We starten weer met een verhaal uit dat oude boek: de bijbel.
Bij het vormsel legt de vormheer je de handen op.
Elke dag leggen mensen de handen bij een ander op.
De handoplegging is een teken van verbondenheid, van zorg voor elkaar, van veilig-zijn, van bescherming, genegenheid en liefde.
Als je iemand de hand op de schouders legt, wil je hem tonen dat je hem nabij bent. Je laat zien dat hij op jou kan rekenen. Als mama of papa je de hand opleggen, willen zij laten zien dat zij jou beschermen.
In de Bijbel toont het opleggen van de handen dat God begaan is met de persoon op wie men de handen legt en dat Hij voor die persoon het goede wil.
Bij de eerste christenen gaf men met de handoplegging een teken dat die persoon een belangrijke taak dient te vervullen. (vgl. wijding tot diaken of priester).
De handoplegging bij het vormsel door de bisschop of de vormheer betekent:
God zegent jou. Hij legt - als het ware - een beschermend dak boven op je hoofd. Hij gaat met je mee, ook in moeilijke momenten.
Hij is je nabij. Je mag je in goede handen weten en je mag heel zeker zijn dat Gods zegen op je rust. Hij laat jou nooit los.
Maar let op: een zegen ontvang je nooit voor jezelf alleen. God wil dat onze handen zijn zegen uitdragen en leven naar het voorbeeld van Jezus.