Vijftig
Op de vijftigste dag na Pasen, de laatste dag van de paastijd, gedenken we dat de Heilige Geest neerdaalde over de apostelen. Deze gebeurtenis wordt beschreven in het Nieuwe Testament. De naam “Pinksteren” komt dan ook van het Griekse woord “pentakosta” wat “vijftigste” betekent.
Wind en vuur
Op wat later de Eerste Pinksterdag is gaan heten gebeurde het volgende:
De apostelen waren de vrienden en leerlingen van Jezus. Na diens Hemelvaart waren ze alleen achtergebleven en wisten ze niet wat ze moesten doen. Toen gebeurde er iets heel bijzonders.
De gelovigen waren in een huis bijeen toen er binnen plotsklaps een geluid van een grote windvlaag zich voordeed en er een soort vlammen verschenen die zich boven de hoofden van de aanwezigen verspreidden - beter bekend als "vurige tongen". De gelovigen werden met de Heilige Geest vervuld en begonnen buiten het huis op luide toon het evangelie in allerlei vreemde talen te verkondigen met als gevolg dat er een grote massa mensen afkomstig uit allerlei windstreken op hen afkwam. De apostel Petrus nam vervolgens het woord en hield een lange toespraak waarna er ongeveer drieduizend mensen zich bij hen aansloten. De geboorte van de (katholieke) kerk.
In tegenstelling tot Kerstmis en Pasen is Pinksteren tegenwoordig een feest zonder uiterlijke, publieke gebruiken. Oude gebruiken zoals vanuit de nok van de kerk duiven loslaten en vurige ballen en bloemen naar beneden werpen, zijn in de loop der tijd verloren gegaan.
Duif
Vaak heeft de Geest de vorm van een duif. Kijk maar eens rond in onze kerk! Een duif staat voor hemelse inspiratie en vrede. En voor onze ziel die ook na de dood blijft leven.
Het verhaal van Pinksteren uit ‘Het grote avontuur van God en mens’, een prachtige jeugdbijbel geschreven door Kolet Janssen (uitgeverij Davidsfonds/Infodok) brengt ons naar de basis van deze stap. Er brandt een vuur in ons!
Je leest het hieronder
Isaak slenter door de straten van Jeruzalem. Het is druk vanwege het Pinksterfeest. De nauwe straatjes krioelen van de mensen. Soms moet Isaak zich tegen de muur drukken om een jongen met een kar door te laten. In een van de bredere straten ziet hij opeens een heleboel mensen bij elkaar staan.
Wat is daar aan de hand?
Isaak gaat op zijn tenen staan. Vooraan staat iemand te praten. Hij maakt grote armgebaren. Niet veel verder staat nog iemand. Ook hij vertelt vol vuur. Steeds meer mensen komen luisteren naar wat zij zeggen. Isaak dringt naar voor tussen de mensen. Waar hebben die mannen het toch over?
Opeens hoort hij de naam van Jezus vallen. Isaak snapt er niets van. Dat is toch die man die ze nog niet lang geleden aan het kruis hebben genageld? Die is toch dood! Waarom praten ze nu nog over hem? Dat is toch allemaal afgelopen!
Een van de vrienden van Jezus loopt vlak langs Isaak heen. Isaak kent hem nog, hij heeft hem gezien toen Jezus nog leefde. ’Hé, waarom praten jullie nog steeds over die Jezus van jullie?’ vraagt Isaak. ‘Die is toch dood?’
De man schudt zijn hoofd en lacht. ‘Hij is nog altijd bij ons. Dat voelen we gewoon, daar zijn we zeker van!’ Een van de omstanders zegt: ‘Dat kan toch niet, Petrus!’ Maar Petrus houdt vol: ‘Een heleboel dingen die Jezus vroeger heeft gezegd, beginnen we nu pas te begrijpen.
Over God die hij zijn vader noemde. Over hoe we moeten zorgen dat iedereen erbij hoort. We willen iedereen over Jezus vertellen!’
’Maar Jezus is toch dood’, houdt Isaak vol. ‘Hoe kunnen jullie dan doen alsof er niets gebeurd is!’ ’Na zijn dood zaten we bang en verdrietig bij elkaar’, vertelt Petrus. ‘Al onze hoop was kapotgeslagen. Jezus had ons iets wijsgemaakt! Van al zijn mooie dromen was niets terechtgekomen! We durfden bijna niet meer buiten komen en we wisten niet hoe het nu verder moest.
Toen zei iemand opeens: ‘We kunnen hier niet eeuwig zo blijven zitten. Vertel nog eens over Jezus.’
En allemaal herinnerden we ons dingen over Jezus, wat hij had gezegd of gedaan. We werden helemaal warm vanbinnen als we aan hem dachten. Hij was dan wel dood, maar toch was dat niet het einde. Met wat hij had gezegd en gedaan, moesten wij verder gaan. We voelden heel duidelijk dat hij ons daarbij zou helpen. Hij had dat ook gezegd vroeger: als ik er niet meer ben, stuur ik jullie de Geest als een helper en een trooster.’
’En toen zijn jullie op straat over Jezus gaan praten?’ vraagt Isaak.
Petrus lacht. ‘Dat was heel raar. We konden gewoonweg niet meer blijven zitten. Het was alsof er een wind door de kamer had gewaaid, die al onze angst en moedeloosheid had meegenomen. We waren niet meer tegen te houden, we wierpen de ramen en deuren open en we begonnen tegen iedereen die het wilde horen over Jezus te vertellen. Er waren zelfs mensen die een andere taal spraken, maar die ons toch begrepen omdat we zo enthousiast waren!’
Isaak blijft nog een hele tijd staan luisteren naar wat die vrienden van Jezus vertellen. Er staan veel mensen om hen heen. Sommige mensen lachen om hen, omdat ze zo luid praten en grote armgebaren maken. ‘Ze hebben zeker te veel wijn gedronken!’ zeggen ze.
Wat ze zeggen klinkt goed en waar, vindt Isaak. Hij wil er graag nog meer over horen.
Geef je papa of je mama een knuffel en zeg: ‘Mi amas vin’. (Dat betekent ‘Ik hou van jou’ in het Esperanto.) Begrijpt hij of zij wat je wilt zeggen? Of heeft de knuffel alles verraden? Ook als je een taal niet verstaat, kun je toch veel begrijpen…
Lieve God,
Stuur je Geest naar ons, elke dag opnieuw.
Maak ons sterk en goed, lief en aandachtig.
Help ons om samen jouw droom waar te maken.
Amen.