten en hun larven. Dat kunnen muggen, kevers of vliegen zijn. In het najaar doet hij zich ook tegoed aan bessen en zaden, zoals die van de bosbes, vlier, zwarte en gewone berk. Foerageert rusteloos, kan ook insecten vangen in vlucht.
De winterkoning of vaak het winterkoninkje (Troglodytes troglodytes) is de enige winterkoningsoort die voorkomt in de Oude Wereld (Azië, Europa en Noord-Afrika). Het is een kleine, insectenetende vogel met een opvallend luide zang.
Het is een klein gedrongen, zandbruin vogeltje met een opgewipt staartje. De lichaamslengte bedraagt 9 tot 10 cm. Zijn zang is helder, met vibrerende scherpe trillers.
Ze kunnen tot drie nesten per jaar hebben, met vijf à acht jongen per nest. Deze nesten worden in het voorjaar door het mannetje gemaakt, in heggen, struiken en takkenbossen op een hoogte van ongeveer een meter boven de grond. Hij maakt er meestal ook meerdere per territorium.
De zanglijster (Turdus philomelos) is een zangvogel uit de familie lijsters (Turdidae). Slaat slakkenhuisjes kapot tegen een steen, dit wordt een smidse genoemd.
Zanglijsters lijken veel op de grote lijster (Turdus viscivorus), maar ze zijn kleiner; de zanglijster heeft een lengte van ongeveer 23 cm[2] en een spanwijdte van 33 tot 36 cm. De zanglijster is ook kleiner dan een merel (Turdus merula), die ongeveer 24 cm meet. Een zanglijster weegt tussen de 70 en 90 gram.
De rug van de zanglijster is effen donkerbruin tot olijfbruin (die van de grote lijster is grijs-bruin). De bovenkant van de vleugels van de zanglijster zijn effen bruin met vaal witte uiteinden. De onderkant is vaal oranje-beige. De staart is vrij kort.
De buik van de zanglijster is wit met V-vormige bruinzwarte vlekken. De onderzijde is bruin-okergeel aan de flanken. De poten zijn oranje-roze.
De zanglijster heeft een vale witte ring rond het oog en strepen onder de wangen. De snavel is zwart-grijs en aan het begin bij de kop geel met zwarte snorharen.
Er is nauwelijks verschil tussen de geslachten van de zanglijster.
De zanglijster heeft een gemiddelde levensduur van 5 jaar.
Leeft van Insecten en Wormen. Wanneer een Zanglijster de wormen die hij/zij vangt opvouwt tot een bundeltje in de snavel, is het duidelijk dat het een nest met jongen heeft.
De zwartkop is ongeveer net zo groot als een koolmees en dankt zijn naam aan de zwarte pet op zijn kop, die alleen het mannetje draagt. Het vrouwtje heeft een roestbruine pet. Bij het mannetje is de rest van het verenkleed grijs, bij het vrouwtje grijsbruin. Een jong mannetje heeft in de winter een zwarte pet, met bruine vlekken. De zwartkop vliegt weinig en laat zich vooral horen.
Melodieus en gevarieerd. Kenmerkend zijn de luide, heldere en hoge tonen aan het einde van de zang. Bij onraad een herhaald "tek-tek".