Saül is koning van Israël. God heeft hem als koning gekozen en Samuël heeft hem tot koning gezalfd. Maar Saül doet niet wat God van hem vraagt.
Op een dag zegt God tegen Samuël: ‘Vul een hoorn met olie en ga naar Isaï. Die woont in Betlehem. Ik wil dat één van zijn zonen koning van Israël wordt.’
Samuël doet wat God vraagt.
Wanneer hij in Betlehem komt zegt Samuël: ‘Ik wil graag de zonen van Isaï zien.’ Wanneer Isai aankomt met zijn zonen, ziet Samuel Eliab. Hij denkt: ‘Eliab wordt zeker koning!’
Maar God zegt tegen Samuël: ‘Het is niet belangrijk of iemand knap is of groot. Want Ik kijk niet zoals een mens. Een mens kijkt naar het uiterlijke, maar Ik kijk naar het hart van iemand.’
Daarna roept Isaï nog zes zonen Maar Samuël zegt telkens: ‘Ook hem heeft God niet uitgekozen.’ Zo stelt Isaï zeven van zijn zonen aan Samuël voor.
Dan vraagt Samuël aan Isaï: ‘Zijn dat al uw zonen?’ Isaï antwoordt: ‘Nee, de jongste is er niet bij. Die zorgt nog voor de schapen.’ Samuël zegt: ‘Laat hem halen. We gaan niet aan tafel voordat hij hier is.’ Isaï stuurt iemand weg om zijn jongste zoon te halen.
God zegt tegen Samuël: ‘Die moet u zalven: hij is het.’ Samuël neemt de hoorn met olie en zalft er David mee.