©Jules Grandgagnage: Niet-commercieel gebruik van de vertalingen mag in principe altijd, mits de naam van de auteur vermeld wordt.
Antony and Cleopatra, Act IV, scene 12
ANTONIUS: Alles is verloren!
Verraden ben ik door die valse Egyptische:
Mijn vloot heeft zich overgegeven aan de vijand, en ginds,
Zie ze ginds maar hun hoeden zwieren, en zuipen
als te lang gescheiden vrienden. Driedubbele hoer!
Jij was het, die me aan die jongeling verraadde,
En nu voert mijn hart oorlog met u. (tegen Scarus) Beveel het leger om te vluchten.
Wraak op die tovenares zal mijn laatste daad zijn.
Laat ze allen vluchten, en ga zelf heen.
O zon, nooit meer zal ik u zien rijzen.
Geluk en Antonius scheiden hier en nu.
Hier schudden we handen ten afscheid. Hoe kwam het zover?
De dappere mannen die me als hondjes volgden,
en die ik rijkelijk beloonde, smelten nu weg voor Caesar.
En deze hoge den, boven hen uittorenend,
hebben ze ontschorst. Verraden ben ik.
O, dat vals Egyptisch spook! Haar bekoringen
lanceerden mijn oorlogen en beëindigden ze ook.
Zij, wier boezem mijn hoogste doel was,
heeft me zo kwiek als een zigeuner belazerd
en dreef me naar totale vernietiging.
Waarom, Eros, Eros!
As you like it, Act II, scene 7
De hele wereld is een schouwtoneel,
en alle mannen en vrouwen slechts spelers.
Ze komen op, en ze gaan weer weg,
en eenzelfde mens speelt vele rollen
doorheen de zeven fasen van zijn leven.
De bedrijven zijn zeven leeftijden. In het eerste is hij een kind,
grienend en kotsend in de armen van de verpleegster.
Dan de zeurende schooljongen met zijn schooltas
en glimmend ochtendgezicht die zich
met tegenzin naar school sleept.
En dan de minnaar,
zuchtend als een oven, die een treurig lied schrijft
over de wenkbrauwen van zijn beminde.
Dan de vloekende soldaat,
met een baard als een panter,
Altijd kwiek zijn eer verdedigend, ruziemakend
en op zoek naar de zeepbel reputatie,
tot zelfs in de mond van het kanon. En dan is er de rechter,
zijn ronde buik met malse kip gevoerd,
Met ernstige blik en baard van respectabele snit,
Vol wijze gezegden en laatste nieuwtjes.
En zo speelt hij zijn rol. De zesde leeftijd verandert hem
in een magere oude sufferd met bril en slippers,
en een slobberbroek die in zijn jeugd nog paste.
Zijn eertijds mannelijke stem klinkt hoog en kinderlijk,
met piepjes en gesis. De laatste scène van alles
die deze vreemde, bewogen geschiedenis beëindigt,
Is de tweede kindertijd en loutere vergetelheid,
zonder tanden, zonder ogen, zonder smaak, zonder alles.
Hamlet: Te zijn of niet te zijn, dat is de kwestie. Act III, Scene I
Te zijn of niet te zijn, dat is de kwestie:
of het nobeler is om te lijden
onder alles wat het wrede Lot je toeslingert
of om de wapens op te nemen tegen een zee van zorgen
en er al vechtend een einde aan te maken?
Te sterven, te slapen, niets meer;
en in die slaap rust vinden voor alle hartzeer
en de duizend pijnen die je lichaam je bezorgen,
dat zou een einde zijn om jezelf toe te wensen.
Te sterven; te slapen: misschien wel dromen: Ach nee,
daar wringt het 'm: want welke dromen komen in die dodenslaap,
als we de aardse zorgen hebben afgeworpen,
Het doet ons weifelen: dit is de overweging die leidt
tot de ellende van zo'n lang leven,
Want wie zou de gesel en de hoon van de tijd verdragen,
het onrecht van de onderdrukker, de arrogantie van de rijke,
de pijnen van een onbeantwoorde liefde, de dwalingen van het recht,
de onbeschoftheid van een ambtenaar, en de verachting
waarmee onbenullen je geduldige werk belonen,
wanneer je rust kan vinden met een simpele dolkstoot?
Wie zou dit alles verdragen, zweten en kreunen onder een ellendig bestaan
als niet de dreiging van wat achter de dood komt er was,
het onontdekte land waar geen reiziger uit weerkeert
verwart ons en maakt ons zwak,
zodat we liever de lasten dragen die we kennen
dan het onbekende tegemoet te gaan.
Zo verlamt het geweten ons tot lafaards,
en zo wordt gezonde daadkracht verziekt door bleek gepieker
en lopen grootse ondernemingen op niets uit.
Stil nu, daar is mooie Ophelia! Nymf,
laat mijn zonden in je gebeden herinnerd worden.
Julius Caesar: Vrienden, Romeinen, landgenoten, hoor mij aan. Act III, scene 2
MARCUS ANTONIUS:
Vrienden, Romeinen, landgenoten, hoor mij aan;
Ik kom om Caesar te begraven, niet om hem te prijzen.
Het kwaad dat mensen doen leeft verder na hun dood;
Het goede blijft vaak begraven met hun gebeente;
Laat het zo zijn met Caesar. De edele Brutus
Heeft verteld over Caesars heerszucht:
Als dit zo was, was het een zware fout,
En heeft Caesar daar zwaar voor betaald.
Hier, met permissie van Brutus en de rest-
Want Brutus is een eerbaar man;
Zo zijn ze allemaal, allen eerbare mannen-
Kom ik op Caesars begrafenis spreken.
Voor mij was hij een vriend, trouw en rechtvaardig:
Maar Brutus zegt dat hij heerszuchtig was;
En Brutus is een eerbaar man.
Hij bracht vele gevangenen naar Rome
Van wie het losgeld de schatkist vulde:
Lijkt dit op wat hier Caesars heerszucht wordt genoemd?
Wanneer armen huilden, huilde Caesar met hen mee:
Heerszucht zou uit hardere stof moeten bestaan:
Toch zegt Brutus dat hij heerszuchtig was;
En Brutus is een eerbaar man.
Jullie zagen hoe ik hem op het Lupercusfeest
Wel driemaal een koninklijke kroon aanbood,
Die hij driemaal weigerde. Was dit heerszucht?
Toch zegt Brutus dat hij heerszuchtig was;
En, zeker, hij was een man van eer.
Ik probeer niet te weerleggen wat Brutus zei,
Maar om te getuigen wat ik wel weet.
Eens hielden jullie van hem, niet zonder reden:
Wat weerhoudt jullie dan om voor hem te rouwen?
O oordeel! Gij schuilt U onder domme beesten,
En de mensen verloren hun verstand. Heb geduld met mij;
Mijn hart ligt daar, in de kist met Caesar,
En ik moet wachten tot het terug bij mij komt.
Macbeth: Is dit een dolk die ik voor me zie. Act II, scene 1
Is dit een dolk die ik voor me zie,
De handgreep naar mijn hand gericht? Kom, laat mij u grijpen.
Ik heb u niet, en toch zie ik u nog steeds.
Zijt gij niet, dodelijk visioen, vatbaar voor
Gevoel of oog? Of zijt gij maar
Een dolk van de geest, een valse creatie
Van mijn koortsig brein?
Ik zie u nog, in vorm even echt
Als wat ik nu kon tekenen.
Gij wijst me de weg die ik moet gaan;
En welk instrument ik moet gebruiken.
Macbeth: Heksenlied. Act IV, scene 1
Rond en rond de ketel spring;
Ingewand met gif erin.
Pad die sliep onder een steen
Tot haar zweet als gif verscheen
Gooi z' erin en rommel goed
Zeg een spreuk die wonderen doet!
Zwoeg en zwoeg en werk je rot
Brand het vuur en stook de pot.
Reepje slang uit het moeras
Kook ze gaar in hete dras;
Salamanderoog en kikkerteen,
Vleermuiswol en tong van teef.
Addertong, reptielentand,
Hagedis en uilenhand,
Als ons drankje is bereid
Wordt het toveren een feit.
Zwoeg en zwoeg en werk je rot
Brand het vuur en stook de pot.
Koel het af met apenbloed
Dan pas is het drankje goed!
Mabeth: Ons leven is een dolende schaduw. Act V, scene 5
Ons leven is een dolende schaduw, een dwaas
die pronkt en tiert op het toneel, en na
het vertoon in het niets verdwijnt. 't Is een verhaal
verteld door een malloot, dat niets beduidt.
Othello: Vervloekte dief! Waar heb je mijn dochter verborgen? Act I, scene 2
(In de raadzaal van de doge van Venetië beschuldigt senator Brabantio generaal Othello ervan zijn dochter te hebben gestolen)
BRABANTIO:
Vervloekte dief! Waar heb je mijn dochter verborgen?
Verdoemd ben jij die haar met tover lokte!
Aan ieder die bekwaam is tot een oordeel
deze vraag: was het geen toverdwang,
wat was het dan dat haar zo boeide-
een maagd zo zacht, zo mooi en vol geluk,
zij was zo tegen 't huwelijk gekant
dat zelfs elegante rijke jonkers
door haar ontweken werden, en zij zou,
tot spot van iedereen, mijn hoede ontvluchten
voor een boezem zwart als die van jou.
Waarom? Uit vrees, niet voor plezier.
Oordeel, wereld, is het niet zonneklaar
dat hij door duivelskunst haar heeft gestrikt,
haar zuivere jeugd met giften heeft besmet
die wil en geest verzwakken? Dit ligt nu voor.
Dit is het bewijs dat elk verstand kan zien.
En daarom arresteer ik u, bederver
van de wereld met uw zwarte kunst,
want wat de wet verbiedt, dat wordt bestraft.
Grijp nu dit heerschap, en als hij zich verzet,
zo dwing hem neer tot hij zich geeft.
Antony and Cleopatra, Act IV, scene 12
ANTONY: All is lost!
This foul Egyptian hath betrayed me:
My fleet hath yielded to the foe, and yonder
They cast their caps up and carouse together
Like friends long lost. Triple-turned whore! 'tis thou
Has sold me to this novice, and my heart
Makes only wars on thee. Bid them all fly;
For when I am revenged upon my charm,
I have done all. Bid them all fly, begone.
O sun, thy uprise shall I see no more.
Fortune and Antony part here, even here
Do we shake hands. All come to this? The hearts
That spanieled me at heels, to whom I gave
Their wishes, do discandy, melt their sweets
On blossoming Caesar; and this pine is barked,
That overtopped them all. Betrayed I am.
O this false soul of Egypt! this grave charm,
Whose eye becked forth my wars, and called them home,
Whose bosom was my crownet, my chief end,
Like a right gypsy hath at fast and loose
Beguiled me to the very heart of loss.
What, Eros, Eros!
As you like it, Act II, scene 7
All the world's a stage,
And all the men and women merely players;
They have their exits and their entrances,
And one man in his time plays many parts,
His acts being seven ages. At first, the infant,
Mewling and puking in the nurse's arms.
Then the whining schoolboy, with his satchel
And shining morning face, creeping like snail
Unwillingly to school.
And then the lover,
Sighing like furnace, with a woeful ballad
Made to his mistress' eyebrow. Then a soldier,
Full of strange oaths and bearded like the pard,
Jealous in honor, sudden and quick in quarrel,
Seeking the bubble reputation
Even in the cannon's mouth. And then the justice,
In fair round belly with good capon lined,
With eyes severe and beard of formal cut,
Full of wise saws and modern instances;
And so he plays his part. The sixth age shifts
Into the lean and slippered pantaloon,
With spectacles on nose and pouch on side;
His youthful hose, well saved, a world too wide
For his shrunk shank, and his big manly voice,
Turning again toward childish treble, pipes
And whistles in his sound. Last scene of all,
That ends this strange eventful history,
Is second childishness and mere oblivion,
Sans teeth, sans eyes, sans taste, sans everything.
Hamlet: To be or not to be, that is the question. Act III, Scene I
To be or not to be, that is the question;
Whether 'tis nobler in the mind to suffer
The slings and arrows of outrageous fortune,
Or to take arms against a sea of troubles,
And by opposing, end them. To die, to sleep;
No more; and by a sleep to say we end
The heart-ache and the thousand natural shocks
That flesh is heir to — 'tis a consummation
Devoutly to be wish'd. To die, to sleep;
To sleep, perchance to dream. Ay, there's the rub,
For in that sleep of death what dreams may come,
When we have shuffled off this mortal coil,
Must give us pause. There's the respect
That makes calamity of so long life,
For who would bear the whips and scorns of time,
Th'oppressor's wrong, the proud man's contumely,
The pangs of despised love, the law's delay,
The insolence of office, and the spurns
That patient merit of th'unworthy takes,
When he himself might his quietus make
With a bare bodkin? who would fardels bear,
To grunt and sweat under a weary life,
But that the dread of something after death,
The undiscovered country from whose bourn
No traveller returns, puzzles the will,
And makes us rather bear those ills we have
Than fly to others that we know not of?
Thus conscience does make cowards of us all,
And thus the native hue of resolution
Is sicklied o'er with the pale cast of thought,
And enterprises of great pitch and moment
With this regard their currents turn awry,
And lose the name of action.
Soft you now! The fair Ophelia! Nymph,
in thy orisons be all my sins remember'd.
Julius Caesar: Friends, Romans, countrymen, lend me your ears. Act III, scene 2
MARCUS ANTONIUS:
Friends, Romans, countrymen, lend me your ears;
I come to bury Caesar, not to praise him.
The evil that men do lives after them;
The good is oft interred with their bones;
So let it be with Caesar. The noble Brutus
Hath told you Caesar was ambitious:
If it were so, it was a grievous fault,
And grievously hath Caesar answer’d it.
Here, under leave of Brutus and the rest–
For Brutus is an honourable man;
So are they all, all honourable men–
Come I to speak in Caesar’s funeral.
He was my friend, faithful and just to me:
But Brutus says he was ambitious;
And Brutus is an honourable man.
He hath brought many captives home to Rome
Whose ransoms did the general coffers fill:
Did this in Caesar seem ambitious?
When that the poor have cried, Caesar hath wept:
Ambition should be made of sterner stuff:
Yet Brutus says he was ambitious;
And Brutus is an honourable man.
You all did see that on the Lupercal
I thrice presented him a kingly crown,
Which he did thrice refuse: was this ambition?
Yet Brutus says he was ambitious;
And, sure, he is an honourable man.
I speak not to disprove what Brutus spoke,
But here I am to speak what I do know.
You all did love him once, not without cause:
What cause withholds you then, to mourn for him?
O judgment! thou art fled to brutish beasts,
And men have lost their reason. Bear with me;
My heart is in the coffin there with Caesar,
And I must pause till it come back to me.
Macbeth: Is this a dagger which I see before me. Act II, scene 1
Is this a dagger which I see before me,
The handle toward my hand? Come, let me clutch thee.
I have thee not, and yet I see thee still.
Art thou not, fatal vision, sensible
To feeling as to sight? or art thou but
A dagger of the mind, a false creation,
Proceeding from the heat-oppressed brain?
I see thee yet, in form as palpable
As this which now I draw.
Thou marshall'st me the way that I was going;
And such an instrument I was to use.
Macbeth: Double, double toil and trouble. Act IV, scene 1
Round about the cauldron go;
In the poison'd entrails throw.
Toad, that under cold stone
Days and nights has thirty-one
Swelter'd venom sleeping got,
Boil thou first i' the charmed pot
Double, double toil and trouble;
Fire burn and caldron bubble.
Fillet of a fenny snake,
In the caldron boil and bake;
Eye of newt and toe of frog,
Wool of bat and tongue of dog,
Adder's fork and blind-worm's sting,
Lizard's leg and howlet's wing,
For a charm of powerful trouble,
Like a hell-broth boil and bubble.
Double, double toil and trouble;
Fire burn and caldron bubble.
Cool it with a baboon's blood,
Then the charm is firm and good.
Macbeth: Life’s but a walking shadow. Act V, scene 5
Life’s but a walking shadow, a poor player
That struts and frets his hour upon the stage
And then is heard no more. It is a tale
Told by an idiot, full of sound and fury,
Signifying nothing.
Othello: O thou foul thief, where hast thou stow'd my daughter? Act I, scene 2
BRABANTIO:
O thou foul thief, where hast thou stowed my daughter?
Damned as thou art, thou hast enchanted her!
For I’ll refer me to all things of sense,
If she in chains of magic were not bound,
Whether a maid so tender, fair, and happy,
So opposite to marriage that she shunned
The wealthy curlèd darlings of our nation,
Would ever have, t' incur a general mock,
Run from her guardage to the sooty bosom
Of such a thing as thou—to fear, not to delight.
Judge me the world if ’tis not gross in sense
That thou hast practiced on her with foul charms,
Abused her delicate youth with drugs or minerals
That weakens motion. I’ll have ’t disputed on.
'Tis probable and palpable to thinking.
I therefore apprehend and do attach thee
For an abuser of the world, a practicer
Of arts inhibited and out of warrant.—
Lay hold upon him. If he do resist,
Subdue him at his peril!