Onze Geschiedenis

Ere-voorzitter Carlos Holvoet dook voor deze tekst in de archieven.

DE EENDRACHT van ETTERBEEK ontstond de vorige eeuw (1884) in het zeer landelijk Etterbeek als onderafdeling van De Ceciliabond. Deze onderafdeling was van bij de aanvang een zeer actief lid van die koepelorganisatie die naast toneelopvoeringen, ook voordrachten, kerkzang, café- en optochten van de fanfare organiseerde of patroneerde. De notabelen van het dorp waren de mecenassen of fungeerden als bestuursleden van de onderscheiden afdelingen, dat alles onder het gestrenge en waakzame oog van Mijnheer Pastoor.

Het was dus normaal dat de hele clan bij iedere kerkelijke processie of profane stoet hun eerbiedwaardigheid demonstreerden door mee te stappen achter die ruw geconfectioneerde vlag, waarop in ieder hoek telkens een stuntelig embleem van een onderafdeling was geborduurd. Die activiteiten waren het kersje op de taart van het jaarlijks weerkerende dorpsfeest. Ze waren in die overwegend rurale gemeenschap, naast kerkgang, huwelijken en begrafenissen de enige momenten van sociale ontmoeting. Het was ook tijdens die activiteiten dat roddel en andere praatjes werden verspreid en gesmaakt, waardoor men heel precies wist waar het zedig niet-aflatend wakende oog van Mijnheer Pastoor heel eventjes troebel was geweest.

De Bond was dus in het dorp het nieuwsmedium bij uitstek dat onder meer zeer precies kon aangeven wanneer een geboorte kon verwacht worden en wie dat evenement op zijn palmares zou mogen schrijven. Daardoor konden, zoals verwacht, kleine en grote spanningen niet altijd vermeden worden. En dus had Mijnheer Pastoor geregeld de opdracht om de brand bij spectaculaire ruzies te gaan blussen. Het waren dan ook de opeenvolgende dorpsherders die het mirakel verwezenlijkten dat De Ceciliabond het nagenoeg 40 jaar kon uithouden. In 1921 is die dan tenslotte toch ter ziele gegaan. Ze stierf verbaal een eerder gewelddadige dood, en veel tranen werden er niet gestort. Maar de meest actieve, ook erg agressieve tak, de toneelvereniging, kon zich uit die sociale aardbeving bevrijden, reorganiseerde de troepen om meteen van start te gaan onder een nieuw herkenningsteken:

"DE EENDRACHT"

Vanaf 1921 speelde die vereniging toneelvoorstellingen onder eigen naam en onder eigen beheer. Maar dat wil niet zeggen dat Mijnheer Pastoor buiten spel stond. Neen, dat ook weer niet: hij hield nog steeds een stevige vinger in de organisatorische pap. Hij stelde onder meer zijn vrome veto tegen gemengd toneel. Mannen en vrouwen samen op toneel dat was, vond hij, de wolf binnenhalen in die toch niet altijd eerbare schapenstal. Ze speelden dus stukken waarin alleen mannen voorkwamen, werken die geselecteerd werden voor de folkloristische achtergrond of de plezierige inslag. De Eendracht hield het lang bij komische stukken, maar volgens getuigenissen uit die tijd was het steeds triestig toneel. De tekstkennis was gewoonlijk ondermaats en de toeschouwers hadden meer pret met de blunders en flaters dan met de intrige van het stuk.

Maar dat de kwaliteit van de opvoeringen niet altijd op niveau lag, was geen al te groot bezwaar. De Eendracht had de sociale rol overgenomen van De Ceciliabond en organiseerde, zoals vroeger, momenten van sociale ontmoeting. Er werd een jaarprogramma afgewerkt, met een jaarlijks banket en geregeld werden uitstappen gepland en georganiseerd. Dat gebeurde onder meer eens naar Antwerpen, maar wat een plezierig evenement had moeten worden, kreeg een eerder wrange nasmaak. Een van de leden had zich in die stad onwelvoeglijk gedragen, had (vermoedelijk) te veel aandacht gehad voor vrouwelijk gezelschap en werd stante pede uit de rangen van de vereniging gestoten en voor zijn leven als lid geschrapt. De naam van de ongelukkige(?) werd uit discretie, en uit respect voor zijn familie, in de stukken niet vermeld.

De leden van De Eendracht hadden dus een onstuimig, soms ook een exorbitant verenigingsleven, maar dat was geen beletsel om, zoals alle toneelverenigingen van Brussel, deel uit te maken van die damvorming tegen de verfransing van de Hoofdstad.

Carlos Holvoet

Dit artikel verscheen reeds bij het NVKT in 'Toneelecho'