Kasteeltje van Half 1
Over het zogenaamde 'Kasteeltje van Half Eén' - in Terbeek, Metsteren - doen uiteenlopende legendes de ronde. Sommige zijn waar, andere misschien minder. Wat betreft de naamgeving: de stoomtram die Sint-Truiden via Nieuwerkerken met Herk-de-Stad verbond, stopte hier blijkbaar om half één. Sommigen beweren evenwel dat de naam naar een nachtelijk tijdstip verwijst waarop ooit een privé-tram voorname passagiers zou hebben afgeleverd of opgehaald. Zo'n verhaal hangt wellicht samen met het fantasievolle maar ware feit dat de leraar van Prins Boudewijn hier ooit woonde en dat de latere koning der Belgen en zijn broer, troonopvolger Albert II, er effectief gesignaleerd zijn.
Aanvankelijk sprak men in de volksmond over 'het kasteeltje van den Berg', een verbastering van de naam van de eerste eigenaar: Alfred Van den Berck, met -ck. Hij was eigenaar van de toenmalige, nabijgelegen slagmolen. Het kasteel werd gebouwd in 1910. Op een prentkaart uit 1913 staat 'Villa Van de Berk', dus alweer niet helemaal juist.
Na het overlijden van Alfred Van den Berck erfde zoon Maurice het kasteeltje. Na het overlijden van diens echtgenote, in 1950, verkocht hij het pand aan mevrouw Lamberts-Valérie, die het meteen op naam van haar twee dochters liet beschrijven. Het was de echtgenoot van dochter Victoire Lamberts, Paul Paelinck, die als geëerde hofdignitaris Koning Boudewijn en diens broer in Metsteren zou ontvangen - en die zelfs in de rode, glorieuze Aston Martin van zijne majesteit mee door Limburg reed.
Uiteindelijk was het een kleinzoon van baron Paul Paelinck, notaris Baudouin Verelst uit Halen, die het 'Kasteeltje van Half Eén' zo voortreffelijk zou laten restaureren.
In Sint-Truiden bestonden ooit twee herenhuizen met dezelfde benaming: 'Kasteeltje van Halfeen'. Het ene, aan de Halmaalweg, behoorde oorspronkelijk toe aan de vermaarde handelaarsfamilie Stultjens. Daarvan zijn veel historische en meer recente foto's beschikbaar (zie bijlage), maar intussen is het afgebroken.
Het andere 'Kasteeltje van Halfeen' bestaat nog steeds, en wel in het gebied Terbeek van het gehucht Metsteren, nabij Binderveld. Daarvan echter circuleren meer legendes dan afbeeldingen. Tegenwoordig is het pand eigendom van een konigsgezinde notaris, maar in de 20ste eeuw verbleef er geregeld een heuse koninklijke hofdignitaris: de latere baron Paulus Paelinck, gehuwd met Victoire Lamberts, die samen vier dochters op de wereld zetten. Deze Paulus Paelinck, geboren in Hasselt in 1913, was al vanaf 1939 privéleraar van Prins Boudewijn en Prins Albert, aanvankelijk in Brussel, tijdens de Tweede Wereldoorlog ook in Zwitserland. Na het huwelijk van Boudewijn werd hij privésecretaris van Koningin Fabiola, vervolgens jarenlang voorzitter van de Koningin Elisabeth wedstrijd. Leden van het koningshuis zouden meermaals op het kasteeldomein in Terbeek gesignaleerd zijn. Koning Boudewijn benoemde Paulus Paelinck uiteindelijk tot baron.
Is het door diens beschermde status of door het afgelegen karakter van het domein dat er zo weinig foto's van in circulatie zijn?
Vóór 1910 zou hier een ander gebouw hebben gestaan (want de kelders zijn ouder dan het gebouw zelf).
Het andere (en verdwenen) kasteeltje langs de Halmaalweg zou zijn naam gekregen hebben omdat aan de buitenmuur een defecte klok hing waarvan de wijzers op halfeen waren blijven staan.
Het kasteeltje op Terbeek kreeg die naam omdat vlakbij een stopplaats was (onder de middag) van de stoomtram Sint-Truiden - Herk-de-Stad. Het traject van die tram liep door het nabijgelegen 'Kelsbroek', dat nu een natuurdomein is en waar men tussen de dichte begroeiing nog een deeltje van het spoortraject kan ontdekken.
Meer info over dit kasteel onder de rode knop hieronder.
Rode Astin Martin van koning Boudewijn (toen nog prins)
Baron PAELINCK, Hendrik Paul ‘P.P.’, secretaris.
Hasselt 22.12.1913 – Brugge 10.07.1987, x Vicky Lamberts.
Zoon van stationschef Antoon en ...... Leerling Broeders en Atheneum Hasselt 1931. Opvoeder Atheneum Leuven. Doctor wiskunde KU Leuven. Leraar Leuven, Tongeren en Turnhout. Opvallend grote gelijkenis Leopold III.
Huwde drogistendochter Lamberts Sint Truiden. Zijn dochter Veva was getrouwd met brouwerijdirecteur Yannick Boes en en een andere dochter Viviane met nefroloog Wim Hemerijckx (oprichter niercentrum 1970 in Hasselt).
1939 leraar wiskunde, natuurkunde, aardrijkskunde en Nederlands van prinsen Boudewijn en Albert.
Tijdens WO II ook in Zwitserland. Begeleider bij hun uitstappen. Buitenverblijf Terbeek-Binderveld. Kabinetsattaché koning Boudewijn 1955.
Secretaris en leraar Nederlands van koningin Fabiola 1960-1978.
Professor statistiek UCL 1958. Inspecteur-generaal technisch onderwijs 1972. Voorzitter Koningin Elisabethwedstrijd 1979 en directeur van de Koningin Elisabethkapel. Dichter.
Aangetrouwde oom van striptekenaar Marc Sleen. Baron 1978. Ereburger Houthalen-Helchteren. Eredienst Laken, maar begraven in familiegraf ST.
Lit. Louis STERKEN, in HBVL, 17-18.03.1979, Jozef DROOGMANS, Baron Paul Paelinck – 65 jaar, in De Tijdspiegel, 34, 1979, afl. 4 december, p. 27-28 en M. VAN DE WEYER, in HBVL, 09.05.1987.
Bron: uit verzamelde, niet gepubliceerde biografische notities voor het boek 'Wie was wie in Sint-Truiden?', stad Sint-Truiden, 2011. Van de enkele duizenden notities werden in dit boek enkele honderden opgenomen. Aanvullende delen werden niet gepubliceerd omwille van nieuwe drempels voor ernstig biografisch onderzoek (GDPR privacywetgeving, moeilijk toegankelijk stadsarchief, ...).
Gesloten hoeve met gebouwen met een eind 19de- of 20ste-eeuws uitzicht. De hoeve is gelegen op de historische site van een voormalige watermolen aan de Melsterbeek en heeft een belangrijk beeldbepalend karakter in het omliggende open akkerlandschap.
De slagmolen was een olie- en hennepbraakmolen aan de Melsterbeek opgericht voor 1830. Op de topografische kaart Vandermaelen is er op deze locatie reeds een U-vormige, later gesloten, hoeve met molen aanwezig, aangeduid als “Moulin à Huile et à Chanvre”. Deze wordt nog steeds aangeduid als molen op de topografische kaart van 1886, al zou de molen vanaf 1867 afgeschaft worden (afschaffing molen kadastraal geregistreerd in 1867). De molen was midden 19de eeuw in eigendom van Lodewijck (of Louis) Brachet.
De slagmolen is vroeger ook Eijck(haut)molen genoemd volgens onderstaand document.
Verankerde bakstenen gebouwen onder zadeldaken rond een gesloten binnenkoer. Vooral de straatgevel aan de noordzijde geeft het geheel zijn beeldbepalend karakter. Straatvleugel met centrale segmentboogvormige inrijpoort onder trapgevel met sierankers en duivenhuis. Links en rechts van de centrale vleugel haaks volume met aan de straatzijde in de puntgevel uilengaten. Rechtervolume met segmentboogvormige poort van een dwarsschuur. De verschillende volumes, met het woonhuis ten westen, hebben veelal een eind 19de- of 20ste-eeuws uitzicht met mogelijk een oudere kern. De gebouwen werden sterk aangepast doorheen de jaren. Er zijn geen resten meer aanwezig van de voormalige watermolen.
Bron: inventaris onroerend erfgoed.
Informatie
De boerderij is gelegen in Sint-Truiden, Terbeek 124, sectie A, 120C en is momenteel te koop (is eigendom van de stad Sint-Truiden
Hierin staat ook de Eijkmolen vermeld
Hoe een slagmolen werkt staat in het document hierna vermeld.
Poortgebouw Sint-Niklaashoeve
Resten van de voormalige abdij van Terbeek, met abdijhoeve, de zogenaamde "Sint-Niklaashoeve", gelegen aan de Melsterbeek.
Zogenaamde "Sint-Niklaashoeve", hoeve met losstaande bestanddelen, in kern opklimmend tot de 17de eeuw (?), (poortgebouw), en met delen uit de eerste helft van de 18de eeuw (schuur) en de tweede helft van de 18de eeuw (stallen). Bakstenen gebouwen onder zadeldaken (Vlaamse pannen). Een korte, gekasseide oprit verbindt de inrijpoort met de straat.
Ten noordoosten, poortgebouw met kern uit de 17de eeuw (?), (muurankers en muuropeningen der zuidwestgevel), aangepast in de eerste helft van de 18de eeuw (poorten). Vijf traveeën en twee bouwlagen; witgekalkt gebouw op een gepikte plint; gesmeed ijzeren muurankers; dakrand op gesculpteerde houten modillons. Monumentaal opgevatte poorttravee, licht uitspringend, en geplaatst in een bovenaan ingezwenkte, kalkstenen omlijsting; kalkstenen rondboogpoort waarvan de booglijst afgewerkt is met op regelmatige afstanden geplaatste negblokken; boven een geprofileerde waterlijst verheft zich de ingezwenkte top; hierin een kalkstenen rondboognis, geflankeerd door voluten en afgewerkt met imposten en een geprofileerde druiplijst met gestrekte uiteinden; bolbekroning; in de nis een gepolychromeerd Sint-Niklaasbeeld; een zware geprofileerde druiplijst ter hoogte van de dakrand bekroont het geheel; hierboven een gebogen fronton in een kalkstenen omlijsting, waarbinnen het wapenschild van abdis Jeanne Dawans (1679-1717), en de initialen I D.
De zuidwestgevel heeft een verankerde, kalkstenen rondboogpoort met negblokken aan de posten; datering 1738 op de sluitsteen. Mergelstenen kruiskozijnen en kloosterkozijnen, waarvan alleen (op een kruiskozijn na) de omlijsting bewaard bleef; kwarthol profiel en negblokken; bewaard kruiskozijn boven de poort, met geprofileerd kruis. De noordwestelijke zijgevel met drie gedichte, mergelstenen kozijntjes met negblokken en sponningbeloop.
Tussen de beide poortgebouwen bevindt zich een laag gebouw, thans samen met het poortgebouw als woonhuis ingericht. Drie traveeën en één bouwlaag onder wolvedak (mechanische pannen), uit eind 18de-, begin 19de eeuw. Vergroting onder lessenaarsdak naar de noordoostzijde toe. De zuidwestgevel heeft gesmeed ijzeren muurankers en een tandlijst met dropmotief onder de kroonlijst; een rechthoekig venster in vlakke kalkstenen omlijsting, waarschijnlijk van hergebruikt materiaal; een venster onder houten latei; kalkstenen rondboogdeur met negblokken, en de initialen I D met kromstaf in de sluitsteen; aangebouwde gevelvoorsprong in de eerste travee.
In het verlengde van het poortgebouw, stal van dertien traveeën, uit 1792 (datering op de sluitstenen der deuren). Het dak is voorzien van laadvensters met kalkstenen onderdorpels, onder lessenaarsdakjes; gesmeed ijzeren muurankers; kleine, rechthoekige vensters van kalksteen; vijf rondboogdeuren in een kalkstenen omlijsting met neuten, aanzet- en sluitsteen. Witgekalkte noordoostgevel met gepikte plint; asemgaten.
Haaks aansluitend op dit gedeelte, ten noordwesten, langsschuur van drie traveeën. Aanbouwsels onder lessenaarsdak tegen beide gevels. De noordoostelijke zijgevel is voorzien van aandak, muurvlechtingen en uilengaten in de top; verankerde, kalkstenen rondboogpoort met op regelmatige afstand geplaatste negblokken; ontlastingsboog van een rollaag en een platte laag; boven de poort, gevelsteen met wapenschild van een abdis, jaartal 1727 en leus DEO FORTITUDO MEA. Aangebouwd karrenhuis onder lessenaarsdak tegen dezelfde gevel. De zuidwestelijke zijgevel heeft zijn aandak verloren. Aangepaste (?) rechthoekige poort met houten latei en kalkstenen posten; boven de poort, gevelsteen met ingekrast wapenschild van een abdis en initialen M (?) L.
In het verlengde van de schuur, kleinere dwarsschuur en stal; drie traveeën. De voorgevel heeft een verankerde, kalkstenen rondboogpoort met op regelmatige afstanden geplaatste negblokken en een ontlastingsboog van een rollaag; gelijkaardige deur rechts, doch zonder negblokken aan de posten. Zuidwestelijke zijgevel met aandak en vlechtingen. De overige gebouwen zijn minder belangrijke, recentere dienstgebouwen.
De Abdij van Terbeek was een cisterciënzinnenklooster nabij Metsteren. De overblijfselen, in de vorm van de Sint-Niklaashoeve, vindt men aan Terbeek 76-78. aldaar zie Sint-Niklaashoeve in vorg deel.
Geschiedenis
Aanvankelijk waren de zusters gevestigd in het klooster Sint-Trudodal, in de buurtschap Straten ten westen van Sint-Truiden. De stichtingsdatum is niet bekend, maar het zou om een voornamelijk houten complex zijn gegaan, dat in 1145 afbrandde, waarop de zusters verspreid werden.
Het is niet duidelijk wanneer het klooster van Terbeek gesticht werd, wellicht in 1193, mogelijk ook in 1221. Het was gelegen aan de Melsterbeek, vandaar de naam Terbeek. Het klooster was onderhorig aan de Abdij van Cîteaux. Later werd het verheven tot abdij.
In 1707 was er nog een brand, maar met de komst van de Fransen werd de Abdij opgeheven (1796). In 1798 vond een openbare verkoop van de bezittingen plaats en het was ene Gilles Guillaume Siaens (27.9.1751-14.07.1809) die het kocht.
Wat overbleef was een klein deel van de abdijgebouwen, en een hoeve, die bekendstaat als de Sint-Niklaashoeve. De kapel werd in 1959 overgebracht naar het Openluchtmuseum Bokrijk.
Kloostervleugel
De L-vormige kloostervleugel is het restant van een oorspronkelijk vierzijdig gebouw om een binnenplaats. Deze omvat het voormalige abdissenverblijf en het gastenverblijf. Er zijn de jaartallen 1627 (windvaan) en 1684 (muurankers) te vinden, alsmede 1707, getuige van de wederopbouw na de brand.
De oorspronkelijke stichting van dit cisterciënzerinnenklooster was het klooster Sint-Trudodal, gelegen in het gehucht Straten, in de 12de eeuw. In de eerste helft van de 13de eeuw (mogelijk in 1221) vestigde de orde zich in Terbeek. In 1707 werd een groot gedeelte der gebouwen door brand vernield. In 1796 werden de goederen in beslag genomen en verkocht aan G. Siaens.
Van de abdijgebouwen bleef een vleugel van het oorspronkelijke kwadraatvormige klooster bewaard (nummer 76), namelijk het abdisverblijf met gastenverblijf, de hoeve (nummer 78), en de kapel, die in 1959 naar het Openluchtmuseum van Bokrijk werd overgebracht, en voorheen stroomopwaarts op de linker oever der Melsterbeek gelegen was; de kerk, aansluitend op de cellen, en het washuis over de beek werden voor kort gesloopt. Het geheel ligt in een gave, landelijke omgeving, met aan de noordoostzijde de straat, en aan de zuidwestzijde de Melsterbeek; velden en weilanden omringen het complex aan alle zijden. De gebouwen zijn opgetrokken rondom een gekasseide binnenplaats, thans door een muur in twee verdeeld.
Ten zuidoosten, kloostervleugel, bereikbaar langs een poortgebouw ten oosten van de binnenplaats, voorzien van een schilddakje (kunstleien); rondboogpoort in een verankerde, kalkstenen omlijsting.
L-vormig, alleenstaand gebouw van twaalf + zes traveeën en twee bouwlagen onder steil, mank zadeldak (kunstleien en golfplaten), met dakkapellen en een klokkenruitertje met gesmeed ijzeren windvaan. Datering 1627 op de windvaan en 1684 door middel van muurankers op de zuidoostgevel; de datering A 1707 (muurankers) op de noordwestgevel verwijst naar de wederopbouw na de brand in hetzelfde jaar; de zuidwestgevel behield de aanzet van een datering door middel van muurankers: A 1, het overige gedeelte van het gebouw is verdwenen. Aan de noordoostzijde sloot het gebouw aan bij de kerk, die thans eveneens verdwenen is. De bouwnaad, rechts, duidt de oorspronkelijke lengte van de noordwestvleugel aan.
Bakstenen gebouw waarvan de noordwestgevel voorzien is van een bakstenen plint met zandstenen afzaat; gesmeed ijzeren muurankers; dakrand op uitgesneden houten modillons. Oorspronkelijk mergelstenen kruiskozijnen, waaruit thans het kruis is verdwenen; posten met kwarthol profiel en negblokken; de benedenvensters hebben vrijwel allemaal hun mergelstenen latei bewaard; dubbele ontlastingsboogjes van een rollaag en een platte laag. De linkse deur is een vergroot venster; de middendeur (tweede helft 18de eeuw) schijnt samengesteld te zijn uit hergebruikte kalksteenblokken; de rechtse deur (18de eeuw) heeft een geblokte, kalkstenen omlijsting, en een gecementeerd bovenlicht onder houten latei. De achtergevel heeft gewijzigde muuropeningen onder houten lateien, met de oorspronkelijke ontlastingsboog van een brede rollaag en een platte laag. De noordoostelijke zijgevel behield de bakstenen korfboogpoort die toegang gaf tot de aansluitende kerk.
De zuidwestvleugel heeft aangepaste muuropeningen, grotendeels onder houten lateien. Oculi en gesmeed ijzeren muurankers in de zuidoostelijke zijgevel.
De kapel, werd in 1959 overgebracht naar het Openluchtmuseum van Bokrijk.
Deze 18e-eeuwse kapel hoorde bij de Cisterciënzerabdij ‘Ter Beek’ van Metsteren. Van dezelfde abdij werd ook een washuis naar Bokrijk overgebracht. De kapel was toegewijd aan Onze-Lieve-Vrouw. Het gebouw stond aan de rand van de Melsterbeek, waar de naam van de abdij naar verwijst. In de loop der jaren verlegde de loop van de beek zich. Daardoor begon het water de grondvesten van de kapel aan te tasten. In de jaren 1950 dwong dit tot de afbraak van de kapel. Eigenares Schoofs schonk het gebouw aan Bokrijk in 1958. De kapel werd in 1960 in het museum heropgebouwd met de financiële steun van het Davidsfonds.
De bakstenen kapel met natuurstenen accenten heeft een achthoekig grondplan. Deze vorm is vrij uitzonderlijk: er zijn slechts een handvol gelijkaardige kapellen in Haspengouw bekend. Het leien dak is bekroond met een torentje dat plaats biedt voor een klok. Het verdwenen klokje van de kapel werd na overbrenging naar Bokrijk vervangen door een klok uit de St.-Antoniuskapel van Bree. Twee ijzeren ex voto’s, horende bij het interieur van de kapel, werden mee aan Bokrijk geschonken. Een ex voto is een klein voorwerp dat een gelovige aan een kerk, kapel of gewijd oord gaf. Het was een smeekbede of dank aan God of een heilige voor een gunst die men vroeg. De vorm van de ex voto refereerde naar de specifieke wens, bijvoorbeeld het lichaamsdeel dat genezen was. Het gegeven dat er in deze kapel ex voto’s hingen, betekent dat ze een belangrijke plaats innam in de lokale volksdevotie. Verder had de kapel een rijke aankleding met verschillende heiligenbeelden. Deze objecten werden na de verplaatsing van de kapel door de eigenares bewaard. Daarom werd het interieur van de kapel in Bokrijk opnieuw samengesteld, met o.a. een zijaltaar van de Kerk uit Erpekom.
Dit 18e-eeuwse washuis is afkomstig uit Metsteren. Het hoorde bij de Abdij van Terbeek in Sint-Truiden. In 1963 schonk de eigenares het gebouw aan Bokrijk. Het washuis ligt aan de buitenrand van het museum, nabij Parking 2. Je kan hier voor of na je bezoek terecht voor een sanitaire stop. Dit washuis (1731) was vroeger eigendom van de Abdij van Terbeek in Sint-Truiden. De naam van de abdij verwijst naar de nabijgelegen Melsterbeek.
Het washuis werd schrijlings over de beek gebouwd zodat het water voor de was rechtstreeks uit de beek kon worden benut. In een washuis stonden verschillende houten waskuipen of tobben. Om het voorover buigen te vermijden, werden de tobben op een driepotige voet geplaatst. In 1963 ondermijnde en destabiliseerde de Melsterbeek het washuis. Eigenares Schoofs schonk daarom het gebouw aan Bokrijk. Hier werd het opnieuw over een beek gebouwd.
Een zwaar karwei
Water halen of de was naar een rivier of washuis dragen, het wasgoed weken, koken, stuk voor stuk inzepen, schrobben, uitspoelen en uitwringen, bleken, … Zonder stromend water en elektriciteit is de was doen een zwaar en tijdrovend karwei. In steden of bij grote instellingen, zoals abdijen en kastelen, stond een washuis, zoals dit gebouw, waar de was werd gedaan.
Wie doet de was?
De was doen was een vrouwentaak. Mannen kwamen daarom zelden of nooit in washuizen. Hout of een andere brandstof aanvoeren voor het vuur was daarentegen wel mannenwerk. Om 100 liter water te verwarmen op een open haard, was ongeveer 40 kg hout nodig. Aanvankelijk werd kleding en ander textiel niet zo vaak gereinigd. Maar geleidelijk aan begon men vaker te wassen. Vanaf ca. 1850 moesten overheidscampagnes voor een betere hygiëne de verspreiding van ziektes tegengaan. Wassen werd ook eenvoudiger dankzij waterleidingen en uitvindingen zoals de elektrische wasmachine. Veel gezinnen hadden er pas een na de Tweede Wereldoorlog.
Water halen en nieuwtjes uitwisselen
Water voor de was haalde je bij een rivier, uit een waterput of bij een (gemeenschappelijke) pomp. Daar werden ook de laatste nieuwtjes uitgewisseld. Voor het hele wasproces waren tientallen emmers water nodig. Pas na de Tweede Wereldoorlog kwam de aanleg van waterleidingen goed op gang. Om geen water te hoeven dragen, kon je het wasgoed in de rivier wassen.
De Abdij van Nonnenmielen (ook wel gespeld als Nonnen-Mielen en Nonnemielen) was een benedictinessenabdij die zich bevond te Metsteren, en waarvan nog tal van overblijfselen aanwezig zijn.
Deze abdij werd gesticht in de 12e eeuw als Sint-Katelijneklooster (Conventus Sancte Catherine of het Sint-Catharinaklooster van Sint-Truiden). Het bevond zich juist buiten de stadsomwalling van Sint-Truiden, op de plaats van het huidige station. In 1193 werd de Sint-Catharinakerk van het klooster ingewijd. Deze werd in de 18e eeuw afgebroken.
In 1231 verhuisden de zusters naar Metsteren, waar ze een uitgebreid complex bouwden, dat in 1543 tot abdij werd verheven. Het goed bevond zich op een omgracht perceel, met in het westen de Melsterbeek. In de 18e eeuw was het klooster een L-vormig gebouwencomplex, waarin zich ook een gasthuis en een kerk bevond. Daarnaast bezat de abdij drie hoeven, waarvan er nog één bewaard is gebleven. Daarnaast bezat ze een watermolen op de Melsterbeek: de Metsterenmolen. De abdij werd in 1796 opgeheven en haar bezittingen publiekelijk verkocht.
Kasteel Nonnenmielen
Op de plaats van de abdij bevindt zich tegenwoordig een kasteel in neoclassicistische stijl. Het huidige adres is Metsterenweg 133-135. Het dateert deels uit de 2e helft van de 18e eeuw (poortgebouw met toren), en werd omstreeks 1862 uitgebreid tot de huidige vorm. Ook is er een wagenhuis. Het geheel is omringd door een park, en een gekasseide dreef voert erheen.
Boerderij
Deze, aan Metsterenweg 131 gelegen hoeve maakte oorspronkelijk deel uit van de bezittingen der abdij. Het oudste deel stamt uit de 2e helft van de 17e eeuw, getuige het jaartal 1686. Het is een langgerekt, U-vormig complex Er is een poortgebouw dat door twee torentjes wordt geflankeerd. De monumentale gebouwen bevatten een wapenschild van abdis Mechtildis d'Eynatten de Thys (1678-1719).
Eén der vleugels werd in de 18e eeuw aangepast. Uit die tijd zijn ook de stallen en de dwarsschuur. Verder is er een duiventil. In de oostgevel vindt men een fronton met de wapenschilden van Anne de Fraipont de Tilff en Louise de Bormans de Hasselbroeck uit respectievelijk 1755 en 1785.
Oudste deel van het kasteel: poortgebouw met duiventil van 1661
Achterkant van het kasteel met op de voorgrond de wijngaard
1135: Het kasteel en de heerlijkheid Binderveld bij St.-Truiden bestonden. reeds in de 12e eeuw, want in het charter van 1135, waardoor graaf Arnold van Loon de abdij van Averbode stichtte, wordt een zekere «Olderick van Bilrevelt» als getuige vermeld en welke het leen ontving. Binderveld was een Loonse gemeente, waar men in beroep ging bij het hof van Vliermaal. Het kasteel gelegen op een door grachten omringd domein met tuin vormden echter een Brabants leen, hetgeen inhield dat de heren van Binderveld tegelijkertijd en vazal of leenman waren van de graaf van Loon en van de hertog van Brabant.
1251:Van 1251-1371 was het in bezit van de familie Van Montenaken. Zo vocht o.a. Willem van Montenaken in 1288 bij de slag van Woeringen aan de zijde van hertog Jan II van Brabant. De graven van Montenaken hebben de heerlijkheid van Binderveld behouden tot in 1508, in de 15e eeuw van de familie Van Hamal.
1525: Vanaf 1525 van de familie Van Grevenbroek. Door het huwelijk van Maria van Grevenbroek in 1534 met Carolus de Copis kwam het goed in het bezit van de familie de Copis en bleef dit tot in 1721. Maria was de dochter van Hendrik van Grevenbroek († 1530) en van Everardina de Surlet de Chockier.
Haar vader werd begraven in de kapel van St.-Jan en zijn grafsteen lag op het einde van de vorige eeuw nog in de tuin van de pastorie, maar staat niet meer vermeld in het repertorium van de Limburgse bedehuizen dat in 1977 door wijlen B. Geukens uit Tongeren werd samengesteld.
1634: In het begin van de 17e eeuw was het kasteel erg vervallen, maar in 1634 werd de door Hieronymus de Copis (die heer was 1635 tot 1653). volledig herbouwd. In 1636 werd het alweer geplunderd door Kroatische troepen, (die de hele Kempen onveilig maakten onder leiding van Jan van Weert) en ging het in de vlammen op,.
1637: Het kasteel werd opnieuw verwoest, nu door Nederlandse Staatse troepen en de heer werd zelfs gevangen door de Hollanders naar Maastricht gevoerd.
Hiëronymus Van Copis overleed in 1721 en diens weduwe, Joanna Isabella Clara de Coloma, hertrouwde in 1722 met Jozef Le Roy, waarmee het leengoed aan de familie Le Roy kwam. Joanna overleed in 1741,Jozef hertrouwde in 1742 met Elizabeth Arrazola de Oñate, welke in 1766 het kasteel van haar echtgenoot erfde
1654: Het kasteel werd door de Lotharingse troepen bezet. De soldaten van de hertog van Lorreinen maakten er een wapenopslagplaats van en van hieruit vernielden en plunderden ze drie maanden lang het omliggende. Een derde maal werd het kasteel geplunderd in 1699.
1721:Door huwelijk werd in 1721 baron Josephus Casimir Benedictus Le Roy heer van Binderveld.
1728: Nogmaals door brand vernield in 1728, maar nu door de onachtzaamheid van de portier. Het huidige waterkasteeltje, opgetrokken in barokstijl, werd in 1729 heropgebouwd door baron Le Roy. Het werd herbouwd in 1729 door de toenmalige heer J.B.C. Le Roy. Het werd een halfgesloten complex.
Toen zij in 1788 overleed kwam het kasteel in bezit van Joanna Arrazola de Oñate, die een nicht van Elisabeth was. In 1791 trouwde zij met Hubert de Succa.
Doch Joanna overleed in 1795 bij de bevalling van Lodewijk de Succa. De laatste heer was Louis Leonard de Succa, zie wapenschild.
Deze nu, erfde het kasteel, maar bezat geen heerlijke rechten meer. In 1826 werd het kasteel, met de kapel, door Lodewijk verkocht aan het echtpaar Schrijnmakers-Lijnen.
De kapel, welke bij het kasteel behoorde, werd in 1842 vervangen door de huidige kerk. Deze staat tegenwoordig een honderdtal meter ten noorden van de plaats waar eens de kapel zich bevond.
In 1865 werd de ophaalbrug door de familie Schrijnmakers vervangen door een vaste stenen brug.
Ernest Emile Odilon Joris 1885-1964 kocht het kasteel rond 1920.
Vanaf 1956 was het bezit van de familie Ballet, ook eigenaar van de Molen van Binderveld op de Melsterbeek
Vervolgens rond 2010kwam het in bezit van notaris Baudouin Verelst, welke het in oorspronkelijke stijl liet restaureren, waarbij ook de omgrachting werd hersteld.
Van het vroegere kasteel bestaat er nog een wachttoren uit 1661 en de spits of duiventil uit 1681.
Het woonhuis stamt uit 1729, bevat de wapenschilden van Le Roy en De Coloma. De kern van dit gebouw dateert uit 1635 (periode-Van Copis). Het gebouw is opgetrokken uit baksteen en zandsteen, en het staat op een plint van breuksteen. De rechter zijgevel kenmerkt zich door muurbanden.
De rechthoekige poorttoren is gebouwd in baksteen. Ze wordt gedekt door een tentdak met klokvormige spits. Hat dak wordt gebruikt als duiventil.
Over de geschiedenis van het dorp zelf is niet zoveel geweten, maar we kennen wel de levensloop van het kasteel en die heeft zeker ook de geschiedenis van het dorp zelf bepaald.
Remacle Le Loup (1694-1746), Vue du Chateau de Binderveld, 1740, papier, kopergravure.
Kasteel van Binderveld links onder op de Ferrariskaart 1777, veel groter dan nu, zie ook de kapel buiten de watergracht.
Stafkaart 1939 met het kasteel (gereduceerd gebouw) beneden in het midden
Plan omgeving kasteel nu (2024)