Omstreeks 9.500 v. Chr. was de laatste ijstijd afgelopen en kwam er ook een einde aan het geologische tijdvak met de wat moeilijke naam 'pleistoceen'. Een nieuw geologisch tijdvak begon: het 'holoceen'. In dat tijdvak leven we nu nog steeds.
De mensen die vanaf 9.500 tot 4.000 v. Chr. in de Kempen woonden, kennen we als de mesolithische jager-verzamelaars. Ze leefden in een landschap dat steeds dichter bebost geraakte. Natuurlijk zochten zij ook vaak de nabijheid van het water op om hun hutten te bouwen.
Omdat het klimaat beter was geworden, stopten de zandverstuivingen. Bovenaan in de dikke laag geel zand die was afgezet bovenop de begraven Usselo-bodem, begon zich een bodem te ontwikkelen. Wij kennen hem als de podzolbodem. Uit de grijze horizont zijn alle humusdeeltjes en ijzerdeeltjes verdwenen en ze hebben zich afgezet in de donkerbruine en donkeroranje horizonten eronder.
In die podzolbodem treffen de archeologen alle archeologische vondsten en sporen aan vanaf het mesolithicum tot en met nu. Dat vondsten en sporen uit verschillende tijdsperioden op één plek door elkaar kunnen zitten, maakt het werk van de archeologen soms ingewikkeld.
Stelling: Als je een diep gat graaft, vind je de podzolbodem boven de Usselo-bodem.