(nav Regeerakkoord 2026)
Willem de Vlaming, januari 2026
Kanttekeningen naar aanleiding van het coalitieakkoord 2026 D66-CDA-VVD
Vertrouwen tussen burgers en overheid, en tussen burgers onderling is essentieel, maar dit kan alleen ontstaan als ten minste twee zaken op orde zijn.
Ten eerste moet de democratische rechtsstaat betrouwbaar en voorspelbaar functioneren. Dat vraagt om een duidelijke scheiding der machten, een onafhankelijke rechtspraak en adviesorganen die serieus worden genomen. Ook horen daar het recht om te vergissen en begrijpelijke, toegankelijke taal bij. Daarnaast is interne en externe weerbaarheid van de democratische rechtsstaat en pluriforme open samenleving belangrijk. Hiervoor lijkt in het coalitieakkoord voldoende aandacht te bestaan.
Ten tweede moeten de risico’s van kwetsbaarheid daadwerkelijk collectief worden gedragen. Sociale en economische zekerheid, volksgezondheid en bescherming tegen pech zijn gezamenlijke verantwoordelijkheden. Hier lijkt veel minder aandacht voor te zijn.
Wat verder dringend nodig is, is een verbindend verhaal dat deze twee pijlers samenbrengt. Een verhaal waarin centraal staat dat bestuur en burgers met elkaar verbonden zijn doordat zij problemen gezamenlijk aanpakken binnen de kaders van de democratische rechtsstaat, een pluriforme open samenleving en de mensenrechten. Dit lijkt vooral versnipperd over hoofdstukken terug te komen in het regeerakkoord. En dat die verbondenheid zich concreet uit in het samen — naar draagkracht — zorg dragen voor elkaar.
Wat vermeden moet worden, is een etnisch-culturele afbakening van burgerschap en een framing van solidariteit als een strijd om schaarse middelen tussen identitaire groepen. Dat ondermijnt juist het vertrouwen en de solidariteit die een samenleving bijeen kunnen houden.
Iedereen die mee kán doen of mee wíl doen binnen deze kaders — en die er voor zichzelf en voor anderen het beste van wil maken — hoort erbij en mag meedoen.
***
PLURALISTISCH POLDEREN EN PARTICIPEREN
***
VERTROUWEN KOMT EN BLIJFT WANNEER BURGERS ERVAREN EN WETEN
DAT DE OVERHEID, EN SAMENLEVING ZICH STERK MAKEN VÓÓR HEN, EN NIET TÉGEN HEN
***
⸻ ⓦ ⸻
Nederland lijkt een gedeeld richtinggevend verhaal (sociaal contract) te missen. Niet over wie of wat Nederlanders zijn, maar over hoe burgers zich (samen) verbonden en beschermd mogen voelen door overheden, instituties, recht en solidariteit. Over hoe burgers en overheid met elkaar verbonden zijn door de wijze waarop wij samen conflict, macht en kwetsbaarheid reguleren.
Een richtinggevend verhaal gebaseerd op de principes en instituties van de democratische rechtsstaat, de pluriforme open samenleving en de universele mensenrechten — en waarin de risico’s van potentieel kwetsbaren worden gecollectiviseerd. Geen etnisch-culturele mythe, maar een constitutioneel rechtsstatelijk richtinggevend verhaal dat geldt, en aansprekend kan zijn, voor iedere burger en inwoner van Nederland.
Een nieuw 'sociaal contract' (ervaren gedeelde praktijk) over hoe burgers en overheid samen — binnen de kaders en uitgangspunten van de democratische rechtsstaat, open samenleving en mensenrechten — problemen oplossen en elkaar steunen en beschermen.
Nederland is een pluriforme en inclusieve open samenleving waar burgers: 1) zich door het recht gebonden en beschermd achten; 2) conflicten via democratische instituties en procedures oplossen; 2) de democratische rechtsstaat, individuele vrijheid en menselijke waardigheid beschermen, en; 3) samen de risico’s dragen die geen enkel individu of groep alleen kan dragen.
NOTA BENE: Een verhaal gebaseerd op etnisch-culturele identiteiten kunnen we missen als kiespijn.
⸻ ⓦ ⸻
Een democratische rechtsstaat, een open samenleving en mensenrechten zijn geen doelen op zich, het zijn voorwaardelijke kaders voor het vormgeven en beschermen van een samenleving met specifieke invullingen van de concepten 'vrijheid' en 'kwetsbaarheid, de 'rol van de staat', en het concept van een 'strijdbare democratie'. In Nederland gaat het daarbij om concepten als vrijheid, kwetsbaarheid en de rol van de staat.
> VRIJHEID < is het recht van mensen om zichzelf te kunnen zijn en zich vrij te kunnen ontwikkelen — met eigenaarschap en verantwoordelijkheid voor hun zelf-gestuurde ontwikkeling en hun maatschappelijke bijdrage — zonder te hoeven vechten voor de legitimiteit van hun authentiek zijn of hun overleving.
> KWETSBAARHEID < is geen persoonlijk falen, maar een potentieel risico dat proactief collectief moet worden voorzien en aangepakt — door enerzijds het bieden van voldoende fysieke, sociale en economische zekerheid en anderzijds het voorkomen van dominantie door anderen.
> DE STAAT < heeft als taak machtsongelijkheid te reguleren en mensen met minder macht of hogere kwetsbaarheid te beschermen.
> STRIJDBARE DEMOCRATIE < ontzegt toegang tot bestuursinstellingen en democratische macht aan hen die anderen vrijheid ontzeggen of de voorwaarden die vrijheid mogelijk maken proberen te ondermijnen.
Ongebreidelde vrijheid van de machtigen vernietigt de vrijheid van de rest.
Democratische principes en instituties bestaan om vrijheid en de democratische rechtsstaat te beschermen en te bevorderen, niet om haar afschaffing te faciliteren.
⸻ ⓦ ⸻
Het is goed om te zien dat in het coalitieakkoord 2026 van D66-CDA-VVD aandacht wordt besteed aan het benoemen en versterken van enkele fundamentele rechtsstatelijke principes. De coalitiepartners beschouwen vrijheid en democratie niet als vanzelfsprekend en willen de democratische rechtsstaat en het democratisch ethos versterken, met de Grondwet als fundament. Ze stellen dat een sterke rechtsstaat een onafhankelijke rechtspraak en een duidelijke scheiding der machten vereist — en willen rechters toestaan wetten en verdragen te toetsen aan de grondwet. Zij willen de onafhankelijkheid van democratische instituties, versterken en betere bescherming bieden aan mensen die de rechtsstaat vertegenwoordigen of daaraan bijdragen.
Maar wat nog ontbreekt expliciete aandacht voor het bredere belang (in woord en daad) van:
> de principes, instituties van de democratische rechtsstaat, pluriforme open samenleving, en mensenrechten;
> een strijdbare democratie
> het werken aan een nieuw verbinden narratief;
> het herstel van het wederzijds vertrouwen tussen burger en overheid, en burgers onderling.
Dat vraagt meer dan burgerschapsonderwjs. Expliciete positieve en richtinggevende aandacht voor de principes van de democratische rechtsstaat, open samenleving en mensenrechten zouden — als gemeenschappelijk normatief kader — een vaste plaats moeten hebben bij de onderbouwing en verantwoording van beleid en in maatschappelijke en politieke debatten.
TOELICHTING: Partijen die een regering vormen zouden moeten verklaren (en naleven in woord en daad) dat zij onvoorwaardelijk staan voor de principes, instituties en vertegenwoordigers van de rechtsstaat, pluriforme open samenleving, mensenrechten, en grondwet.
Dit betekent pal staan voor:
> Gelijkwaardigheid van alle mensen, ongeacht herkomst, overtuiging, geslacht, seksuele oriëntatie of levenswijze.
> Onafhankelijke instituties die pluriformiteit garanderen.
> Waarheidsgetrouwe informatie en open debat, waarin feiten en argumenten leidend zijn.
> Democratische vertegenwoordiging die niet de meerderheid als wapen gebruikt tegen minderheden, maar verantwoordelijkheid draagt voor allen.
Het afwijzen van elke elke poging om:
> Mensen te discrimineren of hun grondrechten te beperken;
> De rechterlijke macht, onafhankelijke adviesorganen, pers of wetenschap te ondermijnen;
> Macht te concentreren zonder controle of tegenmacht;
> Rechten en vrijheid afhankelijk te maken van ideologische of etnische identiteit of loyaliteit.
⸻ ⓦ ⸻
In de jaren zeventig van de twintigste eeuw werd in Nederland de ontzuiling definitief doorgezet. Burgers ontleenden hun sociale identiteit steeds minder aan een zuil en steeds meer aan hun individuele bestaan. De instituties van de corporatistische, verzuilde democratische rechtsstaat en de pluriforme open samenleving behielden echter hun legitimiteit als het kader waarbinnen maatschappelijke problemen werden geadresseerd en opgelost. Politieke polarisatie tussen links (vergaande sociaaleconomische sturing) en rechts (beperkte sociaaleconomische sturing), evenals verschillen in inzicht tussen progressief en conservatief, bleef zich bewegen binnen de principes en instituties van de democratische rechtsstaat. Nederland bleef daarmee een samenleving met een hoog niveau van vertrouwen: tussen burgers onderling én tussen burgers en instituties.
Tegen het einde van de twintigste eeuw begon dit vertrouwen tussen burgers en instituties (en burgers onderling) langzaam af te nemen. Bezuinigingen en beleidswijzigingen leidden ertoe dat burgers steeds vaker werden benaderd als potentiële risicofactor voor misbruik en oneigenlijk gebruik van toeslagen en uitkeringen. Tegelijkertijd verloor het maatschappelijk middenveld — lange tijd het cement van de verzuilde corporatistische samenleving — meer en meer de verbinding met de ‘ontzuilde burger’. Met als gevolg dat de legitimiteit van de democratische rechtsstaat en de pluriforme open samenleving steeds minder als vanzelfsprekend wordt ervaren.
***
VERTROUWEN KOMT EN BLIJFT WANNEER BURGERS ERVAREN EN WETEN
DAT DE OVERHEID, EN SAMENLEVING ZICH STERK MAKEN VÓÓR HEN, EN NIET TÉGEN HEN
***
Niet-Rechtsstatelijk tegenover Rechtsstatelijk als bepalende tegenpolen.
Inmiddels zijn we op een punt beland waarop polarisatie niet langer uitsluitend betrekking heeft op inhoudelijke verschillen tussen links en rechts, of tussen progressief en conservatief, maar ook of men de de principes en instituties van de democratische rechtsstaat zelf onderschrijft en hoog houdt (of niet). Het respect voor de principes, instituties en vertegenwoordigers van de democratische rechtsstaat, de pluriforme open samenleving en de mensenrechten neemt zichtbaar af zowel in woord als in gedrag — niet alleen onder burgers, maar ook onder volksvertegenwoordigers, ministers en staatssecretarissen.
Het post-verzuilde individualisme lijkt daarbij steeds meer plaats te maken voor een etnisch-identitaire fragmentatie en strijd tussen bevolkingsgroepen. Deze groepen ervaren elkaar niet langer als samenlevend naast of met elkaar, maar zien de samenleving als een zero-sum strijdtoneel om de ‘koek’ van welzijn, welvaart en geluk. Het herbronnen en opnieuw verankeren van de principes en instituties van de democratische rechtsstaat is daarom van cruciaal belang voor het voortbestaan van een vrije en open samenleving waarin alle burgers tot hun recht kunnen komen. Dat vergt meer dan een herbevestiging op papier; het vraagt om voortdurende en concrete inspanningen gericht op het herstel van vertrouwen. Burgers moeten in hun dagelijks leven ervaren dat het systeem er daadwerkelijk voor hen is.
Wat burgers in Nederland bindt, moet niet hun etnische of culturele achtergrond zijn, maar de gedeelde wijze waarop burgers en overheid samen maatschappelijke problemen identificeren en oplossen binnen de kaders van de democratische rechtsstaat. Alleen zo kan worden voorkomen dat de samenleving vervalt in een identitaire zero-sum competitie tussen bevolkingsgroepen om welzijn, welvaart en geluk.
⸻ ⓦ ⸻
De toeslagenaffaire (ca 2017) is misschien wel het meest recente en schrijnende voorbeeld van de vertrouwensbreuk tussen overheid en burgers. Het lijkt vooral een uitvloeisel van een geleidelijke verschuiving in de relatie tussen burgers en overheid. Voor de jaren 80 en 90 van de 20ste eeuw waren subsidieregelingen en toeslagen ongelimiteerd — hoe meer mensen aan de voorwaarden voldeden, des te meer werd er door de overheid besteed aan die regeling.
De overheid was er vooral op gericht om er voor te zorgen dat iedereen die aan de criteria van een regeling voldeed, ook werd bediend. Dat er daarbij ook mensen door de mazen van de regeling heenglipten die daar eigenlijk geen aanspraak op hadden was minder belangrijk. Misbruik en oneigenlijk gebruik stonden niet hoog op de politieke en ambtelijke agenda. Hierin kwam in de jaren 80 en 90 verandering. De overheid wilde regelingen beheersbaarder maken en daarnaast was er ook sprake van bezuinigingen. Het geld werd schaarser, ook voor subsidies en toeslagen.
Dit betekende ook een omslag in het denken over en kijken naar mogelijk misbruik en oneigenlijk gebruik van regelingen. Als het geld schaars was moest het niet alleen mij de beoogde burgers terecht ko0men, maar zeker niet bij degenen die daar geen aanspraak op hadden, Misbruik en oneigenlijk gebruik van regelingen werd een thema. (Er kwam ook een Interdepartementale Stuurgroep Misbruik en Oneigenlijk gebruik — ISMO) . De burger werd door de overheid steeds minder gezien als potentieel rechthebbende, en meer als een potentieel oneigenlijk gebruiker, of nog erger, misbruiker. En burgers gingen ook meer met een scheef oog kijken naar gebruikers van regelingen.
Het morele gewicht verschoof van het leed van de ten onrechte uitgesloten rechthebbende naar de verontwaardiging over de onterechte ontvanger.
Dit werd nog sterker toen misbruik en oneigenlijk gebruik in de politieke discussie, en in de media en het populistischer wordende maatschappelijk klimaat, werd gekoppeld aan etnische groepen. Incidenten van misbruik haalden de voorpagina’s en de kamer, werden gepresenteerd als potentiële patronen, en de ministers en het ambtelijk apparaat werden het vuur aan de schenen gelegd om hier wat tegen te doen. De politieke toon werd harder, de wetgeving scherper, en het ambtelijke toezicht strikter: ‘alles wat ten onrechte was toegekend, moet tot op de laatste cent worden teruggevorderd. Doel werd ‘geen cent onterecht uitkeren’, in plaats van ‘geen rechthebbende in de kou laten staan’, hard optreden en terugvorderen werden de norm, de menselijke maat, verwijtbaarheid, maatwerk en rechtvaardigheid verdwenen uit wet- en regelgeving, en uit de ambtelijke praktijk
Uitmondend in de toeslagenaffaire waar mensen werden aangepakt op grond van onterechte verdenkingen van fraude met toeslagen. En onderworpen werden aan een strikt terugvorderingsbeleid en een rigide uitvoering van wet- en regelgeving door bestuursorganen. Alles op wens van een meerderheid van de volksvertegenwoordiging. Het ging om een samenspel van meerdere factoren, op verschillende niveaus, in politiek, bestuur, rechterlijke macht, pers en maatschappij, waarbij jarenlang de structurele corrigerende mechanismen van de democratische rechtsstaat onvoldoende functioneren.
Dit patroon weer doorbreken waardoor burgers en overheid (en burgers onderling) elkaar weer gaan zien als partners, en waar burgers zich vooral gesteund en beschermt worden door hun overheid verdient de hoogste prioriteit.
Mensen vertrouwen elkaar wanneer zij weten dat noch de sterken, noch het systeem hen willekeurig kan vernietigen.
Een democratie met veel vertrouwen is een evenwichtsuitkomst, geen beginvoorwaarde.
Hoog vertrouwen ontwikkelen en behouden vraagt:
– Het kostbaar en onaantrekkelijk maken van dominantie
– Het veilig maken en houden van samenwerking
– Voorspelbare systemen
– Zichtbare rechtvaardigheid
– Betekenisvolle participatie
– Geduld, tijd en volharding
***
VERTROUWEN KOMT EN BLIJFT WANNEER BURGERS ERVAREN EN WETEN
DAT DE OVERHEID, EN SAMENLEVING ZICH STERK MAKEN VÓÓR HEN, EN NIET TÉGEN HEN
***
⸻ ⓦ ⸻
Een strijdbare democratie is een democratisch systeem dat zichzelf actief mag en moet verdedigen tegen krachten die de democratie van binnenuit willen ondermijnen of afschaffen. Zij kent geen onbeperkte tolerantie, en erkent dat absolute vrijheid kan worden misbruikt door antidemocratische actoren — en stelt daarom grenzen aan democratische participatie.
Een strijdbare of weerbare democratie is niet naïef is ten aanzien van haar eigen kwetsbaarheid.
Partijen en mensen die anderen hun vrijheid en rechten willen ontzeggen, of die de voorwaarden die die vrijheid mogelijk maken willen ondermijnen — zoals de principes en instituties van de democratische rechtsstaat, pluriforme open samenleving, mensenrechten, en de grondwet — zouden geen toegang moeten hebben tot die instituties.
Een strijdbare democratie kan onder voorwaarden en met proportionaliteit:
> Antidemocratische partijen verbieden: (partijen die de rechtsstaat willen afschaffen of fundamentele rechten ontkennen).
> Vrijheden begrenzen als ze worden misbruikt: (haatzaaien, opruiing, delegitimeren van rechtsstaat).
> Meerderheidsbesluiten verwerpen die de kernwaarden en grondwet aantasten.
> Actief optreden tegen extremisme legitimeren.
Een strijdbare democratie is geen autoritaire staat en ook geen “democratie zolang het ons uitkomt”. Het doel van optreden als straijdbare democratie moet altijd zijn: bescherming van de principes en instituties van de democratische rechtsstaat, pluriforme open samenleving, en mensenrechten. Essentieel is dat: 1) de verdediging met rechtsstatelijke middelen gebeurt (via wetten en onafhankelijke rechters); 2) getroffen maatregelen proportioneel en toetsbaar zijn. Een strijdbare democratie leeft dus permanent in een spanningsveld tussen tolerantie en zelfbehoud.
Spanningsvelden
Te weinig weerbaarheid → democratie kan worden afgeschaft.
Te veel weerbaarheid → democratie kan zelf autoritair worden.
Paradox
Vrijheid te begrenzen om vrijheid voor iedereen te behouden.
TOELICHTING: Het concept 'weerbare of strijdbare democratie' ontstond na de Tweede Wereldoorlog, vooral in Duitsland. De Weimarrepubliek had democratische vrijheden toegestaan aan partijen (zoals de nazi’s) die diezelfde democratie uiteindelijk vernietigden. De les was pijnlijk maar helder: Een democratie die haar vijanden onbeperkt ruimte geeft, kan zichzelf ten gronde laten richten.
⸻ ⓦ ⸻
In het Coalitieakkoord 2026 staat: 'Om de rechtsbescherming te versterken gaan we constitutionele toetsing aan de klassieke grondrechten in onze Grondwet mogelijk maken. Hiervoor wordt artikel 120 van de Grondwet gewijzigd.' De opmerking dat de constitutionele toetsing alleen zal worden open gesteld voor de klassieke grondrechten is een belangrijke inperking.
Nederlandse burgers en organisaties zouden wetten en verdragen door rechters moeten kunnen laten toetsen aan de grondwet. De grondwet vormt het hoogste normatieve kader van onze samenleving. De grondwet bepaalt niet alleen wat de overheid mag, maar vooral wat zij niet mag. Om te waarborgen dat de grondwet werkelijk de basis blijft van alle wetgeving, is het wenselijk om de rol van de Raad van State te versterken in het wetgevingsproces, én om rechters en een Constitutioneel Hof de bevoegdheid te geven wetten en verdragen aan de grondwet te toetsen. Bijvoorbeeld:
De Raad van State (afdeling advies) kan bij beleidsontwikkeling en wetgeving aangeven of grondwettelijke normen worden geschonden.
De Rechterlijke macht / het Constitutioneel Hof kan in de uitvoeringsfase beoordelen of grondwettelijke normen worden geschonden.
Samen vormen zij dan een dynamisch stelsel van constitutionele waakzaamheid — een systeem waarin macht van de wetgever niet onbeperkt is op basis van enkelvoudige meerderheden, maar gebonden wordt aan de eigen grondwettelijke kaders, met zwaardere eisen voor wetgeving.
TOELICHTING: Artikel 120 van de Nederlandse Grondwet verbiedt de rechter om wetten en verdragen te toetsen aan de Grondwet, ook wel bekend als het constitutionele toetsingsverbod. Voorbeelden Klassieke grondrechten: Vrijheid van godsdienst, drukpers, demonstratie, briefgeheim, en het verbod op discriminatie (gelijkheidsrechten). Voorbeelden van Moderne/Sociale grondrechten: Recht op huisvesting, onderwijs, sociale zekerheid, gezondheidszorg, en een schoon leefmilieu.
In Nederlandse is er tot nu toe geen mogelijkheid om verdragen en wetten door een rechter aan de grondwet te laten toetsen. Een enkelvoudige meerderheid van het Nederlandse parlement kan 'gewoon' bepalen dat zij een wet of beleidsregel niet in strijd acht met de grondwet, en dat is het dan. Als iemand vind dat een wet of beleid strijdig is met een internationaal verdrag dan moet dat worden voorgelegd aan het bij dat verdrag aangewezen internationaal gerechtshof.
Rechtsstaat en Rechtsstatelijkheid
De kern van rechtsstatelijkheid is dat de macht gebonden is aan het recht. Niemand — ook de overheid niet — staat boven de wet.
Belangrijke principes zijn:
Gebondenheid van de overheid aan het recht: Overheden mogen alleen handelen binnen de grenzen van de wet. Macht wordt niet willekeurig gebruikt, maar is gebonden aan regels en procedures.
Scheiding der machten (trias politica): De wetgevende, uitvoerende en rechtsprekende macht zijn gescheiden en houden elkaar in evenwicht. Zo wordt machtsconcentratie en misbruik voorkomen.
Onafhankelijke rechtspraak: Rechters staan los van de politiek en andere machtsorganen. Zij kunnen burgers beschermen tegen onrechtmatig overheidsoptreden en willekeur.
Gelijkheid voor de wet: Iedereen is gelijk voor de wet — ongeacht afkomst, positie, geloof of overtuiging. Discriminatie is verboden.
Rechtszekerheid en voorspelbaarheid: Burgers moeten weten wat hun rechten en plichten zijn. Wetten moeten duidelijk, openbaar en toepasbaar zijn, zodat mensen hun gedrag daarop kunnen afstemmen.
Bescherming van fundamentele rechten: De rechtsstaat garandeert basisrechten zoals vrijheid, privacy, eigendom, en bescherming tegen willekeurige arrestatie of bestraffing.
Toegang tot recht en effectief rechtsherstel: Burgers moeten hun recht kunnen halen via onafhankelijke rechters en eerlijke procedures.
De rechtsstaat zorgt ervoor dat macht niet willekeurig of onrechtvaardig wordt gebruikt. Niet de willekeur van mensen, maar de wet regeert — en de wet beschermt burgers tegen machtsmisbruik, onrecht en ongelijkheid.
Een Open Samenleving, wordt gekenmerkt door:
Vrijheid van meningsuiting en debat: Iedereen mag zijn of haar mening uiten, ook als die afwijkt van de meerderheid of van de overheid. Kritiek wordt niet onderdrukt, maar gezien als een bron van groei en inzicht.
Pluralisme en diversiteit: Er is ruimte voor verschillende overtuigingen, levensstijlen, culturen en religies. Verschil wordt niet gezien als bedreiging, maar als verrijking.
Transparante en verantwoordelijke overheid: Overheidsbesluiten zijn controleerbaar en worden beargumenteerd. Macht wordt niet achter gesloten deuren uitgeoefend, maar is onderworpen aan publieke verantwoording.
Onafhankelijke media en vrije informatievoorziening: Journalisten en onderzoekers kunnen vrij werken en machthebbers ter verantwoording roepen. Burgers hebben toegang tot betrouwbare informatie.
Sterke en kritische 'civil society': Burgers kunnen zich vrij organiseren in verenigingen, vakbonden, actiegroepen en NGO’s. Samen dragen zij bij aan publieke discussie en maatschappelijke verandering.
Respect voor de rechtsstaat en mensenrechten: Vrijheid geldt voor iedereen — ook voor minderheden en andersdenkenden. Wet en recht beschermen burgers tegen willekeur en discriminatie.
Bereidheid tot zelfkritiek en verandering: Een open samenleving erkent dat niemand de absolute waarheid bezit. Beleidskeuzes en overtuigingen kunnen altijd worden herzien op basis van nieuwe inzichten of ervaringen.
Een open samenleving is nooit af: ze vraagt voortdurende waakzaamheid, debat en aanpassing. Haar kracht ligt in openheid, vertrouwen en respect — niet in uniformiteit of controle
Mensenrechten
Mensenrechten vormen de universele grondrechten die ieder mens bezit, simpelweg omdat hij of zij mens is.c Ze beschermen tegen onderdrukking en garanderen een waardig bestaan. De belangrijkste (essentiële) mensenrechten, gegroepeerd naar hun kernfunctie:
Rechten ter bescherming van de persoonlijke vrijheid en waardigheid
Recht op leven – niemand mag willekeurig van het leven worden beroofd.
Verbod op marteling, slavernij en onmenselijke behandeling.
Recht op persoonlijke vrijheid en veiligheid – bescherming tegen willekeurige arrestatie of detentie.
Recht op privacy – bescherming van persoonlijke levenssfeer, communicatie en gezinsleven.
Rechten op gelijke behandeling en non-discriminatie
Gelijkheid voor de wet.
Verbod op discriminatie op grond van geslacht, ras, afkomst, geloof, seksuele oriëntatie, politieke overtuiging of andere status.
Vrijheidsrechten (klassieke rechten)
Vrijheid van meningsuiting en informatie.
Vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst.
Vrijheid van vereniging en vergadering.
Vrijheid om te kiezen voor deelname aan het openbare leven en verkiezingen (politieke rechten).
Sociaal-economische rechten (materiële bestaanszekerheid)
Recht op arbeid en eerlijke arbeidsvoorwaarden.
Recht op onderwijs.
Recht op adequate levensstandaard, waaronder voedsel, kleding, huisvesting en gezondheidszorg.
Recht op sociale zekerheid.
Collectieve en solidariteitsrechten
Recht op zelfbeschikking van volkeren.
Recht op ontwikkeling.
Recht op een schoon en leefbaar milieu.
Mensenrechten beschermen de waardigheid, vrijheid en gelijkheid van ieder individu. Ze vormen de morele en juridische basis van de rechtsstaat en de open samenleving — omdat ze garanderen dat macht niet ten koste gaat van de mens.