Wat moet je precies weten over het los en aaneenschrijven van woorden?
Op deze pagina gaan we de spellingregels voor het los en aaneenschrijven van woorden stapsgewijs langs.
Je hebt verschillende keuzes om door de theorie heen te komen:
Via de afbeelding volg je de weg naar de spellingregels.
Onderaan deze pagina zijn ook alle stappen uitgeschreven. Je kunt ze dus ook 'gewoon' lezen.
Je kunt er ook voor kiezen om naar de theorie te luisteren. Onder iedere uitgeschreven stap kun je het luisterfragment vinden.
Het werkwoord was gewoon goed gespeld.
De woorden huis en kamer moesten aan elkaar geschreven worden: huiskamer.
Begin aan het begin van de weg (afbeelding) en eindig bovenaan.
Klik op het vraagteken voor de uitleg.
Kijk af en toe eens op de website van het instituut voor de Nederlandse taal voor nieuwe woorden (neologismen): dit zijn heel vaak samenstellingen.
Hieronder vind je alle tekst uit de afbeelding op een rijtje. Misschien vind je dit prettiger lezen?
Klik op het pijltje om de stap uit te vouwen.
Het kan ook zijn dat je het fijner vindt om te luisteren naar de theorie: de opname vind je onder iedere stap.
Hoe noem je zulke aaneengeschreven woorden?
Je hebt er vast eens van gehoord: samenstellingen.
Een samenstelling maak je door minimaal twee woorden aan elkaar te plakken die ook los van elkaar kunnen voorkomen. Dat is helemaal anders in het Engels: in het Engels moet je juist niet plakken. Waarschijnlijk dat daar zoveel verwarring door ontstaat.
Voorbeeld van een samenstelling: politie+agent = politieagent
Door samenstellingen te maken kunnen we heel makkelijk nieuwe woorden maken, dat noemen we neologismen:
anderhalve+meter+samenleving = anderhalvemetersamenleving
(sinds het coronavirus is dit een nieuw woord)
muur+ligger = muurligger
(nieuwe voetbalterm: voetballer die bij een vrije schop van de tegenstander achter de door zijn ploeg opgestelde muur gaat liggen om te voorkomen dat de bal laag ingeschoten wordt als de spelers in de muur opspringen)
avocado+letsel = avocadoletsel
(chirurgen waarschuwen hiervoor: je houdt een helft van de avocado in je hand, maar wanneer je de pit eruit wil halen met een mes loop je verwondingen aan je hand op)
Wat is de hoofdregel bij het schrijven van samenstellingen?
Je schrijft de samenstelling als één woord, dus aan elkaar, als je te maken hebt met één begrip. Om te weten of je met één begrip te maken hebt, kun je letten op de klemtoon. Een klemtoon is de nadruk die je met je stem legt op een deel van het woord. Eén begrip heeft ook maar één klemtoon.
Voorbeelden:
eerstehulppost (post van de eerste hulp)
tweeliterflessen (flessen van twee liter)
livemuziek (muziek die live wordt gespeeld)
bebouwdekomgrens (grens van de bebouwde kom)
betaaldparkerengebied (gebied van betaald parkeren)
Belgischbierliefhebber (liefhebber van Belgisch bier)
Hoe weet je welk lidwoord je moet gebruiken bij een samenstelling?
Stel je voor, je hebt een samenstelling van twee woorden die ieder een ander lidwoord, de en het, hebben. Welk lidwoord moet je nu gebruiken?
De hoofdregel is: kijk altijd naar het laatste woord in de samenstelling. Dat woord zorgt namelijk voor de betekenis van de samenstelling en dat is dus de kern. En die kern bepaalt weer het lidwoord.
Weet je niet welk lidwoord bij het kernwoord hoort? Zoek het dan op in het woordenboek of kijk even op woordenlijst.org.
Voorbeelden - je ziet direct dat het laatste woord bepalend is voor de betekenis van de samenstelling:
de kleedkamer - het kamerkleed
de teamsport - het sportteam
de veldbloemen - het bloemenveld
het kunstlicht - de lichtkunst
Extraatje: even op een rijtje wat je allemaal aan elkaar schrijft
Samenstelling van twee of meer woorden: zie stap 2
Voorbeelden: deurbel, tafelpoot
Getallen tot duizend (in letters) en samenstellingen met honderd en duizend:
zesenveertig, zevenhonderdvijftig, drieduizend
Let op: elf miljoen, twee miljard = los van elkaar
Combinaties van een voorzetsel en een bijwoord:
- Hij woont hier heel dichtbij.
Maar ... als het voorzetsel na een voornaamwoord of zelfstandig naamwoord volgt, schrijf je het weer los van elkaar:
- Hij woont dicht bij mij (mij = persoonlijk voornaamwoord).
Combinaties van twee voorzetsels:
- voorin, achterop
Maar ... als het voorzetsel na een voornaamwoord of zelfstandig naamwoord volgt, schrijf je het weer los van elkaar:
- Als ik lang reis, zit ik graag voor in de bus (bus = zelfstandig naamwoord).
Voornaamwoordelijke bijwoorden die bestaan uit er, hier, daar, waar + voorzetsel:
- hieraan, waarvoor, erdoorheen, daartegenover
Maar ... als het voorzetsel hoort bij een werkwoord, bijv. inpakken, dan schrijf je het weer los van elkaar:
- Heb je het cadeau op zolder en pak je die daar in? (daarin zou fout zijn in deze zin, omdat 'in' bij inpakken hoort)
Ben je vergeten wat een voorzetsel is?
Een voorzetsel kun je vaak vinden voor een zelfstandig naamwoord.
(Een zelfstandig naamwoord is een woord waar je de/het voor kunt zetten.)
Voorzetsels zijn:
voor, achter, naast, in, op, door, over, uit, boven, onder, om, tegen, aan, binnen, buiten, langs, tijdens, sinds, bij, tot, zonder, met, behalve, naar, na, via, per, te, tegen, volgens…
Je kunt een voorzetsel vaak herkennen door er … de kast of … het feest achter te zetten.
Ben je op zoek naar meer verdieping?
Ga dan naar het hoofdstuk Verdieping: tussenklanken.
Hier leer je wanneer je tussen de woorden in een samenstelling een -s-, een -e- of -en- moet zetten.
Voorbeelden:
stadswacht
zonneschijn
mannenkleding
Zo, je bent nu helemaal klaar voor het volgende onderdeel: Oefenen!