Lang geleden ontdekte Willem Barentsz Spitsbergen. Het was een kaal eiland waar niet veel te beleven viel. Willen Jantszoon voer helemaal naar Australië. Het was het grootste eiland van de wereld. Maar op het strand stonden woeste mannen met speren en knuppels. Willem durfde niet aan land te gaan. Ook Jan Huygen reisde de wereld rond. Hij werd vooral beroemd door een liedje:
Jan Huygen in de ton,
met een hoepeltje erom,
Jan Huygen, Jan Huygen,
en de ton die viel in duigen
Veel kooplieden in ons land waren nog lang niet tevreden over al die ontdekkingen. Spaanse, Portugese en Engelse ontdekkingsreizigers ontdekten landen vol goud en zilver. Dat wilden de Nederlandse kooplieden ook. Ze zeiden tegen elkaar: 'Als we rijk willen worden, moeten we beter samenwerken. In het Oosten zijn nog genoeg landen die ontdekt moeten worden.'
De kooplieden begonnen een club: de Verenigde Oost-Indische Compagnie. De eerste letters van die drie woorden schreven ze op hun schepen: VOC. Op een dag stuurden de Rotterdamse kooplieden vijf schepen op ontdekkingsreis. Op 19 april 1600 kwam een van die schepen aan in Japan. Dat schip heette: De Liefde. De 24 zeelieden en kapitein Kwakernaak gingen aan land. Ze waren uitgehongerd, maar ook blij dat ze een nieuw land hadden gevonden. Meteen kwamen er soldaten op hen af. Ze werden vastgegrepen en opgesloten in een gevangenis.
De keizer van Japan. Tokugawa, hoorde al snel over de Hollandse bezoekers. Hij was nieuwsgierig en wilde graag weten wat ze kwamen doen. Tokugawa liet kapitein Kwakernaak bij zich komen. 'Waarom ben je naar ons land gekomen?' vroeg de keizer.'Om handel te drijven,' antwoordde de kapitein. 'Dat zeggen alle kapiteins,' zei de keizer. 'Eerst kwamen de Portugezen naar ons land. Ze zeiden dat dit land nu van hen was. Ze wilden het een nieuwe naam geven. Wat valt er te ontdekken aan een land waar al duizenden jaren mensen wonen? Dit land is van ons. Jullie zijn onze gasten. Doe een beetje beleefd.'
Kapitein Kwakernaak moest de keizer wel gelijk geven. Veel ontdekkingsreizigers probeerden landen in te pikken en leeg te stelen. 'Keizer Tokugawa,' zei hij na een poosje, 'ik beloof u dat wij niets anders zullen doen dan spullen kopen of verkopen.' 'Wat heb je dan zoal te koop?' vroeg de keizer. 'Wij hebben wapens van ijzer en kleren van wol.
'Jullie kleren hebben we niet nodig,' zei de keizer. 'Ik draag liever een kimono van zijde dan zo'n dikke wollen jas. Maar jullie wapens wil ik wel hebben. Als je ze mij cadeau geeft, maak ik een afspraak met jullie. Jullie mogen handel drijven, maar ik wil niet dat jullie overal vrij rondlopen. Daarom zal ik speciaal voor jullie een eilandje voor de kust laten bouwen. Elke kapitein die naar ons land komt, mag daar een poosje wonen. Ik wil ook dat elke kapitein bij mij op bezoek komt.'
'Afgesproken,' zei Kwakernaak.
De keizer hield zich aan zijn afspraak en liet een eilandje bouwen in de vorm van een waaier. Dat eilandje kreeg de naam Deshima. Elk jaar kwam er een Hollands schip aan met spullen om te verkopen. De scheepslieden bouwden op het eiland een huis, een werkplaats, een pakhuis en een stal voor de koeien, schapen en kippen. Want ze hadden geen zin om elke dag vis te eten.
Zoals beloofd gingen de kapiteins op bezoek bij de keizer. In het paleis werden lange gesprekken gevoerd, want de keizer stelde 100 vragen over het leven op zee, het leven in Holland en de landen die de zeelieden onderweg hadden bezocht. Elk jaar maakte de keizer een verlanglijst van cadeaus die hij graag wilde ontvangen. Het ene jaar vroeg hij een verrekijker en een pomp om branden te blussen. Het andere jaar vroeg hij om een olifant.
Op een dag zei de keizer: 'Ik zou wel eens het verschil willen zien tussen een kameel en een dromedaris.' En dus legde de volgende kapitein, op weg naar Japan, aan in Afrika en kocht daar een kameel en een dromedaris. De keizer kreeg altijd zijn zin.
Een jaar later wilde de keizer een paard, een klok, een schilderij en een paar struisvogels. Met de struisvogels liep het slecht af. De keizer zei: 'Laat ze eens los.' Maar de dieren hadden zo lang in een kooi gezeten dat ze tegen de muren van het paleis opstoven toen ze eenmaal werden vrijgelaten.
Waar de Japanse keizer vooral blij mee was, waren de Hollandse dokters. Die konden zieke kinderen beter maken. Van die Hollandse dokters konden ze in Japan veel leren. De keizer liet een school bouwen waarin de Hollanders Japanse dokters les konden geven.
Jaar in, jaar uit bezochten de Hollandse schepen Japan. Alle kapiteins hielden zich aan de afspraak: wel handel drijven, maar niet bazig doen. En natuurlijk: de keizer verwennen met alle cadeaus die hij wilde hebben.
En zo.... is het echt gebeurd.
uit: Lang geleden- Arend van Dam & Alex de Wolf