Reproductie van een kaart uit 1730 van de omgeving van Ramsen (Pfalz), door Carl August Weimar.
[het origineel - Landesarchiv Speyer - is 80 x 103 cm. groot]
Transcripties van de doopinschrijvingen van de kinderen van Carel August Weimar en Johanna Dorothea Lamperti.
1. Louisa Francisca Weimar. Bouquenom/Saarwerden, 5 februari 1737
Den 5. februarij ist ein Töchterlein geboren; wegen Schwachheit gleich getauft worden. ST Carolus Augustus Weimar, Ingenieur und hoher gemeins herrschaftlich bestelter Feldmesser, frau Johanna Dorothea geboren Lambertin. Paten: seine hochwohlehrwürdige Herrn Franz Barthels, Pfarrer in Altweiler, die hochedle Frau Louisa Sophia geb. Mader, ihre hochedlen Herrn Heinrich Pernatz hohen gemeins herrschaftlichen Renthmeisters in der Grafschaft Saarwerden, Frau Eheliebste.
2. Ludwig Friedrich Weimar. Ottweiler, 16 april 1739
Herrn Carl August Weimar, Hochfürstl. Renovatoris dahier, und seiner Eheliebsten, Frauen Johanna Dorothea, einer geborenen Lampertin Söhnlein, ward geboren, den 16. April. Morgens zwischen 3 u. 4 Uhr, und wurde den 19. ejusdem dahier bey Hofe getauft. Die erbetenen Taufzeugen sind gewesen: Ihre Hochgräfl. Gnaden, Frau Louisa Sophia, verwittibte Gräfin zu Nassau, geborene Gräfin zu Hanau, Ihre Hochgräfl. Gnaden, Gräfin Louisa zu Nassau, und Herr Friedrich ......uber? Pfarrer zu Markirchen in dem Oberelsaß, dessen Stelle vertreten S.T. Herr Johann Friedrich Westermann , Consistorial-assessor und Stadtpfarrer dahier in Ottweiler.
3. Justina Dorothea Weimarin. Ottweiler, 24 november 1741
Herrn Carl August Weimar, Hochfürstl. Nassau - Saarbrückischer Renovatoris dahier, und seiner ehl. Frauen, Frau Johanna Dorothea, einer gebohrenen Lampertin, Töchterlein, wurde gebohren den 24. November. in der Nacht zwischen 11 u. 12 Uhr, und den 26. ejusdem Dominica 26. p. Trinit. getauft. Die Taufzeugen waren, Herr Justus Thomas Gärtner, fürstl. Nassauischer Amts u. Stadt-Schreiber zu Homburg, Frau Anna Maria Lampertin weyl. Herrn Johann Gustav Lamperti, gewesenen Stadt-Pfarrer zu Dimmringen. Hochrheingräfl. Dhaunischer Jurisdiction nachgelassene Wittwen, deren Stellevertretern, Jungfer Salome Westphalin, bey Ihre Hochgräfl. Gnaden der verwittibten Frauen Gräfin dahier Erstere Cammer-Jungfer, Frau Anna Magdalena Weimarin, weyl. Herrn Johann Balthasar Weimars, gewesenen Churpfälzl. Lieutenant hinterlassene Wittwe, deren Stelle vertretene Frau Blandina Klumpfin, Herrn Johann Christoph Klumpffs, des zeitigen Kirchenschaffners dahier ehl. Frau.
4. Heinrich Carl Weimar. Ottweiler, 5 maart 1744
Herrn Carl August Weimar, fürstl. Nassau-Saarbrück. Renovatoris dahier, und seiner Eheliebsten Frauen Johanna Dorothea, einer geborenen Lampertin, Söhnlein, ward geboren den 5. Martii, Morgens zwischen 6 u. 7 Uhr, und den 6. ejusdem im Schloße getaufft. Die erbetenen Taufzeugen waren, die Durchl. Prinzessin Henrietta zu Nassau, Gräfin zu Saarbrücken p.p. Die Hochgebohrene Gräfin Charlotta, Rhein-Gräfin zu Grehweiler , deren Gräfin Schwester, die auch Hochgebohrene Rhein-Gräfin Alexandrina die Stelle Hochgedachter Prinzessinnen zu Nassau Vertratt, welche abwesend waren. Der Hochwohlehrwürdige u. Wohlgelahrte Herr Stadt-Pfarrer Rüger zu Bergzabern, dessen Stelle vertreten der auch Hochwohlehrwürdige u. Hochgelahrte Herr Philipp Andreas Posth, zweiter Stadt-Pfarrer u. Consistorial-assessor dahier, und der Wohlehrwürdige u. Wohlgelahrte Herr Georg Reinhard Westphal, Pfarrer zu Eckwersheim im Elsaß, dessen Stelle vertratt, der auch Wohlehrwürdige und Wohlgelahrte Herr Johann Georg Casimir Lauckhard, Diaconus und Rector der Lateinischen Schule dahier in Ottweiler.
5. Alexander Weimar. Ottweiler, 9 januari 1746
Herrn Carl August Weimar, fürstl. Nassau-Saarbrückischen Renovatoris dahier, und dessen Ehe-Liebsten Frauen Johanna Dorothea, einer geborenen Lampertin, Söhnlein wurde geboren den 9. Januarii, morgens gegen 4 Uhr und den 11. ejusdem getaufft. Die erbetenen Tauffzeugen waren Hochgräfl. Gnaden Alexandrina, Rheingräfin zu Grehweiller p.p. der Hochwohlgebohren und Hochgelahrten Herr, Herr Johann Stutz, fürstl. Nassau-Saarbrückl. Regierungs-Rath zu Saarbrücken und der Hochwohlehrwürdige auch Hochgelahrte Herr, Herr Philipp Andreas Posth, Consistorial-Assessor und Stadt-Pfarrer dahier zu Ottweiler.
6. Wilhelm Ludwig Christian Weimar. Ottweiler, 14 februari 1749
Herrn Carl August Weimars, Hochfürstl. Nassau-Saarbrückischen Renovatoris dahier in Ottweiller, und dessen Ehe-Liebsten S. T. Frauen Johanna Dorothea, einer gebohrnen Lampertin Söhnlein, wurde gebohren den 14. Febr. frühe zwischen 1 u. 2. Uhr und den 16. ejusdem, Dominica Quinquagesima, in hiesiger Stadt-Kirchen getaufft. Die erbethene Tauffzeugen waren gegenwärtig: Der Hoch-Wohlgebohrne Herr, Herr Johann Ludwig von Kellenbach, Ober-Hof-Meister bey dahiesigem Hochgräflichem Wittums-Hofe; der auch Hoch-Wohlgebohrne Herr, Herr Christian Ludwig von Bettendorff, Ritt-Meister; und die auch Hoch-Wohlgebohrne Frau, Frau Amalia Dorothea Rosina von Rodenhaußen, des Hoch-Wohlgebohrnen und Hochgelährten Herrn, Herrn Georg Albrecht Wilhelms von Rodenhaußen, Hochfürstlich Nassau-Saarbrückischen Ober-Amtmanns dahier, Frau Gemahlin.
Metingen van de grafelijke domeinen rond het Amt Kirchheim (1761 - 1763)
[Reproductie uit het Landesarchiv Speyer]
Titelpagina van een Bannbuch door Carl August Weimar (1740-1741, deel 2)
[Reproductie uit het Landesarchiv Saarbrücken]
Historicus Kurt Hoppstädter uit Wiebelskirchen - een dorpje vlak bij Ottweiler - toont twee Bannbücher, samengesteld door Carl August Weimar.
Reproductie van een kaart door Carl August Weimar uit 1748 van de dorpjes Obersalbach en Churhofen.
[het origineel - Landesarchiv Koblenz - is 59 x 110 cm. groot]
Brief van de Nederlandse Consul op Sardinië, Francois Navoni, aan zijn collega in Tunis van 8.9.1798,
na de Barbarijse overval op San Pietro. [Nationaal Archief]
Vertaling van de brief van Francois Navoni
De ongelukkige gebeurtenis, geschied door een invasie van Turken uit uw regentschap (Tunesië), op de 3e dezer op het eiland San Pietro, genaamd Carloforte, waarbij ze met een van hun vloten een aantal der inwoners van de genoemde bevolking hebben opgehaald en weggevoerd , onder wie mijn arme, waardige vice consul, genaamd Jacques Mongiardini met zijn gehele familie en de hunnen, zijnde een nijver onderdaan, goed gefortuneerd, die zich voornamelijk inspant om eer in zijn ambt te leggen en zich bij gelegenheden heeft onderscheiden.
Hij was in het bezit van ongeveer 5000 Spaanse zilverstukken en een bescheiden bedrag in contanten, dat men hem allemaal heeft afgenomen. Dit alles zonder zijn status van vice consul van de Bataafse Republiek te eerbiedigen, zoals het hoort volgens alle wetten en de rechten van de mens en zoals men de vice consul van Zijne Majesteit van Brittannië en die van de Franse Republiek heeft gerespecteerd, zo had men ook, op dezelfde wijze, zonder voorkeur, evenzeer de vice consul van de Bataafse Republiek, alsmede zijn familie en de hunnen moeten respecteren.
Eveneens heeft men de kanselier, genaamd Antoine Porcile meegenomen, en onder de huidige omstandigheden zie ik het als mijn plicht om u bijgaand een verklaring te overhandigen om u in de aktuele omstandigheden te helpen de twee genoemde onderdanen, in dienst van de Bataafse republiek, de hunnen en hun gezinnen terug te eisen, ervan overtuigd zijnde dat u, oh burger, tegenover andere naties een soortgelijke belediging niet zult toestaan aan onderdanen in dienst van de Bataafse Republiek, en daarom vertrouw ik erop dat u in dit opzicht met al uw vermogen zult willen interveniëren.
Ik verwittig u er ook van, dat ik dit alles met de eerstvolgende koerier, aan de Bataafse Republiek zal meedelen, zoals mijn plicht is en ik twijfel er niet aan dat u alle mogelijke druk zult uitoefenen om de waardige onderdanen te ondersteunen en me met een gunstig antwoord te vereren en beveel ik me aan in alles waartoe u me in staat acht, en met de meeste hoogachting verblijf ik,
Cagliari, 8 september 1798
Uw zeer nederige en zeer ootmoedige dienaar, Francois Navoni, Consul
Attest, geschreven door Francois Navoni, de Nederlandse Consul op Sardinië [Nationaal Archief]
Vertaling van het attest van Francois Navoni
Wij, burger Francois Navoni, Consul van de Bataafse Republiek in het gehele Koninkrijk van Sardinië
Verklaren, en vertrouwen toe aan allen die het aangaat, dat Jacques Mongiardini onze Vice Consul is, als zodanig benoemd op het eiland San Pietro, genaamd Carloforte, evenzo dat Antoine Porcile onze kanselier is op het genoemde eiland, om alle zaken met betrekking tot ons consulaat te besturen, de bevordering van de scheepvaart en handel. Met dit doel zenden wij dit certificaat om de twee hierboven genoemde onderdanen, waar nodig, te laten voorstaan; voorzien van ons consulaire zegel en door ons ondertekend. Verstrekt in ons Bataafse Consulaat te Cagliari op de 8e september 1798.
Francois Navoni
Extract uit het huwelijksregister van Ste. Coix, Tunis, 1 mei 1803
Extract (1968) van het doopregister: August Weimar
10 augustus 1814
Vertaling van een extract van 1815 uit het doopregister: August Weimar 13 december 1813
Tunis, 30 januari 1815
In naam van God - Amen
Wij, Frater Allesandro Monseigneur, Prefect en Apostolisch Vicaris in het Rijk van Tunis en omstreken, verklaren als ontwijfelbare waarheid aan ieder die dit bewijs zal lezen, zoals blijkt uit het register in het doopboek van deze parochie van Ste. Croix op bladzijde 143, dat op de dag van 13 december 1813, is geboren August, uit den heer Karel Weimar, Hollander en mevrouw Maria Danieli [sic] van Carloforte in Sardinië, gelegitimeerd als echtpaar en zeer plechtig aan huis gedoopt, naar de voorgeschreven regels. Getuigen waren Santo Martines en Beatrice Vedora Lodano.
In vertrouwen hebben wij dit bewijs gemaakt, geschreven en ondertekend en voorzien van het stempel van deze missie.
Fr. Allesandro, als boven
Twee extracten uit het doopregister van Ste. Croix in Tunis van August Weimar, waarvan de data conflicteren!
Extract uit het overlijdensregister van Wilhelm Ludwig Christian Weimar,
Den Haag 14 juli 1825
Extract uit het overlijdensregister van Maria Damele.
Amsterdam, 1 maart 1826
Extract uit het doopregister van Ste. Croix, Tunis
Anna Dorothea Weimar, 25 juli 1808
Vertaling van de doopakte van Anna Dorothea Weimar, door S.H. Weiland, "beëdigd translateur"
Huwelijksakte August Weimar en Johanna Hendrika Staring,
Den Haag 27 juli 1841
Huwelijksakte van Hermanus FranciscusBernardus Weimar en Catharina Hendrika Hakfoort, Den Haag 2 februari 1870
Voorpagina van de Perry Bode uit 1903
[Gemeentearchief Rotterdam]
Huwelijksakte van Hermanus Bernardus Franciscus Weimar en Gerarda Maria Hulsman,Rotterdam, 27 augustus 1903
De Dameles van Carloforte, door Marco Damele, Varazze (www.varagine.it)
Wellicht weet niet iedereen dat er zich ten zuidwesten van Sardinië, in Carloforte op het eiland van St. Pietro, een gemeenschap leeft van oude Ligurische oorsprong, die nog steeds het dialect spreekt. Het verhaal begon in 1547, toen de familie Lomellini uit Genua het eiland van Tabarka, gelegen op korte afstand van de Afrikaanse kust, tegenover het antieke Tabraca, tussen Bona en Bizerte in concessie kreeg van Spanje, om op koraal te vissen.
De Lomellini's, een oude en adellijke familie uit Genua, bezat veel nederzettingen in Ligurië, vooral Pegli en Varazze. Uit deze plaatsjes werden mensen geworven, veelal vissers, zeelui en scheepstimmerlieden, om het kleine eiland te bevolken. De visserij op koraal floreerde in de 16e eeuw en verrijkte de Lomellini familie en de gemeenschap. Maar rond 1700 begon de crisis, deels als gevolg van de voortdurende barbaarse aanvallen op het eiland.
Koning Carlo Emanuele III had plannen om het onbewoonde eiland van San Pietro te bevolken. Hij bevrijdde de slaven en verplaatste de bevolking in 1738 van Tabarka naar het eiland bij Sardinië. Daar ze bouwden een stad die zij ter ere van de koning "Carloforte" noemden.
Onder de honderd gezinnen die op 17 april 1738 op San Pietro vanuit Tabarka aankwamen, bevonden zich de broers Giovanni en Giuseppe Damele. Giovanni kwam met zijn vrouw Benedetta en twee kinderen, Giuseppe met zijn vrouw Caterina Agena, die kort voor het verlaten van Tabarka was getrouwd. In Carloforte kregen zowel Giovanni als Giuseppe nog meer kinderen. Hier is een klein overzicht van de twee families:
Ambrogio Damele (*1678)
↓ ↓
Giovanni Damele (*1710) x Benedetta Giuseppe Damele (*1710) x Caterina Agena
↓ ↓
M. Geronima(*1740) M. Maddalena(* 1739)
Ambrogio(*1745) Giovanni (*1741)
Anna Maria(*1748)
Giuseppe (* ?)
Het was mogelijk om de eerste families van Damele op Carloforte reconstrueren, met behulp van de parochie-registers. Via de doopakten kan Ambrose Damele, de vader van Giovanni en Giuseppe, de twee broers uit Tabarka, worden ge-identificeerd. Er vanuit gaande dat toen de broers in 1738 in Carloforte aankwamen, zij al getrouwd waren, is het aannemelijk dat ze ongeveer 30 jaar oud waren en hun vader Ambrosius ongeveer 60.
Maar wat was de plaats van herkomst van de Dameles van Tabarka? De historici waren het erover eens dat zij overwegend uit Pegli moesten komen. Als we de parochie registers van 1550 tot 1750 van Pegli , Multedo , Voltri, Mele, Pra, en Sestri raadplegen, komt de achternaam Damele echter niet voor! De enige streek waar de familienaam Damele wel al wijdverbreid was sinds 14e eeuw is die van Varazze.
In de parochie van San Nazario en Celso in Varazze, bevindt zich een overlijdensakte van 8.9.1740 die luidt:
"Zij stierf gisteren, Bianchinetta, vrouw van Francesco Damele, lange tijd inwoner van het eiland Tabarka,
alleen voorzien van sacramentele absolutie en de Heilige Zalving,
want plotseling stierf zij en werd begraven
op de begraafplaats van deze parochie "
Francesco Damele die werd geboren in Varazze in 1669, zoon van Giovanni en Pellegrina, is in 1695 met Bianca Guastavino getrouwd. In 1678 werd Ambrosio Damele geboren in dezelfde parochie, zoon van Giovanni en Francesca. Hij was een neef van Francesco.
Zij maakten deel uit van twee families die leefden in de buurt van San Nazario en Celso di Varazze, van begin 1400 tot het einde van 1600, toen inmiddels bijna iedereen was geëmigreerd. In een lijst van mensen van 17 jaar tot 70 jaar, van de parochie van San Nazario en Celso, die werden opgeroepen voor een gezondheidskeuring, zijn onder andere deze Dameles:
Varazze: (20-6-1688)
Giovanni Damele fu Ambrogio
Gio Antonio Damele di Giovanni
Francesco Damele di Giovanni
Pietro Damele fu Gio Antonio
Giovanni Damele Gio Antonio
Francesco Damele di Giovanni
Agostino Damele fu Francesco
Francesco Damele di Agstino
In deze lijst komt Ambrose Damele, de eerste Damele in Carloforte, niet voor; hij was in 1688 immers pas tien jaar oud! Samengevat: In het begin van 1700, woonde er in Tabarka ene Francisco Damele, die een neef had genaamd Ambrose, die tegen het einde van 1600 van Varazze naar Tabarka was geemigreerd. Maar ook Giò Antonio Damele, de broer van Francisco is verhuisd naar Tabarka.
In 1738 kwamen Giovanni en Giuseppe Damele, zoons van Ambrogio vanuit Tabarka in Carloforte aan. Deze Damele families waren van oudsher ervaren handwerkslieden en werden door iedereen gevraagd, zelfs door het buitenland. (Onderzoekers vonden een Giovanni Damele, timmerman, in 1500 in Portugal!)
In Varazze stond de scheepsbouw al vroeg op een hoog niveau. De bouw van zeegaande schepen, maar ook het aanleggen van pieren en andere havenaktiviteiten. Daarnaast waren er ook alle bijbehorende en aanverwante beroepen vertegenwoordigd in deze familie; reders, zeelieden, scheepstimmerlieden en scheepsreparateurs, touwslagers enz. Er zijn ook vele documenten gevonden, die de handelscontacten met Tabarka sinds het begin van de 16e eeuw aantonen.
Als er op Tabarka behoefte was aan geschoolde scheepstimmerlieden, waar ze dan beter te vinden dan in Varazze?
Autobiografie van H.F.B. Weimar (1844 - 1918)
Eerste bladzijde van het oorspronkelijke manuscript
Den 10-en Mei 1844, des morgens te 9 ure werd ik geboren in een huis aan de Noordwal te 's Hage, uit onbemiddelde ouders. Mijn vader (August Weimar 1813 - 1880) was reeds vanaf zijn 3e jaar wees van vaderszijde. Hij werd geboren te Tunis in Afrika op den 13den December 1813 waar zijn vader destijds eene ondergeschikte betrekking bekleedde bij den Bey van Tunis (bij de Nederlandse Consul te Tunis). Mijn grootvader (Carl Augustus Weimar 1775 - 1818) was Hollander en Protestant maar huwde met eene Italiaansche, die Katholiek was, Maria Daniëli (Maria Damele ca. 1787 - 1826) de Carloforte in Sardinië (uit Carloforte op het eiland San Pietro, bij Sardinië).
Daar de finantieele toestand niet rooskleurig was, besloot mijn over-grootvader (Wilhelm Ludwig Christian Weimar 1749 - 1825) die met een talrijk gezin gezegend was, dat gezin naar Holland over te brengen, waar zijne familie woonde. Hij zelf (Carl Augustus Weimar) ging weder naar Tunis terug, maar heeft zijn gezin nooit teruggezien, daar hij in den vreemde is overleden en de zijnen in kommervolle omstandigheden achterliet, zoodat de 6 (5?) kinderen in het Roomsch Catholieke weeshuis werden geplaatst te 's Gravenhage.
Mijn vader was toen 13 jaar en genoot dus daar - en later in de kolonie Veenhuizen (Wilhelminaoord) , destijds eene afdeeling van het weeshuis - zijne geheele opvoeding, hetgeen in die dagen zeer primitief was. Op zijn 18e jaar nam hij dienst in het Nederlandse Leger en bracht het tot Sergeant. Na 6 jaar gediend te hebben, keerde hij in het burgelijk leven terug en kreeg een aanstelling als stedelijk commies bij de belastingen, een post die thans niet meer bestaat.
Inmiddels had hij kennis gemaakt met eene Arnhemsche molenaarsdochter Johanna Hendrika Staring die mijne moeder werd daar zij in 1840 huwden. De aanstelling mijns vaders werd slechts bezoldigd met f 400,- `s jaars; dit was natuurlijk ontoereikend en beraamden men middelen om er wat bij te verdienen en zoo begon mijne moeder een kruidenierswinkel aan de Noordwal.
Het 1e kind heette August (August Alexander 1841 - 1844) , zoals mijn vader, doch overleed op 2 jarigen leeftijd aan stuipen. Kort daarop verschenen mijn broer August te kwart voor 9 en ik te 9 ure (10.5.1844) op het wereldtooneel. Wij waren dus tweelingen en geleken zoo sprekend op elkander dat, als wij sliepen, mijne ouders dikwijls geschil hadden wie August of wie Herman was.
Mijn broer had een wit vlekje binnen aan zijn lip en dit loste dan altijd het geschil op. Tot ons 9-en jaar bleven wij bij elkander en alle ongevallen of ziekten die mijn broer altijd het eerst kreeg, werden ook mijn deel; dit was zoo sterk dat toen mijn broer in zijn 9-en jaar op zekeren zondagmorgen van de trappen viel en een uitstorting in de hersenen kreeg, waaraan hij na vijf dagen lijden stierf (6.5.1853), mijn vader zeide: "Pas op vrouw, wij zijn er nog niet, morgen valt Herman ook." Dit gebeurde echter niet.
De kruidenierszaak aan den Noordwal had een ongunstig verloop. Mijn moeder was te goed en werd uitgeborgd door de omwonende begunstigers; de inkoop ging in het klein, dus werd er weinig aan verdiend, zoodat na een drietal jaren de winkel opgeheven werd en wij met voor ons doen, veel schuld naar de Zuilingstraat verhuisden en daar nogmaals 3 jaar ontbering hadden om de schulden te betalen. Nu reeds legde mijn vader zich op het repareeren van klokken en later ook van horloges toe, die hij mede naar zijn wachtpost kon nemen. Een stijve lederen sigarenkoker bevatte de daartoe noodige gereedschappen.
Van de Zuilingstraat verhuisden wij na enige jaren naar de Assendelftstraat, waar mijn vader een zaakje overgenomen had in schrijfbehoeften, brillen en annex een leesbibliotheek.
Inmiddels (ca. 1853) was het gezin aangegroeid tot 5 kinderen. De nieuwe zaak echter bracht geene voordeelen aan: Het schrijfpapier lag vuil te worden, de pennen roestten, er was geen debiet en de uitgeleende boeken kwamen niet of gehavend terug. Mijne moeder, een groot gezin hebbende en aan administratie niet gewoon, vergat dikwijls de boeken in te schrijven, zoodat in een paar jaar de bibliotheek belangrijk was geslonken. Mijn vader die den ganschen dag op zijn post moest zijn, kon er zich ook niet mede bemoeien.
Na het ongeval met mijn broer in het laatst van April 1854 verhuisden wij op 1 mei naar de Hofpoort, destijds een nette kleine straat die van het Buitenhof naar het Achterom liep, op de plaats waar nu de Gravenstraat is. Daar legde mijn vader zich speciaal toe op het repareeren van klokken en horloges. Wij hadden thans daarin een zeer bescheiden winkel, waarbij wij ook brillen verkochten. De horloges gingen mede naar de wachtpost en de klokken werden des avonds en des nachts gerepareerd, waarbij mijne moeder menigen nacht zat te poetsen: raderen, gewichten en kettingen, waarin zij zeer bedreven werd. Werk was er genoeg en de brillenzaak begon ook te loopen zoodat mijn vader er ernstig over dacht voor zijn post als commies te bedanken en zich geheel aan de zaak te wijden, hetgeen hij dan ook deed (1856). Het was een waagstuk met een gezin van zes zoons waarvan de oudste 12 jaren was.
Inmiddels had ik in Mei 1856 mijne 1ste H. Communie gedaan en moest van school af om moeder wat te helpen, die het meer dan volhandig had met het huishouden, de winkel en de klokkenpoetserij. Ik was in korten tijd zeer handig in het aardappelen schillen, kopjes en vaten wasschen, vegen en schrobben, geen meid kon mij dat verbeteren en af en toe mocht ik ook mee klokken poetsen. Dit was echter geen toekomst voor een jongen en dat begrepen mijne ouders ook.
In November 1856 verhuisden wij naar 't Hooge Westeinde (nr. 11), een groot huis met een groote winkel en vele kamers, welke mijn ouders reeds van te voren verhuurd hadden om de grootere huurprijs te dekken. Die groote winkel werd vol klokken gekocht, pendules en horloges werden ingeslagen en de brillenwinkel werd verrijkt met tooneelkijkers, barometers, thermo-meters en microscopen. De zaak ging goed maar bracht ook enorme finantieele zorgen en dikwijls angstige dagen, hetgeen mijne ouders er jaren lang onder hield. Langzamerhand werd de zaak opgewerkt tot een redelijk bestaan dankzij de energie mijns vaders en het zuinig beleid mijner moeder. Zij kon met een gulden meer doen dan andere vrouwen met drie. Het was echter voor beiden maar altijd werken! werken! en genieten, niets!
Ik werd destijds als leerling geplaatst bij Volcke, horlogemaker (Parkstraat 5), maar dat was van korten duur. De leerling moest de kinderen naar school brengen, houtjes en turven hakken, de meid helpen kleedjes kloppen en daar had de leerling niet langer zin in en liep op een goeden dag weg. Hij wilde als hij toch niets leerde liever ook wat verdienen en werd loopjongen in een manufactuurswinkel, later in een boekwinkel en eindelijk kwam ik bij een suikerbakker deels om de boodschappen te doen en deels om het vak te leeren.
In drie jaren had ik daar zooveel geleerd dat ik goed suiker kon stampen en ziften en deeg kon rollen maar het meest met de taartendoozen moest loopen en des avonds doodmoe en uitgehongerd te huis kwam, waar ik dan alles op at wat ik maar machtig kon worden. Ik was bijna altijd op straat en het kon niet uitblijven, ik werd een echte vlegel. Ik was zoo 17 jaar geworden en nog voor niets bekwaam toen mijne ouders kennis maakten met een zekeren "de Boer" die een uitspanning had aan het Zeestrand te Scheveningen genaamd "de Koepel". Hij kon mij opleiden in het vak tegen genot van kost en inwoning en f 0,50 zakgeld per week.
Nu was ik van de straat af en zou wat leeren. De opleiding bestond daar in dat ik ’s maandags en vrijdags met een grooten wagen naar de stad mocht rijden des morgens te vijf ure. Die wagen werd volgekocht met groenten, aardappels, hout, turf en koloniale waren; dan mocht ik dat zaakje naar huis rijden. Er werd daar om 9 ure ontbeten, dan was ik er niet en kreeg mijn ontbijt dan tegen 11 ure als ik terugkwam, zodat ik meermalen onpasselijk werd van gebrek aan voedsel en van mijn f. 0,50 zakgeld menig broodje heb gekocht.
De andere ochtenden, zondag incluis, moest ik van 5 tot 9 ure zand scheppen om het verzakken van den vlonder te voorkomen die van den Koepel naar het strand liep. Het zand woei er iederen nacht onderuit. Daarna kreeg ik mijn ontbijt, twee taaie waterbroodjes, waarvan ik er echter wel 10 had gelust en een kop theewater. Daarna tot 2 ure schrobben, dweilen en poetsen, dan middageten, nooit voldoende, daarna aankleeden en op het terras bedienen tot 8 ure des avonds; kellner dus. Te 8 ure moest ik iederen avond het watervat vullen er was boven geen water, dat moest alles beneden aan den straatweg gehaald worden aan de pomp, dus iederen avond ook zondags 22 emmers water naar boven sjorren, dan was het vat vol.
Daarbij had die man een zoon, een paar jaren ouder dan ik was, die er het grootste genoegen in scheen te vinden mij te sarren en te commandeeren, dat begon mij zoodanig te vervelen dat op een goeden avond dat ik juist weer het vat gevuld had, het met hem te kwaad kreeg en hem in mijne woede opnam en in het vat smeet waarin hij bepaald zou verdronken zijn als niet een knecht hem er spoedig had uitgehaald. De heele koepel stond op stelten en Papa met een dikke wandelstok gewapend, ging op zoek naar mij en was mij in zijn razende vaart al viermaal voorbijgeloopen doch vond mij niet. Zoodra ik mijn kans schoon zag, liep ik weg en naar huis en mijne ouders wilden niet dat ik er terugkeerde.
Ik was toen 18 jaar. Steeds zoekend naar iets geschikts voor mij, las ik op een avond een advertentie: Er werd een kweekeling gevraagd aan de Idiotenschool. (Hoge Westeinde 2). Ik solliciteerde en werd geplaatst. De hoofdonderwijzer was een zeer goed man. Ik vertelde hem zooveel van mijn leven als hij ervan weten mocht en hij beloofde mij les te geven, hetgeen hij ook trouw gedaan heeft.
Na 2 jaren aanhoudend blokken, ging ik op voor mijn examen als hulponderwijzer en slaagde. Op die school had ik kennis gemaakt met Mej. A.(Anna) Sprang, hulponderwijzeres, waarmede ik, dom genoeg, een kalverliefdesavontuur begon. Zij was protestant. Dat duurde zoo een half jaar, zeer tegen den zin mijner ouders en ik moet het zeggen ook tegen den mijnen, maar ik wist er mij niet goed af te maken.
In Mei van het jaar 1864 moest ik als milicien (dienstplichtig militair) voor mijn nummer dienen en werd ingedeeld te 's Gravenhage op verzoek, bij het regiment " Grenadiers en Jagers " 4e Batt. 4e Komp. Toen wij afge-exerceerd waren, moest ons regiment voor 6 weken naar het kamp te Milligen; dat was voor mij een heerlijken tijd van ontspanning en vrijheid waaraan ik zoo weinig gewoon was. Ik heb het dan ook volop genoten.
In oktober van hetzelfde jaar ging ik met groot verlof en vond dadelijk eene betrekking als secondant op een dag- en kostschool te Zutfen. (Ravenstein?) Ik had er kost, inwoning en f 100,- salaris per jaar. Ik was niet verwend en was er tevreden mede, maar toen ik 4 jaar bij die Patroon geweest was, had ik nog f 100,- en ik bleef er maar hangen, omdat 2 mijner jongere broers, voor minder bedrag dan gewoonlijk betaald werd, pensionnaires waren geworden. De patroon was een boeren schoolmeester, zelf weinig ontwikkeld en horrible Fransch sprekende, kortom; ik had er hoegenaamd geene gelegenheid er iets wijzer te worden dan door eigen studie, waar echter niet veel tijd voor over bleef, daar ik van 's morgens tot des avonds 9 ure mij met de kostjongens moest occupeeren.
Geld om lessen te betalen, had ik niet en door hard blokken gedurende drie jaren, slaagde ik te 's Hertogenbosch mijne acte voor het Fransch te halen, toen kreeg ik f 20,- per jaar meer. Aan de hoofdonderwijzersakte was geen denken, ik mistte alle leiding. Een maal per jaar ging ik met vakantie naar huis, de reiskosten moesten ook van die f 100,- af, dus aan geld verteeren was geen denken; er was ook trouwens geen gelegenheid voor.
In Mei 1868 moest ik weder opkomen voor het kamp te Milligen en maakte van die gelegenheid gebruik om mijn betrekking op te zeggen waar ik 4 jaren lang een hondenleven had gehad. Van ooit uitgaan was geen sprake anders dan met de jongens, van huiselijk leven evenmin, altijd, altijd in de school. Na mijn kampements tijd solliciteerde ik naar een plaats op eene bijzondere Roomsch Catholieke school te 's Gravenhage.
Ik trof het echter al zeer ongelukkig voor mijn vurig begeerde hoofdakte; mijn baas, ook een van den ouden stempel was niet bekwamer dan mijn vorige. Mijn salaris was daar f 500,- en daarvan betaalde ik mijnen ouders f 250,- kostgeld. Voor de rest moest ik mij kleeden en redden zoo dat het dun bier bleef. Dat duurde zoo een jaar toen mijn patroon een baantje bij de stad kreeg als armverzorger en de school ophief.
Toen was de lust voor het schoolmeesteren er bij mij uit en ik deed examen voor sur numerair (boventallig aangesteld ambtenaar) bij de Staats spoorwegen en moest 6 maanden voor niets werken om daarna een aanstelling als klerk te bekomen, doch ik had na 4 ure vrij en kon mij met het geven van privaatlessen goed bedruipen: f 800,-. Ik gaf les hoofdzakelijk in de moderne talen die ik mij door eigen studie vrijwel eigen had gemaakt. (Namelijk Engelsch en Duitsch, zonder ooit een les daarin genoten te hebben)
Het is te begrijpen dat ik toen nauwelijks tijd overhield om te eten, laat staan aan uitspanning te denken. Inmiddels had ik kennis gemaakt met haar die later mijne vrouw is geworden (Catharina Hendrika Hakfoort 1844 - 1916) . Elke zondag in de kerk zaten er twee zusjes voor ons, aardige, lieve en nette meisjes waarop wij langzamerhand beslag gingen leggen, mijn broer Karel en ik. De kleinste Marie was de keus van mijn broer de grootste Cato was de mijne en na een klein jaar trouwden wij op 2 februari 1870.
De Maatschappij tot Exploitatie der Staatspoorwegen gaf toen nog niets dus had ik niet meer dan mijn f 800,- lessen en daarop waagden wij het. De eischen mijner vrouw waren niet hoog, de mijnen evenmin. Wij waren geen van beiden verwend op het stuk van genietingen en beide als oudste kinderen in zorgen grootgebracht. Wij huurden een 2de etage op de Nieuwe Markt (voormalige Wijnhaven) te 's Gravenhage voor f 11,- per maand en hadden daarvoor een suite met zijkamer en keuken. De noodige meubelen had ik reeds van te voren op verkoopingen gekocht en een gonje kleed van f 1,10 de m2 bedekte de vloer van onze salon; alles netjes dus. Na een drietal maanden kwam er f 400,- als klerk bij.
Mijn arme vrouw zat toen reeds avond aan avond tot 11 ure alleen wat zeer begrijpelijk is: tot 4 ure kantoor, dan gauw eten en van 5 tot 11 lesgeven. Zij had echter genoeg te doen voor haar luiermand en op 8 November 1870 kwam onze zoon August, wat een zeer moeilijke en pijnlijke verlossing was. Mijne vrouw was destijds tenger -en mijn zoon zwaar gebouwd.
Tegen Mei 1871 wachtte ons eene catastrophe. De Maatschappij zou hare kantoren verplaatsen naar Utrecht. Wat moest ik doen? In de hoop spoedig promotie te maken en ook in Utrecht lessen te krijgen deed ons besluiten mede naar Utrecht te gaan, maar wij kwamen bedrogen uit. Promotie en lessen bleven beide uit en moesten wij dus rond zien te komen met de f 400,-.
Wij huurden een groot bovenhuis in de Korte Jansstraat en verhuurden de kamers aan verschillende ongehuwde ambtenaren der Maatschappij. Toen wij te Utrecht met onze meubels voor de deur kwamen was het bovenhuis nog in vol gebruik van de vorige bewoonster, Mej. Sluys een modenaaister, die ons toen voorstelde op de woning te mogen blijven en mijne vrouw te willen helpen en zoo geschiedde het. Het eerste jaar heeft zij ons trouw helpen eten en presteerde daarvoor ook eenige diensten.
Mijne broers Willem en August die ook surnumerairs bij de Staats Spoorwegen waren geworden, waren bij ons in de kost maar daar mijn vader ons eenig geld geleend had, werd het op die manier aangezuiverd, zoodat men wel nagaan kan dat wij met die groote huishouding en weinig inkomsten geregeld met een ledige kas zaten dit was zelfs zoo sterk dat wij op zekeren avond om aan wat hoog noodig geld te komen met een zak witte lorren hebben rondgeloopen om een oudroest te vinden die ons dat af zou koopen. Daar wij niet slaagden die te vinden zijn wij met de volle zak weder naar huis gegaan en hebben in al ons leed nog braaf gelachen om ons mislukt uitstapje.
Toen dit zoo een jaar geduurd had en wij van Mej. Sluys geen geld konden krijgen heb ik haar met grof geschut laten vertrekken en hield haar meubilair achter tot waarborg voor de betaling. Na nogmaals drie maanden werd de toestand zoo hachelijk dat wij besloten naar den Haag terug te keeren. Ook drongen mijne ouders erop aan. Ik nam dan mijn ontslag, deponeerde de meubelen van juffrouw Sluys op een kamer die ik voor dat doel gehuurd had omdat ik mij bang had laten maken dat ik ze niet mocht verkoopen noch medenemen en stelde de zaak in handen van het gerecht.
De uitspraak liet ruim een jaar op zich wachten; toen kreeg ik verlof tot gerechtelijke verkoop. De rommel werd verkocht en bracht niet genoeg op om de gerechtskosten en de kamerhuur te betalen. Ik moest nog f 30,= bijpassen en heb bovendien geen cent van mijn geld gezien. In Den Haag hadden wij een woning gehuurd op het Spui boven een slager en kwam ik voorloopig in de zaak bij mijn vader, die mij daarvoor f 7,= per week betaalde. De goede man kon ook niet meer missen want hij zat voor groote zorgen. In korten tijd kwam ik weer aardig in de lessen zoodat ik mijn voordeelig baantje eraan kon geven en mij geheel op lesgeven kon toeleggen.
Op het Spui konden wij niet blijven wonen; de jongelui die les kwamen nemen, moesten dikwijls tusschen groote stukken bloederig vleesch doorkruipen om boven te komen. Het bovenhuis bij mijne ouders (Westeinde 11) kwam toevallig leeg en dat huurden wij voor f 400,-. De huur was veel te hoog voor mijne inkomsten, doch wij verhuurden alle kamers, kookten, huisden en aten in de keuken en sliepen op den zolder; daarvoor moesten wij elken avond den wieg naar boven sjouwen en des morgens weder naar beneden. Op de kamers hadden wij een heer met kost en inwoning, een heer "gemeubileerd met ontbijt" en een Oostersche familie van 8 personen waarvan 4 kinderen en een baboe, allen in de kost.
Daardoor woonden wij geheel vrij en verdienden nog aardig wat aan het eten. Jammer, maar het was niet vol te houden; het was eene ware slavernij voor mijne vrouw; wat de goede ziel daar gewerkt en gesjouwd heeft, is niet te beschrijven. Daarbij werd ze zwanger van een 2de kind en had zeer onvoldoende hulp van een dagmeid, werd mager als een ram en was altijd doodmoe. Ik was de ganschen dag uit les geven, Fransch, Duitsch en Engelsch, de beide laatste talen – clandestine - en had nu zooveel lessen dat tijd voor eten en drinken er nauwelijks afkon. Ons 2de kind, Johan kwam (22.10.1872) en met 2 kleine kinderen was nu de toestand onmogelijk vol te houden.
Wij verhuisden toen naar de Veenestraat (nr. 20) boven Linke's Bierhuis; eene kleine woning waar wij Mej. Mees en den Heer Keizer met kost en inwoning hadden. Dit was voor mijne vrouw nog meer dan genoeg, temeer daar onze zoon Herman (1.3.1874) kort daarna geboren werd. Later verhuisden wij weer naar de Groenmarkt (nr. 21), hoek Veenestraat, waar de Heer Arntzenius en Mevrouw Goedel gemeubileerde kamers bij ons hadden. Wij hadden zoo successievelijk een knap meubilair gekregen. Daar woonden wij vier jaar en daar werden Karel (4.1.1876) en Willem (7.3.1877) geboren.
De lasten en zorgen bleven zoo gelijke tred houden met de inkomsten en met de lessen die nu juist niet zoo schitterend betaald werden was het een zwaren dobber en het was voor mijn gezin maar zeer gelukkig dat ik zoo'n handige, werkzame en gezonde vrouw had die hare huishouding zoo zuinig mogelijk beheerde, zelf hard werkte van den morgen tot den avond en dan nog tijd vond om van mijne oude kleeren en nieuwe lapjes die zij kocht broeken en buizen voor de jongens te maken. Het was onbegrijpelijk hoe handig zij van een oude jas van mij een nieuwe voor mijn zoon maakte. De oudste was 15 jaar toen voor het eerst de kleermaker hem wat kwam aanmeten.
Dit was weer een tijd van ellende voor mijne vrouw die dat alles te bezorgen had; gelukkig duurde het maar een jaar, toen wij er in slaagden een lief huisje te vinden met een tuintje voor de jongens, op de Stille Veerkade 10. Wij konden daar nog twee kamers van missen en de Graaf van Limburg Stirum verhuisde met ons mede. Wij hadden toen nog voor eigen gebruik een leskamer, een huiskamer en een kamer op den zolder, wij konden er ons mede behelpen en woonden vrij. Daar hebben wij gelukkig en rustig gewoond. Ik had er vele lessen en kon wat geld oversparen.
Het was ook daar dat onze zoon Lodewijk (16.5.1879) geboren werd, de 6de en laatste. Ons bestaan was nu volgens onze bescheiden eischen ruim te noemen, van ontspanning was echter geen sprake. Mijne vrouw was den ganschen dag druk bezig in de huishouding en de oppassing en verzorging van 6 jongens. Ik van des morgens 7 tot des avonds 11 ure les geven, zo bleef er voor iets anders geen tijd over. Alleen des zondags gingen wij met de kinderen geregeld naar onze respectieve ouders, of met de jongens een wandeling in de duinen maken, daar konden zij naar hartelust ravotten en genoten dan volop. Zoo gingen dan genoegelijk een paar jaren voorbij.
Ik werd echter voortdurend gekweld met het denkbeeld, dat ik ziek kon worden, dan zou de geheele broodwinning stilstaan en die voortdurende angst, gevoegd bij het weinige geld dat ik had overlegd bevestigde mij in mijn voornemen hier of daar een zaak over te nemen die door mijne vrouw zou kunnen worden waargenomen.
Toevallig kwam mij ter oore dat de zaak in wollen goederen van de Gezusters Bijsterveld te koop was (Venestraat 31). Die dames waren oud en wilden er uit. Ik kocht die zaak in October 1879 om met Mei 1880 te betrekken. Mijne vrouw ging dien winter iederen middag in dien winkel helpen om wat zaken wijs te worden en de clientèle te leren kennen. Dat kon toen zeer goed, want de kinderen gingen op school en wij hadden een trouwe meid, Marie Mulder, die 8 jaren bij ons diende, de pot kon koken en op de kleine passen.
Ik huurde het huis voor f 1300,- met recht van koop voor f 20.000,-. Bij het opmaken van de inventaris bleek er een goederen voorraad van f 5000,- waarvan ons later bleek dat het meeste incourant was en reeds van jaren her geborgen zat. Ik had ongeveer f 600,- en slaagde er in de rest te leenen van de Heeren Pape tegen 4,5% met aflossing. Toen wij eenmaal in het huis woonden, begonnen wij aan alle kanten de stroppen te bemerken.
1e in de overgenomen goederen.
2e in een totaal vergane vloer van het geheele beneden gedeelte; de dames hadden reeds langer dan een jaar de vloeren achter de toonbanken met gonje zakken belegd omdat de planken verrot waren.
3e eene ondragelijke stank die vooral bij verandering van weer onduldbaar was.
4e waren het fijne Protestanten die een dito clientèle hadden en alle Protestantse weeshuizen bedienden. Dit hield natuurlijk dadelijk op toen men zich geïnformeerd had dat wij Katholiek waren, zodat het 1e jaar de omzet f 13.000,- was en ik het nooit verder heb kunnen brengen.
Wat had ik een spijt van mijn arme centen en mijn vrees voor ziek worden bleef mij bij, maar gelukkig werd ik het niet. Bij de incourante goederen haalde ik een koopman, die mij van de nutteloze berging afhielp, natuurlijk met groote schade. De vloer moest vernieuwd worden en toen kwam aan den dag de oorzaak van die vuile zoete lucht. Van de plaats waar de plé was, liep een leiding op het riool uit naar de straat onder kamer en winkel door. Die leiding was van het begin tot het eind verstopt door de uitwerpselen der overige bewoners, wellicht van 40 à 50 jaar her, zoo stijf verstopt dat het met schoppen uitgestoken moest worden, door de gasachtige persing der faecalien waren alle dekplaten gesprongen en moesten vernieuwd worden. Dat heeft, met eenige andere veranderingen die ik maken liet, een maand geduurd waardoor natuurlijk ook het winkel debiet leed en wat mij ruim f 2000,- kostte.
Nieuwe goederen moesten worden ingeslagen, zoodat de wissels daarvan, de rente en aflossing en de groote huur mij ontzachelijke zorgen baarden, die mij dikwijls zenuwachtig en ziek maakten. Dikwijls moesten wij iemand naar de bank van leening zenden om goederen of sieraden te verpanden om zoo, eene voorkomenden wissel, te betalen. Gelukkig dat ik veel lessen had, zoodat van die winkel opbrengst niet geleefd behoefde te worden. Als ik des avonds met mijne lessen klaar was, lag daar de administratie der winkel, inkoopboek, verkoopboek, rekening courant en rekeningen, waarmede dikwijls halve nachten gemoeid waren waarbij mijne vrouw mij trouw gezelschap hield, ook zeer vermoeid door de besognes van den dag, veelal ingedut op de canapé.
Door een en ander was ik dikwijls kribbig en onaangenaam voor mijne omgeving en menigmaal gebeurde het dat ik door gebrek aan slaap met een open zakmesje in de hand zat les te geven om mij nu en dan door een prik wakker te houden. Mijne vrouw den ganschen dag in de winkel, of in het huishouden, ik uit les geven en de jongens die al grooter werden op straat. Op zekeren wintermiddag werd onze Willem stijfbevroren thuis gebracht, die had onder het ijs gelegen en was nog bijtijds door een moedig man gered.
Daar moest dus ook een eind aan komen en wij keken om naar een goedkoope kostschool waarin wij slaagden te Oudenbosch (Instituut Saint Louis), waar zij dan ook allen zijn geweest, maar daardoor werden de zorgen nog vergroot door die 3 rekeningen met reparatiën aan schoenen en kleeren die mij dikwijls de schrik op het lijf joegen, zoals die opgevoerd waren.
Zoo hielden wij het een jaar of acht vol, inmiddels was mijn vader gestorven (2.5.1880). De zaak werd echter niet beter en daar zij geen toekomst had, ook niet voor mijne jongens, verkocht ik haar zonder schade aan den Heer Reeser die er na vierjarig bedrijf f 20.000,- in verloor door eigenzinnige dwaze inkoopen; hij liquideerde de zaak.
Ik had het huis gehuurd met recht van koop voor f 20.000,- en verhuurde het dus weder voor f 1500,- aan Biegelaar in parapluies en wandelstokken ook met het recht van koop voor f 22.000,- zoo zou ik dan mijne f 2000,- verbouwingskosten terug krijgen en had nu alvast 10% rente daarvan. Hij heeft het dan ook eenige jaren later voor dien prijs gekocht. Wij gingen wonen in de Spuistraat boven het kleedermagazijn " de Adelaar " over de Passage.
Hier kreeg ik weer eene betrekkelijke rust, want al was het druk les geven, ik had de souza niet van de winkel en de zorg voor de wissels. Mijne arme vrouw echter kreeg weer een baron op kamers " van Sijtzema ", adjudant bij den koning en later weder andere lui; het was echter niet zoo erg als vroeger omdat de kinderen reeds grooter waren.
August was toen van school gekomen en studeerde eerst voor de muziek en later in het schildersvak waarbij hij zich verder gehouden heeft. Johan kwam in de leer bij een behanger, baas Kijnemans, Herman bij Hoijer Porceleinwaren, want ik wilde ze geen van allen bij het onderwijs hebben, daar had ik zelve genoeg van. Mijn gansche leven was een groote onrustige jacht, steeds zag ik om naar eene winst-afwerpende zaak daar mijn les geven in Engelsch en Duitsch, dat de meeste klanten vertegenwoordigde zeer gevaarlijk werd; er stonden hooge boeten op en men begon er meer op te letten. Hoe ik het zoolang heb volgehouden zonder ooit gesnapt te worden, begrijp ik nog niet.
Door eene advertentie raakte ik in kennis met een fotograaf, die een nieuw procédé had uitgevonden om zeer gevoelige droge platen te maken, volgens hem was dat een goudmijn maar hij had niet de dubbeltjes om zich de noodige machine aan te schaffen. Er was f 1000,- voor noodig die ik fourneerde en mij met hem associeerde. Hij met de kennis en ik met het geld en de winst samen deelen. Dit ging enige maanden goed en werkelijk hadden wij een aardig debiet toen ik het ongeluk had mijn been te breken wat mij zes maanden belet heeft om te loopen.
Gelukkig dat ik met goedwillige menschen te doen had, rijke en minder rijke clienten kwamen allen bij mij thuis les nemen dus de verdienste stond niet stil maar de fotograaf was een luie vlegel, die steeds tot werken moest aangespoord worden; ik kon hem niet gaan opzoeken en hij keek naar mij niet om, zond geen platen meer en was op een goeden dag met de Noorderzon naar Brussel vertrokken. In dat zaakje liet ik ruim f 1.000,= zitten.
Voordat ik mijn been brak, was ik naar Rotterdam geweest waar men op de Kolkkade eene groote winkelgalerij bezig was te bouwen; dit was in 1887. Van te voren had ik mij van de toezegging verzekerd der firma Perry en Co. te London om van haar goederen te kunnen bekomen en een Perry magazijn te beginnen. Ik huurde daar het grootste winkelhuis en aan de beste zijde, echter kon de bouw eerst na 1½ jaar gereed zijn. De ruimte was eerst op teekening te zien en ik huurde dat voor f 2.400,= per jaar.
Ik nam mijn zoon Johan bij baas Kijnemans weg en Herman bij Hoijer en kreeg voor beiden plaatsing in het Perry magazijn te 's Gravenhage (Hoogstraat 6), filiaal der firma Perry & Co. te London om daar de zaak te leeren. Inmiddels stierf ook mijne moeder in den loop van februari 1889 (4.2.1889) en 1ste Maart vertrok ik met mijn geheele gezin naar Rotterdam met opgeven van al mijne lessen en na verkoop van mijn overtollig meubilair.
Dit was mijn grootste waagstuk maar het best geslaagde want van stonde af aan, was er gang in de zaak en had ik mijn brood. Wij openden op 15 maart 1889 met eene volledige etalage van lichtbruine engelsche tasschen van allerlei soort en echte rieten koffers. Dit was een evenement in Rotterdam en ieder sprak van de winkel van Perry.
Natuurlijk kwam ik tot over mijne ooren in de beeren en gedurende 15 jaren in overgroote zorgen, die mij menigmaal de nachtrust roofden. De zaak ging goed en bleef goed gaan maar rente en aflossing van de geleende kapitalen, de maandelijksche contante betalingen aan de firma Perry, het onaangename onderhoud dat ik dikwijls had met den Heer Verster (van Perry & Co. hoofdvestiging aan de Kalverstraat) te Amsterdam, als ik de dubbeltjes niet bij elkaar had kunnen krijgen, de kinderen die grooter werden en die ik behoorlijk salarieerde omdat zij mij goed ter hulpe waren, dat alles kostte veel geld en ik hoop van harte dat onze jongens nooit het leven van zorgen zullen kennen zooals wij dat hebben doorgemaakt.
Toen wij zowat twee jaren te Rotterdam waren, werden de ouders mijner vrouw hulpbehoevend en daar ik niet op mij kon nemen ze eene wekelijksche uitkeering in geld te geven besloten wij maar de twee oudjes in den huiselijken kring op te nemen.
Mijne schoonouders waren nog niet lang bij ons, toen de oude man het ongeluk had in den kelder aan Plan C. te vallen waardoor hij sukkelend werd en niet lang daarna ten mijnent overleed (Peter Johannes Hakfoort 14.10.1816 - 7.1.1890), hoofdzakelijk ten gevolge van verkeerde behandeling door Dr H.-. Wij woonden toen in den Houttuin, later verhuisden wij naar de Nieuwe Haven 143 waar wij 9 jaar woonden.
Mijn schoonmoeder (Alida Hakfoort-Staas 5.10.1816 - 8.12.1893) bleef nog een paar jaar bij ons en ging toen bij haar zoon te Amsterdam- en later bij haar dochter Maria in Den Haag wonen. Ik gaf haar toen eene maandelijksche toelage. Op een goeden middag werd zij dood gevonden, waarschijnlijk ten gevolge van een hartverlamming ofschoon wij haar daar nooit over hebben hooren klagen.
Mijn zoon Johan was geëngageerd met Mej. C. van Gijzelen en had trouwplannen. Ik was echter huiverig hem in mijne zaak als tweede huishouden op te nemen; ik had nog te veel onverzorgde kinderen en te groote zorgen. Ik zette daarom een nieuwe Perry zaak op de Voorstraat te Dordrecht op. Toen alle maatregelen daartoe genomen waren, verklaarde de jongedame niet buiten Rotterdam te willen wonen. Deze reden en nog eenige andere maakten aan dat voorgenomen huwelijk een einde en Johan ging voor mijne rekening in een huishoudzaak in Essen in de leer en later voor zijn eigen rekening bij de firma Perry te Brussel als chef.
De zaak te Dordrecht ging slecht, er was geen voldoende debiet in. Zij werd gevoerd door Herman en Karel die ik hier moest vervangen en daar onderhouden, een kolossale strop, dus! Gelukkig slaagde ik er in na 1½ jaar het huis te verhuren, onze jongens kwamen weer te huis met het onverkochte zoodje. Daar ik nu vier zoons in de zaak had, begon het wel zoo'n beetje op eene familieregeering te lijken en ik zocht een uitvlucht in een 2de zaak, een speelgoedmagazijn in de Gelderse straat; dat ging een paar jaar goed, toen het huis van Bos op de Gelderse Kade te huur kwam en maakte ik daarvan eene Naamloze Vennootschap " de Huisvrouw " huishoudelijke artikelen en speelgoed. De stand scheen echter niet goed te zijn, want welke moeite ik mij ook gaf, de gemaakte winst kon de kosten niet dekken.
De N.V. werd ontbonden, de aandeelhouders trokken zich met schade terug en ik verloor f 10.000,- bij het zaakje dat ik persoonlijk had voortgezet in de hoop met minder kosten toch nog te slagen. Later bracht ik de zaak over naar het van Hogendorpplein en associeerde met J. Ravensteijn in haarden, fornuizen en kachels. Hij was bekend als een bekwaam smid maar een groot luiaard zoodat hij binnen drie jaar uit de zaak was en ik dien alleen voortzette.
Eenige maanden later slaagde ik er in een compagnon te vinden in zekeren Heer W. Uiterwijk, die f 12.000,- stortte waarvoor hij voor de helft aandeel kreeg in de zaak, door welke storting ik een groot deel de finantieele moeilijkheden te boven kon komen. Voor de andere helft bracht ik Louis in de zaak. Hij associeerde dus met Uiterwijk. De nieuwe compagnon was geen greintje beter dan de uitgerangeerde. Hij was lui en daarbij een slaaf van Bacchus, zoodat ik in een paar jaar lijdelijk toezien aan die associatie een einde maakte en de zaak geheel in handen stelde van Louis, in de hoop dat hij, door de schoone voorbeelden geleerd thans goed zelfstandig zal optreden.
In het jaar 1896, lid eener kegelclub zijnde, bespraken wij eens onderling, dat het niet onaardig zou zijn als wij eens te Rotterdam een flinke burgersocieteit kregen. Ik nam daartoe het initiatief, maakte een circulaire op die in burgerkringen werd rondgegeven met het verzoek om door handteekening adhesie te betuigen. Na een paar honderd handtekeningen daarop gekregen te hebben belegde ik eene vergadering in het Nut, Oppert, met de ondertekenaars. Als voorloopig comité inviteerde ik onze kegelclub " Amicitia " te fungeeren.
Ik leidde die 1ste vergadering waarop 180 onderteekenaars verschenen waren waaronder natuurlijk architekten, grondeigenaars en bouwers die meenden hier een zaakje te kunnen doen. Ik ontvouwde onze bedoelingen in den breede waarvan het gevolg was eene uiteenloopende discussie tusschen voor en tegenstanders, optimisten en pessimisten hetgeen tot resultaat had dat van de 180 lui die tegenwoordig waren er ruim 50 overbleven, de rest had successievelijk de zaal verlaten. Met de overgeblevenen werd de societeit geconstitueerd en waren er al dadelijk grondeigenaars die terrein te koop hadden en architekten die plannen wilden maken.
Een en ander werd echter wegens het late uur verschoven tot eene volgende bijeenkomst die na vier weken plaats had in de bovenzaal van " Tivoli ". Daar kreeg de societeit een naam " Societeit De Vereeniging " en werd een bestuur benoemd van zeven leden waarvan ik tot voorzitter benoemd werd. Verschillende terreinen werden aangegeven waaronder dat van het tegenwoordige Casino (Coolsingel ) de oude Romein (Schiekade). "Entre ces deux mon coeur balançait". De eigenaars van den ouden Romein wilde ons dien grond in handen geven gedurende zes maanden voor f 5000,- die in mindering zouden komen van den koopsom.
Wij maakten van het zaakje eene Naamloze Vennootschap met oprichters-aandeelen van f 50,- en hadden in betrekkelijk korten tijd de f 5000,- bij elkaar en zoo werden wij eigenaars van den grond om later te betalen. Plannen en teekeningen waren gereed terwijl wij ons 7 maanden geamuseerd hadden in het oude gebouw de Romein. De opstallen werden toen afgebroken en het heijen voor de nieuwe fundeering begon. Meijers, van Gils en Haelen waren de architekten, de grond kwam op f 75.000,- en het gebouw zou kosten f 150.000,-, de verwarmings-machine, de lift en het meubilair op f 81.000,- summa summarum f 306.000,-.
Toen de fundeering was ingeslagen kregen wij f 5.000,- voorschot op de hypotheek, en f 20.000,- toen het gebouw onder de kap was en zoo successievelijk tot het opleverbaar was en wij een hypotheek kregen van f 140.000,-. Inmiddels hadden wij voor f 67.000,-- aandelen verkocht en aan het nog ontbrekende werden wij geholpen door de Heineken Bierbrouwerij Maatschappij en twee wijnkoopers firma's hier ter stede waarvoor zij later dekking kregen in de vorm van een 2de hypothecaire leening van f 100.000,- en aandelen van f 500,-. De nog ontbrekende f 35.000,- werden geleend door de W. en E. Bank onder borgtocht van 12 gegoede leden die ook daarvoor, doch eerst in 1909, dekking kregen met de nog resteerende 70 obligatien.
Het 1ste jaar hadden wij de zaak in eigen beheer met een omzet van f 90.000,- 's jaars in café, hotel, kegelbanen en societeit onder regie van de heer Hoobroeckx. De vier volgende jaren werd de gérant pachter voor f 20.000,- per jaar maar de zaak ging niet vooruit, zodat de man het laatste jaar zijn pacht niet geheel betalen kon en voor dien prijs van de pacht moest afzien.
Toen kregen wij van Doorene als pachter die na drie jaren van zeer slecht beheer de zaak moest verlaten met achterlating van vele schulden en eene desolate inventaris. Toen werd Hoobroeckx weer aangezocht als gérant in januari 1908, maar de zaak was bedorven door slechte en onzindelijke exploitatie, daarbij kwam de groote concurentie van alle kanten en dan nog het aan de zaak onttrekken van f 2000,- 's jaars contributie van de leden der societeit, die door eene onbekookte handeling van den toenmalige President Kennen en den secretaris Thieme werd ontbonden. In 1908 was de zaak vrijwel aan de grond; zwaar belast als zij was met hypotheken tot een bedrag van f 234.000,- plus ongeveer f 20.000,- loopende schulden.
In Sept 1908 werd ik door de vergadering van aandeelhouders opnieuw geroepen op den voorzitterszetel, waaraan ik mij gedurende drie jaar onttrokken had, doch om de morele verplichtingen die ik indertijd had aangegaan nam ik het presidium weder aan en nam in overleg met de Heer Thieme die maatregelen die noodig waren om weer leven in de brouwerij te brengen. Wij vulden het ontbrekende in den inventaris aan, kochten nog een paar honderd stoelen en een vijftig tafels bij, richtten het geheele benedenlokaal tot concertzaal in, engageerde een kapel en gaven iederen avond concert en ik moet het zeggen met bevredigend resultaat zoodat de bedrijfskosten er uit kwamen en wij ook nog wat aan de oude schuld konden afdoen.
Nu werd het zaak de lastige schuldeischers ons voorlopig van de schouders te houden want dat geloop om geld dat er niet was werd onuitstaanbaar. Ik richtte een beleefd schrijven aan alle loopende schuldeischers om met ons eene bespreking te houden. Ik legde hun den stand van zaken uit en alle aanwezigen namen er genoegen mede te wachten, tot zij konden betaald worden. Zoo is nu de toestand in de aanvang van 1909 en nu daarvan afgestapt.
In de zaak Ravestein & Weimar was ik voor Louis met f 8.000,- betrokken gebleven. De uitkoop van dhr. Uiterwijk kostte mij weder f 8.000,- zoodat mijn aandeel in die zaak f 16.000,-- bedraagt, thans geheel in handen van Louis. De noodige acten zijn daarvan opgemaakt en bevinden zich in het wit metalen kistje met de renteregeling en de wijze van afbetalen. Mijn zaak op Plan C is onder leiding van Herman in vrij goede handen, zij blijft zoo stationair om de f 40.000,- omzet. August, Johan, Karel en Willem die buiten mijne zaken staan, hebben allen hun brood en ik kan nu volstaan met nu en dan eens in te springen en de jongens in de zaken te helpen op Plan C. en Ravestein & Weimar.
Moge het onze kinderen gegeven zijn de vruchten te plukken van het zaad dat wij gestrooid hebben. Onze menschelijke feilen en gebreken hebben wij zoo goed gehad als ieder ander, wij hebben dikwijls misgetast als wij dachten het bij het goede eind te hebben maar steeds heeft bij ons de bedoeling voorgezeten: het tijdelijk en geestelijk geluk onzer kinderen. Als ge dit leest denk dan met liefde aan Uwe ouders en vergeet hunne zielen niet in Uwe gebeden.
H.F.B. Weimar
Afgeschreven van het origineel op woensdag 2 November 1932 en donderdag 3 November 1932, door A.J.M. (August) Weimar (1908 - 1991)
Digitaal transcript uit 1989 door Hans en Helma de Jong-Thijssen
Aanvullingen en kleine correcties uit 2011 H.F.B. Weimar (* 1948)