De jager-verzamelaars van de Federmessergroepen uit het finaalpaleolithicum (11.700 tot 10.800 v. Chr.) kampeerden in tenten op een droge plaats, vaak in de nabijheid van een waterplas. Vandaar vertrokken ze op jacht of op zoektocht naar vruchten, kruiden, paddestoelen... Ze maakten er een kampvuur om hun eten te bereiden en om het warm te hebben in de koudere perioden van het jaar. Ze maakten er hun nieuwe werktuigen en de kapotte en versleten werktuigen werden weggegooid. Hun naam 'Federmessergroepen' kregen ze op basis van de naam van hun pijlpunten die leken op een een pennenmes.
De archeologen vinden het loopoppervlak uit die tijd terug, begraven onder een dikke laag zand. Op en in dat loopoppervlak treffen de archeologen de stenen werktuigen van de jager-verzamelaars aan. Enkel de stenen werktuigen. Want alle andere materialen (hout, dierenhuiden, bot, gewei ...) zijn volledig vergaan.
Het begraven loopoppervlak uit die tijd herkennen we in de ondergrond als een bleke band met bovenop een zwart laagje, dat gevormd wordt door houtskool. De archeologen gaven die bleke band een naam: de Usselo-bodem.
De dikke laag geel zand bovenop de Usselo-bodem werd door de wind afgezet tijdens de laatste stuiptrekking van de ijstijd tussen 10.800 en 9.500 v. Chr.. In die periode van het finaalpaleolithicum kampeerden er weinig of geen jager-verzamelaars in de Kempen.
Hoe herken je de Usselo-bodem?