Lang geleden woonde er in Amsterdam een groot schilder. Zijn naam was Rembrandt. Omdat hij geboren was in Leiden, noemde hij zichzelf Rembrandt van Rijn. Altijd was Rembrandt aan het werk in zijn atelier. Daar gaf hij ook schilderles aan zijn leerlingen.
Soms ging hij er een dagje op uit om buiten te tekenen. Dan tekende hij huizen en bomen, of een poort van de stad. Op een dag riep Rembrandts vrouw Saskia naar boven: 'Rembrandt, er is bezoek voor je! Twee heren willen je spreken.'
Rembrandt legde zijn kwast neer en veegde zijn handen af aan zijn schort. Waarom moest hij juist nu worden gestoord? Hij keek naar het doek voor hem op de schildersezel. Op dat doek was een man te zien. Het was een zelfportret. Rembrandt wist wel waarom hij op het doek zulke rimpels in zijn voorhoofd had. Hij maakte zich zorgen om zijn vrouw Saskia. Ze was zwanger en het ging niet zo goed met haar.
Rembrandt stommelde de trap af. In de ontvangstkamer zaten twee mannen te wachten. Eén voor één stelden ze zich aan hem voor. 'Frans Banning Cocq, kapitein van de schutterij.' 'Willem van Ruytenburgh. Ik ben luitenant. 'We willen graag dat u een groot schilderij van ons maakt,' zei Frans. 'Met alle schutters van de schutterij,' vulde Willem aan. Rembrandt knikte. 'Ik begrijp het,' zei hij. 'Jullie willen een schuttersstuk. Dan kan iedereen zien hoe goed en belangrijk jullie zijn. 'Ja,' zei Frans. 'We zijn met zijn achttienen. Elke soldaat van de schutterij betaalt 100 gulden. We dachten dat dat wel genoeg moest zijn voor een levensgroot schilderij. 'Het bleef even stil. Toen zei Rembrandt: 'Ik heb er niet zoveel zin in'. De twee schutters keken Rembrandt verbaasd aan. Hoorden ze het goed? Had de schilder geen zin om veel geld te verdienen met een opdracht?
'Ik heb een hekel aan schuttersstukken,' ging Rembrandt verder. 'Er is geen lol aan om een stel stijve harken op een rijtje te schilderen.
Frans en Willem keken elkaar even onzeker aan.
'Maar we willen heel graag dat u het doet,' zei Willem. 'U bent de beste schilder van het land.'
Rembrandt haalde zijn schouders op.
'We geven u natuurlijk alle vrijheid,' voegde Frans er gauw aan toe. 'U mag ons schilderen zoals u zelf wilt.'
'In dat geval,' zei Rembrandt, 'neem ik de opdracht aan.'
Die avond maakten Rembrandt en Saskia een wandeling door de stad.
'Je bent niet erg vrolijk,' zei Saskia. 'Ben je niet blij met de opdracht?'
'Jawel,' zei Rembrandt. 'Het is een grote opdracht, ik zal er zeker twee jaar mee bezig
zijn. Maar wat zal ik me gaan vervelen met al die portretten van mannen die zichzelf zo belangrijk vinden! Wat begrijpen die soldaten van kleur? Ze hebben er geen idee van wat een schilder met verf kan doen. Ik zou willen toveren met licht. Ik wil iets laten gebeuren. Het schilderij moet een verhaal vertellen. Ik wil actie.'
Ze kwamen bij een van de poorten van de stad.
'Zullen we teruggaan, ik ben moe,' zei Saskia. 'Het wordt al bijna donker.'
'Wacht,' zei Rembrandt. 'Zie je die spelende kinderen daar bij de poort? Die zou ik willen schilderen. Kijk eens hoe de stralen van de ondergaande zon het gezicht van dat meisje beschijnen.'
'Ken je haar niet? Dat is Beth, de dochter van de trommelaar. Ze woont vlak achter ons, in de steeg. Het is maar een heel dom kind.'
'Ik vind haar beter dan al die schutters bij elkaar,' zei Rembrandt.
In de weken daarna was het een komen en gaan in het atelier van schilder Rembrandt. Eén voor één kwamen de schutters poseren. Ze hadden hun mooiste uniformen aan. Hun wapens hadden ze gepoetst tot ze glansden. Toen Rembrandt alle schutters getekend had, liet hij Beth komen, en ook haar vader, de trommelaar. Op de binnenplaats van het huis aan de Jodenbreestraat spande Rembrandt een groot doek op een raam. Groot genoeg voor 18 schutters, een meisje, spelende kinderen en een hondje.
Een paar maanden later beviel Saskia van een zoon, Titus. Hij was een sterke jongen. Rembrandt was blij: eindelijk had hij een kind dat sterk genoeg was om te blijven leven. Maar met Saskia ging het slechter en slechter. Kort na de geboorte van Titus overleed ze. Rembrandt bleef alleen thuis achter. De huishoudster zorgde voor hem en de kleine Titus. Ondanks al die gebeurtenissen werkte Rembrandt elke dag aan het grote doek op de binnenplaats. In het midden schilderde hij Frans Banning Cocq en Willem van Ruytenburgh, met om hen heen de 16 andere schutters.
Na 2 jaar was het schilderij klaar. Frans en Willem kwamen kijken. Ze wisten niet wat ze moesten zeggen. Sprakeloos keken ze naar het schuttersstuk. Ja, ze stonden er allebei op. Heel voornaam. Maar wat deden die kinderen daar? Wie was dat meisje? Waarom stond zij in het volle licht? Toch durfden Frans en Willem er niets van te zeggen. Ze hadden met de schilder afgesproken dat hij zijn gang mocht gaan. De schutters konden niets anders doen dan het schilderij goedkeuren en de schilder zijn geld betalen. Achttien keer 100 gulden.
Een paar dagen later werd het schilderij opgehaald. Er waren acht mannen nodig om het doek te dragen. Frans en Willem liepen mee om te zorgen dat alles goed ging.
'Ga eens opzij!' riep Frans tegen een spelend meisje. Geschrokken keek Beth op. Met open mond keek ze naar het wandelende schilderij. Ze wees naar het prinsesje in het gouden licht.
'Dat ben ik!' riep ze uit. Maar niemand luisterde naar haar.
En zo..... is het echt gebeurd.
Uit: Lang geleden- Arend van Dam & Alex de Wolf