VAN ELSLANDE R., De relatie tussen Hendrick van Eyck, hoogbaljuw van Dendermonde en Jan van Eyck, hofschilder (ofte Hendrick van der Eycken en Jan van der Moelen), in: Gedenkschriften van de Oudheidkundige Kring van het Land van Dendermonde, 4de reeks, dl. XXII, jb. 2014, blz. 277 – 332.
De relatie tussen Hendrick van Eyck, hoogbaljuw van Dendermonde en Jan van Eyck, hofschilder
(ofte Hendrick van der Eycken en Jan van der Moelen)
De familienaam van Eyck en de plaatsnaam Dendermonde roepen bij de kunstliefhebbers meestal beelden op die in verband staan met de roof van het gestolen paneel met als voorstelling “De rechtvaardige rechters”, één van de zijluiken van het wereldberoemd LamGodsretabel (Gent, St.-Baafskathedraal) geschilderd door Hubert en Jan van Eyck.
Het was kort voor zijn overlijden op 25 november 1934 te Dendermonde dat Arsene Goedertier aan advocaat De Vos meedeelde dat hij wist waar het gestolen paneel zich bevond. Als verwijzing duidde hij naar de lade van zijn bureau. Goedertier was zeker geen onbekende te Dendermonde, waar hij reeds op 4 juli 1907 het koninklijk verguld eremerk voor zijn resultaten in de Academie voor Schone Kunsten ontving[1].
Het verhaal van de familie van Eyck eindigt zeker en vast hier niet, maar gaat veel verder in de tijd en voert ons terug tot de 15de eeuw.
Wie thans naar de toeristische site van deze stad gaat, treft het volgende aan:
Wist u dat van ONZE STAD?
W A S E E N B R O E R V A N J A N V A N E Y C K O O I T B A L J U W V A N D E N D E R M O N D E?
Dit artikel zal trachten een antwoord te vinden op deze vraag.
Hendrick van Eyck, biografische gegevens
Op 11 november 1466 overleed Hendrick van Eyck in de Ros Beiaardstad Dendermonde. Hij werd er begraven in de O.-L.-Vrouwekerk.
Broeckaert vermeldt: (koor) nr. 98: blauwe steen met wapen van de familie van Eycke. De familie van Eyck of van de Eecker (de Quercu) bezat als de meeste edelen in de middeleeuwen haar steen op de Grote Markt (te Dendermonde), welk gebouw tot in de 18de eeuw de benaming hield van Steen van Eecken. De Dendermondsche boekverkoper Joos Van Langhenhove, factor den rederijkersmaatschappij de Leeuwerckenaars, bewoonde het in 1629.
Hier licht begraven Henrick van Eicke
sparewannier, raed en(de) camerlinck ons
gheduchts heeren shertoghen van Bourgoigne
grave van Vlaenderen ende zynen hoochbailliu
van (de) stede en (de) lande van Dendermonde
die starf op St Martensdach 1466
Gaillard, wiens wij dit opschrift ontlenen voegt er bij:
Ende daer licht by Jan van Eicke, fs. Hendricx
die starf 1523 den 10 van den wedemaent
ende Mr. Jan Pieters, Hendricx van Eickens
behuwde zone, die starf 1488 de 13 junii,
en(de) Joncvr(auw) Isabeau Sallards, Hendricx van
Eickens wyf, die starf 1505 op St- Martensdach
Daerby licht Jonckvr(auw) Cathelyne van Eicke,
fa. sHendricx, die starf 1512 den 25 Decemb(ris)
en Jonvr(auw) Isabelle Pieters huusvr(auwe) van
Jacob de Rantere, starf 1529 den 5 octobris[2].
Reeds vroeger is dit gegeven vermeld geworden. In zijn De Teneraemonda libri tres merkt David Lindanus (van der Linden)[3] op:
Henricus vander Eycken, Falconarius, & à cubiculo Philippi Boni anno M CCCC LXI obiit anno M CCCC LXVI. Sepultus hic ad D. Virginis, uxorem habuit Elizabetham Zaelaert, & ex ea filium Ioannem Sacellanum S. Ioannis, & insuper filiam Catharinam quae nupsit Joanni Peeters, unde filiam sustulit Elizabetham, Conjugem Ioannis de Rantere: qui omnes excepto hoc, ad D. Virginis uno monimento clauduntur.
(Vertaling: Henricus vander Eycken, valkenier en raadsheer van Philippe de Goede in het jaar 1461, overleden in het jaar 1466. Hij is begraven is in de O.-L.-Vrouwkerk en met hem zijn vrouw Elisabeth Sallaert. Bij hen is begraven Jan, religieus, en hun dochter Catharina die gehuwd was met Jan Peeters. Bij hen ligt ook de dochter van dit laaste echtpaar Elisabeth genaamd die gehuwd was met Jan de Rantere)
Opvallend is wel dat in de vertaling van Lindanus door Maestertius Hendrik van Eyck niet voorkomt op de lijst van hoogbaljuws[4].
Dit grafschrift leert ons dat Hendrick van Eyck sperwernier, raadsheer en kamerknaap was van de hertog Philips de Goede (1396-1467). Daarnaast was hij tevens hoogbaljuw van het Land van Dendermonde. Nadien werd in deze grafkelder nog bijgezet: zijn vrouw Isabella Sallaert (+ 11-11-1505), zijn zoon Jan (+ 10-6-1523), zijn dochter Cathelijne (+ 25-12-1512) met haar man Jan Pieters (13-6-1488) en haar dochter Isabelle Pieters ( + 5-10-1529), die eertijds gehuwd was met Jacob de Rantere. Deze grafzerk “ drouch: d’or et d’azur burlé de 8 pièces; le timbre couronné d’or, daer op een valcke[5]”versierd met de afbeelding van een valk, een gebruik die we aantreffen bij epitafen van belangrijke overleden valkeniers die hun opleiding hebben genoten te Arendonk[6]. Dit valkeniersbedrijf in Arendonk was bekend bij de vorstelijke hoven. Tal van daar opgeleide valkeniers waren verbonden aan belangrijke Europese hoven. Het wapen van Isabella Sallaert droeg “ de geule à 3 lozanges en pal d’…, den timber van haer vader was d’or met een sparrewaer daer tusschen”[7].
Jan van Eyck, De Madonna in de kerk, Berlijn, Staatliche Museen, Gemäldegalerie-Dahlem
In 1908 suggereerde de Engelse kunsthistoricus James Weale als eerste de mogelijke familiale band tussen Hendrick van Eyck en de schilder Jan van Eyck [8], daar beiden gelijktijdig werkzaam waren aan verschillende hoven. Daarbij publiceerde deze navorser een Eyckiaanse tekening “De man met de valk” (Frankfurt am Main, Städelsches Kunstinstitut und Städtische Galerie, Graphische Sammlung)die hij als mogelijk portret van Hendrick van Eyck beschouwde.
Aan het hof van Jan van Beieren in Den Haag was Jan van Eyck in 1424 werkzaam, o.m. voor het vervaardigen van wanddecoraties in het prinselijk paleis[9]. Hendrick was in die periode aan dit hof verbonden als ‘jahermeester’ [10]. Waarschijnlijk was Hendrick van Eyck reeds vroeger in dienst getreden van deze vorst. Toen Jan van Beieren electieprins-bisschop was van Luik, had deze vorst reeds betrekking met de Arendonkse valkeniers[11]. In 1417 deed deze graaf van Holland, Zeeland en Henegouwen afstand van zijn gezag te Luik en trok zich terug in zijn residentie te ‘s-Gravenhage, waar hij overleed op 5 januari 1424 (n.s. 1425).
Mogelijks was ook Jan van Eyck reeds vroeger in dienst van deze vorst. Op Jans schilderijtje “De Madonna in de kerk” (Berlijn, Staatliche Museen), een jeugdwerk van de grootmeester, bemerken we in de achtergrond engelen in een koor die in verband kunnen gebracht worden met de verschijning van de engelen aan het graf van de verdwenen Sint-Lambertuskathedraal te Luik[12].
Terloops vermelden we hier dat Pieter van de Steyne in 1408 en 1418 vermeld als proost van de collegiale kerk van Maaseik, tevens kanunnik van de St.-Lambertuskathedraal te Luik was. Daarnaast was van de Steyne in 1409 en 1412 ook groot kanselier en zegelmeester van Jan van Beieren. Omstreeks 1420 zou hij proost geweest zijn van O.-L.-Vrouwkerk te Utrecht . We treffen later familieleden van de gebroeders van Eyck aan in deze stad[13]. Mogelijks heeft deze geestelijke een rol gespeeld bij de aanwerving van Jan van Eyck als hofschilder van Jan van Beieren[14].
Grafzerk Hubert van Eyck, Gent, Museum voor Stenen Voorwerpen
Aan het hof van Den Haag was nog een van Eyck werkzaam, Gerard genaamd, die zonder enige bewijsvoering door Weale[15] als broer van Jan en door Lejeune in relatie gebracht werd met Hendrick[16].
Na de dood van Jan van Beieren en het uitbreken van de Hoekse en Kabeljauwse twisten, verlieten Jan en Hendrick Holland en vestigden zich in Vlaanderen, waar Jans broer Hubert zich reeds gevestigd had.
Nadat Jan van Eyck in 1425 hofschilder van Philips de Goede werd, treffen we een jaar later ook Hendrick aan op de lijst van het huispersoneel van de hertog·. Algemeen wordt aanvaard dat, door familiale banden met de schilder, Hendrick aanbevolen werd bij Philips de Goede door Jan van Eyck. Deze veronderstelling berust op de vermelding “par la relaction de plusieurs de ses gens” . Door deze vermelding in het aanstellingsdocument van Jan van Eyck als hofschilder en kamerknaap, wordt verondersteld dat er nog andere familieleden van de schilder verbonden waren aan het hof[i].. Hierbij wordt direct de naam van Hendrick van Eyck vermeld. Het hoger vermeld gegeven is duidelijk uit de context gehaald en heeft betrekking op ander personeel, dat destijds werkzaam was aan het hof van “Monseigneur le duc Jehan de Bayvière”, en hierbij kan eventueel verwezen worden naar de jagermeester Hendrick van Eyck.
Philips de Goede had reeds vroeger valkeniers in dienst die hun opleiding genoten hadden aan de valkerij van Arendonk[17] en die gegeerd werden in heel Europa. In 1436 was “Hayne van Eyck valet d’eperviers du Duc de Bourgogne”[18]. Hij was als kamerdienaar verbonden aan het hof van de hertog[19]. Net zoals Jan werd Hendrick belast “pour aller en aucuns lieux secretz ou icelui Seigneur l’envoya don til ne vuelt autre déclaration estre faicte”[20]. Het toevertrouwen van geheime opdrachten bewijst dat deze sperwernier een groot vertrouwen genoot van de hertog. In 1444 trad Hendrick van Eyck in het huwelijk met Elisabeth, dochter van Lodewijk Sallaert. Lodewijk Sallaert trad ongeveer gelijktijdig met Hendrick in 1426 in dienst bij de hertog als valkenier en in 1436 werd hij benoemd tot meester-valkenier[21]. Sallaert was reeds tussen 1403 en 1407 watergraaf en ontvanger van de brieven in het Land van Waas. Daarna was hij tussen 1407 en 1414 hoogbaljuw van Dendermonde. In Dendermonde werd hij als hoogbaljuw opgevolgd door Gerard van Maldeghem, heer van Baasrode en Sint-Amands, die gehuwd was met "de vrouwe van Reyseghem", dochter van Geeraard II van Reyseghem, ridder, gouverneur van het soeverein baljuwschap van Rijsel, Dowaai en Orchies, en van Jaqueline van Beveren, dame van Pouke en Amougies[22]. Het prinsenhof te Dendermonde kreeg in die periode een nieuwe benaming, nl. het Hof van Maldeghem genaamd naar de toenmalige hoogbaljuw[23]. Tussen 1414 en 1419 nam Lodewijk Sallaert de functie waar van Schout van Brugge. Nadien keerde hij terug naar Dendermonde, waar hij opnieuw de functie bekleedde van hoogbaljuw tot in 1424. Tussen 1422 en 1423 werd hij aangesteld als baljuw van Gent. Vanaf 1423 tot 1431 nam hij de functie van schout te Mechelen waar. Daarnaast was hij tevens opppervalkenier van de hertog Filips de Goede[24].
Goris neemt zonder enige bewijsvoering aan, dat Sallaert zijn opleiding genoot aan het valkeniersbedrijf te Arendonk[25]. Elisabeth Sallaert was de derde echtgenote van Hendrick.
Zoals Ferwarde[26] (1785) aanhaalt blijkt Hendrick reeds eerder in het huwelijksbootje gestapt te zijn:
“Hendrick van der Eycken, Ridder, 1449, Raad, Kamerknaap en groot Fauconnier (= valkenier) van de Hertog van Bourgogne, trouwde voor de 1° maal, Lelie van Grimbergen, gezegd van Ascche, wed(uwe van) Jan Hertoghe, 2° (maal) met Elisabeth Gotthem, 3tio Elisabeth Zallaart, dochter van Louis, Bailli van Termonde, groot Bailli van Gent, heeft gewonnen 3 kinderen.
Hendrick, heer van Riviere, Raad van de Hertog van Brabant – Raad en Rekenkamer, gehuwd met Geertruit van Volxhem, gez(egd) Stalle, dochter van Paul, schepen van Brussel.
Jan van der Eijcken: geestelijk
Catherina van der Eycken: gehuwd met Jan Peters Uten-Himminghen, ridder.”.
Uit de hoger vermelde epitaaf van Hendrick van Eyck dringt de veronderstelling zich op dat zijn zoon Hendrick gesproten is uit een eerder huwelijk, en niet de zoon is van Elisabeth Salaert. Doch blijken de gegevens over deze zoon niet juist te zijn. In een commentaar bij het Edict 14 december 1616 ”over de heerlijkheid “Riviera”[ii] wordt vermeld dat dit leen ten tijde van Hendrick van Eyck-Volksem in het bezit was van Henricus Stoop. Na zijn dood in 1478 ging deze heerlijkheid over op zijn dochter Elisabeth Stoop, die gehuwd was met Jan van Eyck, de zoon van Hendrick. In 1535 ging dit leen over naar hun oudste zoon Cornelius van Eyck en nadien (1570) naar zijn zoon Philippus van Eyck
Dit geeft ons thans de volgende genealogische gegevens:
In 1452 vestigde Heyn van Eyck samen met zijn derde vrouw Joncvrouwe Isabeau Sallaert te Dendermonde. Broeckaert (o.c.) vermeldt dat Hendrik van Eyck in een steen op de hoek van de Grote Markt bewoonde, “ welk gebouw tot in de 18de eeuw de benaming hield van Steen van Eecken. De Dendermondsche boekverkoper Joos Van Langhenhove, factor den rederijkersmaatschappij de Leeuwerckenaars, bewoonde het in 1629.”. Het gegeven dat deze latere hoogbaljuw, de plaatsvervanger van de vroegere burchtgraaf, een steen aan de markt zou bewonen is duidelijk in strijd met de traditie, waarbij één van de verplichtingen was van deze hoge functionaris dat hij zijn intrek nam in de grafelijke/hertoglijke residentie[27]. De hoogbaljuw was inmiddels de plaatselijke vervanger van de vorst[28]. Ook in de voorgaande periode toen hij nog niet de functie van hoogbaljuw waarnam, zou men eeder aanvaarden dat deze sperwenier van de hertog, in opvolging van zijn schoonvader Lodewijk Sallaert, samen met zijn gezin één van de afhankelijkheden van het vorstelijk hof zou bewonen. De toenmalige hoogbaljuw Guillaume, heer van Quienville (= Hondeghem) verbleef nauwelijks in Dendermonde.
Hendrik daarentegen nam actief deel aan het sociale leven van de Ros Beiaardstad. Ter gelegenheid van de aanstelling door de koorknapen van “Henric Sporewariers neve (kinder)deken was in de kerke” “up Alderkinderen dach” (= 28 december) 1456 nodigde Hendrik van Eyck zijn familielid samen met de koorknapen uit in zijn verblijf op het traditionele banket van het feest van de ’Onnozele Kinderen’ . Aan dit feest namen tevens alle dienaren en geestelijken van de Dendermondse O.-L.-Vrouwkerk deel. Ter deze gelegenheid liet het stadsbestuur “t savons ter feesten ter eeren van Heinricke drie kannen wyns” schenken[29]. Hierbij wordt duidelijk vermeld dat dit banket plaatsgreep in het verblijf van Hendrik van Eyck, nl. het prinsenhof waar thans het klooster der Zwart Zuster gevestigd is. Reeds in de 14de eeuw werd deze burcht de woonplaats van de hoogbaljuws, vervangers van de hertog, te Dendermonde. Deze woning werd tot in 1380 bewoond door de familie de Mirabello, alias van Halen, geldwisselaars van Lombardije[30]. Door het huwelijk van Catharina van Mirabello, met Philippe van Massemen, hoogbaljuw van Dendermonde, werd dit hof de residentie voor de latere hoogbaljuws. Het was pas in de 16de eeuw dat dit hof nadat het eigendom was van de familie van Royen deels een refude werd van het Benedictijnerklooster van Affligem[31].
De oozaak waarom ridder Guillaume de Quienville amper het Prinsenhof te Dendermonde bewoonde had duidelijk een andere reden, die we terugvinden in een rapport die de Rekenkamer in 1461 over deze hoogbaljuw opstelde. Hieruit bleek dat “ledit messire Guillame ne tient point de residence personele audit Tenremonde, ains se tient ca et la vacabonde et vivant inutilement par le pais de Flandres”. Naast het feit dat men deze hoogbaljuw -met een jaarwedde van 80 pond- verweet dat hij amper in Dendermonde verbleef, legde de Rekenkamer hem ook een financiëel wanbeheer ten laste, waarbij hij geen rekening hield met de reeds aangeklaagde vermaningen. Waarschijnlijk had Willem van Hondeghem verla Grande in Poitierskregen door toedoen van de hertog, waardoor deze hoogbaljuw uit dit ambt werd weggepromoveerd tot raadsheer en kamerknaap van de graaf van Charolais, de latere hertog Karel de Stoute.
De oude burcht van Dendermonde
In 1461 werd Hendrick van Eyck aangesteld als “balie van den toren en het grondgebied van Dendermonde”, m.a.w. hoogbaljuw van het Land van Dendermonde. Deze functie bleef de sperwenier waarnemen tot aan zijn dood op 11 november 1466. De taken en functies die de Dendermondse hoogbaljuw moest waarnemen werd uitvoerig beschreven door Bart De Wilde[32].
Hij werd begraven in de Dendermondse hoofdkerk. Over de uitvoering van dit ambt zijn geen klachten terug te vinden. In deze functie werd hij opgevolgd door Jehan Pieters, die we waarschijnlijk mogen vereenzelvigen met Hendrick’s schoonzoon Jan Pieters. Jan Pieters oefende dit ambt uit tot in 1468.
Het graf van Hendrik van Eyck bleef jammer genoeg niet bewaard. Samen met de resten van de feodale burcht verdween zijn laatste rustplaats in de loop van de 16de eeuw. Gelukkig had Gailliard zijn epitaaf opgetekend.
Met oog op het achterhalen van verdere biografische gegevens over Hendrik van Eyck onderzoeken we de vermelding van Broeckaert (o.c.) die meent dat Hendrik een familielid is van “De familie van Eyck of van de Eecker (de Quercu)die als de meeste edelen in de middeleeuwen haar steenbezat op de Grote Markt (te Dendermonde), welk gebouw tot in de 18de eeuw de benaming hield van Steen van Eecke.”. Het Steen van Eecke op de markt van Dendermode was eigendom van de familie van der Eecken, die oorspronkelijk afkomstig was uit Opwijk. Deze familienaam is afgeleid van de heerlijkeid Ten Eecke[iii]. Dit grote hof, van feodale oorsprong, in Opwijk werd in de 13de eeuw de zetel van een belangrijk leengoed, dat drie hoofdlenen omvatte . Het was het voornaamste landbouwbedrijf van deze gemeente[33].
Het obitarium van de Dendermondse O.-L.-Vrouwkerk vermeldt dat in het begin van de 14de eeuw ridder Willem van der Eecke eigenaar was van dit leen[34]. Deze edelman nemen we als stamvader van het geslacht dat haar naam gegeven heeft aan een steen op de Grote Markt te Dendermonde. Deze Willem moet een nauwe verwante geweest (vader, grootvader, oom) zijn van Hendrik Veele (of Vaele) (+ voor 1341), die in de eerste helft van de 14de eeuw heer was van Eecke. Deze Dendermondse schepen had bij zijn echtgenoot Domicella Mechtild[35] vier kinderen: Willem I, de volgende heer van Eecke (zie verder), Maria die in het huwelijk trad met Imbrecht (Ingelbrecht) van der Noot (+ voor 1348)[36], zoon van Willem en Lijsbeth Monaert[37], Machtild en Sapientia. Hij was verwant aan de familie van Nursene, die reeds in 1334 een schepen aan de Dendermondse magistraat hadden geleverd[38].
Wapenschild van Bigaerden Wapenschild Rongman –Van der Eecke
De oudste zoon Willem I (+ voor 1346) Veele, geheten Rongman, werd in 1341 heer van Eecke.
Volgens Wauters [39] verwees de naam Rongman naar een Gentse oorsprong. Als bewijsvoering bracht hij naar voor dat in 1340 een Jan Roggeman fungeerde als schepen van gedeele in de Arteveldestad. Behalve deze Jan Rocgheman, die nog in 1361 vermeld werd te Gent[40], treffen we deze naam niet aan in de Gentse archieven van de 14de eeuw. We moeten dan ook niet de roets van deze familie zoeken in de Arteveldestad.
Deze Willem I had samen met zijn vrouwCatharina vier kinderen. Naast Willem II(zie verder) vermelden we Hendrik, die gehuwd was met Jenne. Bij deze vrouw heeft hij geen kinderen, wel kennen we van hem enkele bastaards. Hendrik schonk aan de kerk van Opwijk een rente van vier vaten rogge bezet op zijn land te Berchem onder opwijk [41]. Daarnaast vermelden we Gillis (+ ca. 1361), die in 1350 nog minderjarig was (- 25 jaar), en Catharina (+ na 1368) de vrouw van ridder Floris (+ ca 1366), heer van Bijgaarden. Naast deze vier kinderen had Willem I nog een bastaardzoon Hendrik, die kinderen had[42].
Willem II Vele, genaamd Rongman (+ voor 1371), was in 1365 heer van Eecke[43] en in 1341, 1346 en 1366 schepen van Brussel uit het geslacht Serhuijghs. In 1346 en 1366 werd hij aangesteld als deken van het Brussels lakenwevergilde. Hij huwde Catharina, de zuster van de hoger vermelde Floris van Bijgaarden, waardoor de heerlijkheid Bijgaarden in het bezit kwam van de familie Veele, genaamd Rongman. Zijn erfgenamen namen in lichtgewijzigde vorm het wapenschild van de familie van Bigaerden over.
De familie Veele, alias Rongman, genaamd van der Eecke verliet voorgoed haar hof te Opwijk en verbleven in het kasteel te Bijgaarden of in hun “Steen” aan de grote markt te Dendermonde. Het Hof ten Eecken behielden ze als een “ huis van plaisantie”[44]. Het echtpaar Veele-van Bigaerden had vijf kinderen. Naast Willem III vermelden we Sapientia(+ na 1411),, alias Poije[45] die de eerste maal in het huwelijk trad met Hendrik van der Eertbruggen ( + ca. 1362)[46], zoon van Goossin en Adele, schepen van Opwijk tussen 1340-1342. Na de dood van haar man hertrouwde ze met ridder Rijnier van Ursene (+ 3-3-1370)[47], zoon van Godevaert en Marie Van der Noot, heer van Asschreijhane (Londerzeel) en amman van Brussel. Hij werd begraven in de kerk van Londerzeel. Na de dood van haar tweede echtgenoot trad ze opnieuw in het huwelijk met ridder Willem van Berchem (+ ca. 1409)[48], zoon van Willem en Isabelle van Haemstede, heer van Schilde in 1395 en Berchem in 1406[49]. Hun derde kind Floris van der Eecke( + ca. 1407), werd ontvoogd in 1362 en in 1390 vermeld als ridder. In 1386 werd hij achtman van de gilde, schepen van Brussel in 1391 en 1397, en werd hij verder vermeld werd als heer van Bijgaarden in 1364 en van Eecke in 1372. Hij huwde met Margriet van Berchem, dochter van Costen van Berchem-van Hovorst. Floris schonk aan de kerk van Opwijk een jaarrente van tien stuivers[50]. Zijn zoon Floris van der Eecke (+ 1411) volgde hem op als heer van Bijgaarden en Eecke in 1407. Deze laatste was gehuwd met Catharina Sersanders (+ na 1451)[51], dochter van de Gentse ridder Simon en Marie van den Heetvelde, vrouwe van Koekelberg.
Willem II Veele en Cathelijne van Bigaerden hadden verder nog twee dochters Magriet, vermeld in 1378, en Catherine die in het huwelijk trad met Jan van Obbergen (+ voor 1403), zoon van Hendrik, leenman op het Hof te Obberghen te Beigem[52].
Willem III Veele (+ voor 1403), genaamd Rongman of van Bijgaarden, werd in 1376 aanvaard in het Brussels Serhuijgs-geslacht[53]. In 1389 werd hij achtman en in 1397 deken van de Brusselse lakenwevergilde. Bij zijn vrouw Lijsbeth uten Steenweghe, genaamd van der Noot, dochter van Jan [54] en Margriet de Leeuw alias ver Sophien[55], had hij vier kinderen. Naast Jan (+ na 1427) en Gillis vermelden we Catharina (+ voor 1403) die trouwde met ridder Estor, zoon van Hendrik en Maria van Berlaer, schepen van Brussel in 1408.
De oudste zoon Willem IV Rongman of van Iederghem (+ voor 1445) genaamd, ridder en heer van Bijgaarden en Eecke in 1410, werd in 1413 aanvaard in het Serroelfs-geslacht. Op bevel van Filips de Goede onderdrukte hij ondermeer de onlusten te Brussel in 1421, hetgeen hem een heleboel openlijke maar ook verdoken vijanden opleverde. Om de opstandelingen van hun voornemens te weerhouden had de stad nood aan een sterke leider en ze deed voor deze hachelijke taak een beroep op de heer van Bijgaarden. In 1418 was hij reeds een keer schepen geweest van de stad en op 20 april 1422 legde hij de plechtige eed af voor zijn nieuwe taak om orde op zaken te stellen in het opstandige Brussel. De militaire organisatie van de burgerij werd grondig herzien. Teneinde Willem voor zijn diensten te danken gaven de drie leden van de stad hem het hotel van Ostrevant, gesitueerd op het huidige Muntplein, om er tijdens de uitoefening van zijn opdracht te verblijven. Een plotse opstand deed deze schenking echter gauw teniet. De Hertog Jan IV verzoende zich met de Brusselaars en de heer van Bijgaarden deed tevergeefs pogingen om zijn opdracht en de daaraan verbonden verdiensten te behouden. Op 21 december 1423 werd Willem van zijn taak ontheven door de hertog Jan IV. Enkele dagen later moest Willem de sleutels van de stadspoorten, zijn benoemingsakte en de schenkingakte van het hotel Ostrevant aan de stadsmagistraten overhandigen. Willem trok zich vervolgens terug tot hij in 1428 deel uitmaakte van de zeven burgers die samen met zeven edelen de door de adel en steden verschuldigde lasten bepaalden, die overal in het hertogdom werden opgelegd.
In 1435 liet zijn broer Gillis, bijgenaamd Rongman, zich beledigend uit tegenover de hertog Philips de Goede. Hij werd onmiddellijk gevangen genomen, maar omdat hij ook burger was van de stad Brussel vroeg zijn broer de heer van Bijgaarden aan de magistraten om hem te laten berechten door de amman en de schepenen. Op dit voorstel ging men niet in, Gillis zou volledig volgens de wet worden berecht en indien hij schuldig werd bevonden zou men de Hertog verzoeken genadig te zijn. Willem die de beraadslaging had moeten verlaten omdat het om een familielid ging, was helemaal niet opgezet met deze beslissing. ‘s Anderendaags ging hij naar het stadhuis waar de amman en de schepenen wettelijk zetelden waar hij in het bijzijn van een grote menigte de leden sommeerde zijn broer voor hen te laten brengen en hem te berechten. De magistraten waren behoorlijk geïrriteerd door dit gedrag en vergaderden opnieuw op 28 augustus 1435. Een vonnis dat men uitdrukkelijk beval te registreren zette Willem voor goed uit zijn burgerschap en op 3 januari 1436 werd Gillis veroordeeld tot het met een gloeiend ijzer doorboren van zijn tong. Gillis diende de stad dezelfde dag nog voor zonsondergang en het Hertogdom binnen de drie dagen voor altijd te verlaten. De raad beval eveneens dat indien diegenen die tegen Gillis hadden getuigd zouden worden aangevallen of beledigd, dit misdrijf zwaar bestraft zou worden[56].
Willem IV stichtte in de kerk van Opwijk een jaargetijde bezet op het hof ten Eecke[57]. Hij was gehuwd met Johanna van Saemslacht, dochter van Gillis, heer van Zaamslag. Beiden hadden een dochter Catherina Johanna Veele, genaamd Rongman, vrouwe van Bijgaerden en Eecke die trouwde met Jan van Ranst (+ 1476), zoon van Jan, heer van Cantecroij, Mortsel, Edegem, Luithagen en Houthain-le-Val, en Beatrijs van Duffel. Hij erfde de titels van de heerlijkheden van zijn vader en werd in 1460 meier van Leuven. Na zij dood hertrouwde Catharina Johanna met ridder Frederik van Withem, burggraaf van Limburg. Dit huwelijk werd ontbonden in 1488.
Daar deze huwelijken kinderloos bleven gingen de goederen van de familie Veele-Rongman-van der Eecke over naar de familie Esther[58].
Hoewel het voeren van een persoonlijk wapen niet uitgesloten is, vertoont het wapenschild van de familie Rondman-van der Eecke geen gelijkenis met dat van Hendrik van Eyck. Het was trouwens uitgesloten dat een hoogbaljuw lid zou zijn van een familie die reeds vanaf de 14de eeuw deeluitmaakte van het patriciaat van Dendermonde. We mogen dan ook de stelling verwerpen dat Hendrik van Eyck een lid was van de familie van der Eecke, die aan de markt van Dendermonde een steen hadden.
Herkomst en familiale banden
Reeds vroegtijdig heeft men familiale banden gezocht tussen de schildersfamilie en Hendrick van Eyck. Weale (o.c.) meent dat Hendrick van Eyck de neef was van de schilders Hubert en Jan. Hoewel het te voorbarig is om enkel en alleen op basis van de naam te aanvaarden dat beiden familie van elkaar zouden zijn, kende nadien deze veronderstelling een algemene ingang.
Voor eerst moeten we opmerken dat tientallen plaatsnamen in Vlaanderen, Nederland[59] en Duitsland[60] aanleiding hebben gegeven tot het ontstaan van de familienaam (van) Eyck, van der Eycken, Eykelberg, Bergeyck waarbij tevens verschillende familiewapens behoren[61].
Voor 1300 verwijst de plaatsnaam Eyck naar het landdekenaat van Aldeneik: Eicha in 870; Eiche in 944; Eicke in 1155; Eycke in 1162; Eycke in 1202; Eke in 1244, Eyck in 1376 en later. De herkomst van de naamdragers van Eyck moet dan ook eerder gezocht worden rond dit pittoresk plaatsje waar later de stad Maaseik uitgroeide. Deze stelling past volledig in de optiek van de eerste biografen van de schilders Jan en Hubert die Maaseik als de geboorteplaats aanduiden van deze kunstenaars.
Gebaseerd op de heraldische gegevens blijkt ook de familie van Hendrik herkomstig te zijn uit deze streek. Hij moet ook een lid geweest zijn van een belangrijke familie. Een belangrijk gegeven hierbij is dat om valkenier te worden men een schildboortig man moest zijn, d.i. vier vrijgeboren grootouders hebben, en te paard met schild en speer ten strijde mogen trekken[62]. Verder voerde hij zoals belangrijke patriciërs en edelen een wapen.
Het wapen van Hendrick van Eyck, met dwarsstrepen van goud en azuur in acht stukken[63], vertoont duidelijk gelijkenissen met dat van het graafschap Loon: met dwarsstrepen van goud en keel in tien stukken. Dit blazoen werd staande gedeeld overgenomen door de Loonse stad Maaseik. We mogen dus aanvaarden dat de herkomst van Hendrick van Eycks familie te zoeken valt in het graafschap Loon.
Wapenschild: Hendrik van Eyck Wapenschild: Graafschap Loon
We mogen dus aanvaarden dat de oorsprong van deze familie ook gezocht moet worden in de streek van Maaseik. Reeds hebben we opgemerkt dat ook in de 19de eeuw en in de eerste helft van de 20ste eeuw talrijke falsificaties ontstonden i.v.m. de genealogie van de familie van Eyck[64], toen opnieuw de schilders Jan en Hubert geherwaardeerd werden. Voor de genealogie van de familie van Eyck zijn om die reden de 18de eeuwse publicaties, toen Jan van Eyck bijna enkel geroemd werd voor zijn zgn. uitvinding van de olieverf, vrij belangrijk. Onze aandacht gaat in het bijzonder uit naar groeperingen van genealogieën van families per streek of land(sdeel) om de bekende falsificaties te vermijden van stambomen die opgemaakt werden om personen of families te verheerlijken.
Tijdens onze studie over het verblijf van Hubert van Eyck in de Elzas[65] hadden we een aantal genealogieën, opgesteld in het Ancien Regime, over de familie opgemerkt waarvan deze van De la Chenaye-Besbois uit 1773 het volledigst bleek te zijn[iv]. In dit werk treffen we in één van de genealogieën van de families van Eyck ook Hendrick van Eyck, de hoogbaljuw van Dendermonde, aan. Deze schrijver geeft zelfs enige bijkomende gegevens over deze jagermeester aan, die volgens hem verwant was met één van de zeven belangrijkste Brusselse geslachten. Voor het opstellen van deze stamboom greep hij terug naar enkele bekende publicaties, zoals o.a. deze van Le Roy (1678)[66], de wapenherault Van de Leene (1705)[67], Jean-Baptist Gramaye (1708) [68], Charles Butkens ( 1726)[69] en de periodiek Marcure de France (1777). Om de authenticiteit van deze gegevens te staven zullen we deze toetsen aan authentieke documenten. De stamvader van dit geslacht noemt hij Jan van Eyck, getrouwd met Alyde van Campenhout, dochter van Walterius, die hij aantreft in een uitreksel van een conventie van 1321. De familie Van Campenhout staat omschreven als 'notarii' en als 'judices domini ducis', waardoor ze nauwe banden hadden met het hof[70]. De la Chenaye-Besbois vereenzelvigd deze Jan van Eyck met “Joannes de Quercu” (een latinisering voor het woord Eyck[71].) die omstreeks 1300 amman was van Brussel.
De oudst bekende voorouder van Hendrick van Eyck is zijn overgrootvader eveneens Hendrick (+1370) genaamd, die gehuwd was met Catherina Scalve. Dit huwelijk had één dochter Elisabeth genaamd die gehuwd was met Hendrick Cassaerts en twee zonen Hendrick (de grootvader van de valkenier) en Gilles, die tot één van de belangrijke patriciërs van Brussel behoorde. Gilles vander Eycken was gehuwd met Catherina van Achtere, de natuurlijke dochter van hertog Jan III van Brabant[72].
Hendricks grootvader Hendrick vander Eycken (+ 1388), genaamd van Campenhout, zoon van Quondam had twee zonen: Hendrick (de vader van de valkenier) en Waulter. Beiden vergezelden Wenceslaus I, hertog van Brabant, tijdens de slag van Bäsweiler op 21 augustus 1371. Waultier werd gevangen genomen tijdens deze veldslag. Zijn zegelring droeg het wapen : “ au chef chargé de trois maillets”[73].
Wapenschild van der Eycken
Hendrick vander Eycken (+ tussen 1429 en 1436), de vader van de jagermeester, huwde met Catherina de Weert, genaamd van Swertere, lid van een belangrijke nobele Leuvense familie[74]. Naast Hendrick, hoogbaljuw van Dendermonde, hadden zij nog een zoon Jan, schepen van Mechelen (1484), die met Marie Biscoppe huwde. Dit laatste gezin had twee dochters: Agnes, die huwde met Antoine van Hessene, en Marie, die in het huwelijk trad met Williame van Assche uit het huis van Grimbergen.
Over Hendrick van Eyck, weet De la Chenaye-Besbois te vermelden dat zijn eerste vrouw Lelie van Grimbergen de Assche een lid was van één der oudste en edele families in de Nederlanden. Samen hadden ze een zoon Hendrick genaamd. Verder vermeldt hij dat Hendricks tweede vrouw Elisabeth Cathem kort na hun huwelijk overleden was. Met zijn derde vrouw Elisabeth Salaert, trad hij in 1452 in het huwelijk. Zij was de dochter van Louis Salaert, hoogbaljuw van Dendermonde en nadien van Gent, en bij haar man had ze twee kinderen: Jan, religieus en Catherina die op 13 april 1472 in het huwelijk trad met ridder Jan Peeters. Voor deze gegevens baseerde de schrijver zich op de Van der Lindens (Lindanus, o.c.) geschiedenis van Dendermonde.
De genealogie gaat verder met de oudste zoon Hendrick van Eyck, die huwde met Barbara Volxhem, de dochter van de Brusselse schepen (1452) Paul en Elisabeth Daneels. Samen hadden ze zeven kinderen: Hendrick die overleed voor 24 september 1490, Jan (zie verder), Hendrick, William, Gilles, Antoine, Charles-Antoon die huwde met Jans dochter Marie, en Marguerite die in het huwelijk tras met Antoine Mennes.
Hun tweede zoon Jan (+ 9-9-1536) werd algemeen ontvanger van Brabant, vervolgens raadsheer en rekenmeester op 26 augustus 1505, rentmeester van de Koninklijke wegen (1509), opzichter van de officiers van justitie (1512) en rentmeester van de water- en landwegen (1526). Hij trouwde de eerste maal met Elisabeth Stoop, dochter van Hendrick Stoop-Raveschotz, raadsheer van de Raad van Brabant. Hij hertrouwde met Barbara van Ofhuys (overleden tussen 24-3-1543 en 30-12-1550), dochter van Gabriël en Barbara van Ghinderhove. Bij zijn eerste vrouw had hij zes kinderen: Corneille, Jean, Jacques, Maximiliaan, Elisabeth (die huwde met ridder Willem Tourneur, Amman van Brussel, en samen een dochter hadden Ida die huwde met Adrien de Grave) en Jeanne, die nog in 1516 minderjarig (= geen 25 jaar) was.
Hendrick kreeg bij zijn tweede vrouw nog zeven kinderen: Thierry, kanunnik aan de St.-Pieterskerk te Leuven; Joos, Jacques kanunnik van de St.-Gertrudeabdij te Leuven; François die in het huwelijk trad met Catherine Gromoli; Gertrude, non in het klooster te Bleijenberg; Marie priorin te Klein Bijgaarde en Catherina (+ 1656) gehuwd met Adrien van der Noot (+ Diest, Recollettenkerk, 1668), heer van Resegem.
Voor verdere afstamming verwijzen we naar de bijlage met de stamboom[v] van de familie van Eyck.
Folio met gedenkschrift en kwartierstaat van Jan van Eyck, Brussel, Koninklijke Bibliotheek, hs. G 1655, f° 62v°.
In vergelijking met de reeds gevonden gegevens vertoont deze genealogie in grote lijnen dezelfde gegevens, waardoor we de authenticiteit van deze stamboom aanvaarden.
Uit hoger vermelde gegevens blijkt dat de familie van Hendrick van Eyck het graafschap Loon verlaten heeft om zich te vestigen te Brussel. In deze stad weet ze op te klimmen tot het hoge patriciaat en heeft ze familiale banden met het hertogelijk hof.
Daar in de genealogie van De la Chenaye-Desbois (1773) van de familie van Hendrick van Eyck geen verwijzing gevonden werd naar de schilders Jan en Hubert, zullen we verder de familiale banden onderzoeken aan de hand van de heraldieke en bekende gegevens.
De Koninklijke Bibliotheek te Brussel bewaart een manuscript[75], dat waarschijnlijk door een medewerker van Cornelius Gaillard (+ 1563) werd geschreven. Cornelius Gaillaert, de wapenkoning van Karel V, had in opdracht van de keizer een belangrijk epitafier samengesteld dat voltooid was in 1562, maar dat alleen bekend is door kopieën met aanvullingen door Jacques de Damhoudere (1603), en door latere bewerkingen[76]. In het hoger vermelde document dat een voorstudie blijkt te zijn voor het werk van Gaillaert, lezen we:
Contre[77] ung pillier a costes destre dessou les orges pres des
fonds est une lame de cuivre ou est cest espitaphe
Hic[78] iacet eximia clarus virtute Ionnes
In quo picturae gratia mira[79] fuit
Spirantes formas & humum florentibus herbes
Pinxit ad vivum quodlibet[80] egit opus
Quippe illi Fidias & cedere[81] debet Apelles
Arte illi[82] inferior et Polycretis[83] erat
Crudelis igitur[84] crudelis dicite parcas
Quae talem nobis eripuere virum
At cum[85] sit lachrimis incommutabile fatum
Vivat ut incoelis qui legis[86] ora proecor.
Epitaphium exellentissimi pictore Johannes cuius et opus excellens tabula Gandensis”[87]
Daaronder zien we een schetsmatige tekening van vier wapenschilden. De heraldische kleuren van de schilden zijn verkort weergegeven: a is blijkbaar azu(u)r (blauw); met ar wordt blijkbaar argent (zilver) bedoeld; or is uiteraard goud; z is gueles (keel of rood); j staat voor jaune (geel) en voor goud; n van noir voor sable (zwart), de blanc sans e(s)tre d(‘)argent is wit zonder zilver te zijn. Het derde wapen, dat niet voorzien is van deze letters, heeft waarschijnlijk dezelfde kleuren als het tweede. Hetzelfde blijkt te gelden voor het vrijkwartier van het tweede ten opzichte van het eerste.
We mogen deze blazoenen als volgt beschrijven:
1) In goud, drie blauwe molenijzers, waarvan twee boveneen;
2) In goud, een rood slangenkoppenkruis met vrijkwartier (vermoedelijk) in goud en drie blauwe molenijzers;
3) (vermoedelijk) in goud, een rood slangenkoppenkruis
4) In blauw, drie zilveren schildjes waarvan het eerste van de bovenste twee van een gouden schildhoek is voorzien.
Kwartierstaat Van Jan van Eyck, Brussel, Kon. Bib., s. G 1655, f° 62v° (detail)
We mogen aanvaarden dat de schilden opgetekend zijn in de volgorde waarop zij in de realiteit voorkwamen op de epitaaf, m.a.w. de twee blazoenen langs de rechterzijde zijn die van Jans vaderlijke grootouders (1 vader van de vader & 2 moeder van de vader), terwijl deze heraldisch links van zijn moederlijke grootouders zijn (3 vader van de moeder & 4 moeder van de moeder).
Wapenschild: Abdij van postel
Na een reeks publicaties over de schilders Hubert en Jan van Eyck - vanaf 1982 - hebben we reeds in 1985 een uitvoerig onderzoek gedaan naar de herkomst van de familie van Eyck op basis van heraldische gegevens. Deze publicatie, die gering bekend blijkt te zijn, blijkt nog steeds zeer actueel te zijn, waardoor deze thans de basis vormt voor dit onderzoek naar de familiale banden van deze kunstenaars met Hendrick van Eyck: “ Hoewel de naam van Eyck verwijst naar het graafschap Loon komt een wapen met molenijzers – zoals dit van Jan en Huberts vader – in die periode niet voor in het toenmalige Limburg. Het voeren van een wapen met drie molenijzers is voornamelijk Brabants en wordt vanouds beschouwd als het wapen van het graafschap Taxandrië. Dit blazoen vindt haar oorsprong in het privilege van het molenrecht of mogelijk ook in het stapelrecht van graan en andere producten. Onder de oudste bekende geslachten die het wapen met de drie molenijzers voerden, dient in de eerste plaats de familie De Roover vermeld te worden. Voor de herkomst van de grootvader van Eyck vestigen we er de aandacht op dat Willem de Roover in 1266 zijn rechten op de molen van Someren aan de priorij van Postel schonk. Zijn kleinzoon, Henricus van Satenbosch, werd in 1354 overste in Postel, waar hij in 1359 overleed. Opvallend is dat hij in zijn wapen dezelfde emails voerde als dat van de van Eycks. Het lijkt voor de hand te liggen dat de priorij haar eerste wapenschild, in zilver drie zwarte molenijzers, overgenomen heeft van haar weldoeners, mits wijzigingen van kleuren. We weten bovendien dat in de 15de eeuw de priorij van Postel bestuurd werd door vijf priors die de naam van Eyck droegen (Joannes: 1413; Lucas: 1434; Thomas: 1452; Gerardus: 1460; Henricus: 1475; Lucas en Gerardus waren daarenboven abt in Floreffe). We mogen de geboortedatum van de grootouders van Hubert en Jan in het eerste kwart van de veertiende eeuw plaatsen. In die periode was het voeren van blazoenen nog relatief beperkt en naamveranderingen kwamen nog zeer veel voor. Meestal nam men het wapen – in licht gewijzigde vorm – over van de plaats waar men woonde, die op haar beurt het blazoen ontleende aan de plaatselijke heer. In dit geval wijst het er sterk op dat de familie van Eyck haar wapen aan de priorij van Postel ontleende.
Het tweede en derde blazoen, nl. dat van Jan van Eyck’s vaders moeder en moeders vader, vertonen in de kwartierstaat een slangenkoppenkruis, wat typisch is voor enkele Limburgse families en tevens voorkomt in het blazoen van het Limburgs stadje Sittard. De families Bex, Teymerstock en Smeyers voerden in hun wapens dezelfde kleuren als in het handschrift aangeduid. Opvallend daarbij is dat de belangrijke familie Bex herhaaldelijk aangetroffen wordt in Maaseik. Een familieschild zoals dat van het tweede wapen hebben we niet kunnen terugvinden en wijst erop dat de grootmoeder een eigen wapen voerde, bestaande uit een combinatie van dat van haar familie en dat van haar man. Het vierde blazoen roept onmiddellijk dat van het Sint-Lucas- of schildersgild op, dat dikwijls met kleine toevoeging door individuele schilders werd overgenomen. Het gouden schildhoekje moet dan ook geïnterpreteerd worden als een persoonlijk teken. Dit wapen zou in tegenstelling met de andere een ambachtelijk blazoen kunnen zijn. Alles wijst erop dat de grootmoeder van Hubert en Jan, langs moeders zijde, zoals hun zuster een schilderes was..., wat er mogelijks kan op wijzen dat de stielkennis van de gebroeders van Eyck werd overgedragen langs de grootmoeder van moederszijde.”[88].
Uit dit onderzoek blijkt dat de familie van de schilders familiale banden had met Taxandrië, doch met wat de heraldiek ons kan aanbrengen, dienen wij zeer omzichtig te zijn. Gelijknamige families dragen dikwijls geheel verschillende wapens en dat komt met veel namen voor. De wapens met slangenkruisen verwijzen naar Limburg, waar volgens de oudste tradities de schilders het levenslicht zagen en meer bepaald te Maaseik.
Gebaseerd op de heraldische gegevens kunnen we geen bloedverwantschap tussen Hendrick en Jan van Eyck aantonen. Een element waarmee we hier rekening moeten houden, zijn de persoonlijke wapens en tevens het feit dat door een verandering (vb. een vestiging in een ander gebied) een familie nieuwe wapens kan aannemen.
Om de familiale banden te kunnen vaststellen moeten we thans trachten de herkomst van de schildersfamilie en hun (voor)ouders te achterhalen.
Over de ouders van Jan en Hubert is reeds heel wat inkt gevloeid. Goetghebuer is de eerste die gebaseerd op de 19de eeuwse falsificaties de ouders indentificeerd met Joes van Eyck en Margriet,die het levenslicht zagen te Gent[89]. Crowe en Cavalcaselle wisten te vermelden dat deze ouders geregistreerd waren in het Gentse schildersgild in 1391 en dat de moeder van de schilders Magriet Van de Huutfanghe noemde[90]. Deze genealogie werd aangevuld met een aantal schilders genaamd van Eyck die men aantreft in het Gents gildeboek van de schilders[91]. In het begin van de 19de eeuw heeft men de originele katernen van dt gildeboek tot aan de Carolingische Consessie verwijderd en nieuwe bladen ingevoegd waarop een volledig nieuw schildersboek werd geschreven[92]. Inmiddels zijn deze falcificaties achterhaald, maar daar dit vals gildeboek in de loop van de 19de eeuw verschillende malen gepubliceerd werd[93], bemerken we de invloed ervan tot op vandaag.
Hubert en Jans vader werd -gebaseerd op originele documenten- door Panofsky Willem van Eyck genoemd[94]. Hij baseert zich hiervoor op de aankoop van een lijfrente te Brussel door Jan en Margaretha van Eyck, Willems kinderen. Uit een lofdicht opgedragen aan het Lam Gods door Lucas de Heere (1565) weten we dat Hubert een zuster had, die samen met deze schilder begraven werd voor het Lam Godsretabel in de Vytkapel (Gent, Sint-Baafskathedraal)[95]. Marcus van Vaernewijck (1574) – gevolgd door alle historici nadien - noemt deze zuster en schilderes Margaretha van Eyck[96]. De identificatie met de schilders Jan en Margaretha kan gemakkelijk weerlegd worden, daar deze homoniemen nog leefden in 1493 toen de schilders reeds lang overleden waren[97]. Goris, die de wieg van de schildersfamilie in Arendonk plaatst, vereenzelvigt Margaretha Van der Moelen, wiens neef –de zoon van Jan - een rente kocht voor zijn tante, met de in Gent overleden schilderes[98]. Reeds in 1984 hebben we aangetoond dat op hetzelfde blad van de inning van de stedelijke successierechten van Hubert van Eyck ook deze van een Elisabeth van Eyck opgetekend werden. Dit wijst er op dat de erfgenamen van Hubert, maar ook deze van Elisabeth niet woonachtig waren te Gent. Daar volgens overlevering de zuster van Hubert kort voordien of ongeveer gelijktijdig begraven werd met haar broer[99] doet dit ons vermoeden dat deze schilderes niet Margaretha, maar eerder Elisabeth noemde. Mogelijks verwarde men haar naam met deze van Margaretha, de vrouw van Jan van Eyck[100].
Uitgaande van de gevonden documenten van Weale (o.c.) verfijnde Cels[101] het betoog en wees op het bestaan van een valkeniersfamilie van Eyck te Arendonk. De geportretteerde van het hoger vermeld getekend portret van een valkenier wilde hij identificeren met de vader van Jan en Hubert, omdat het zeer goed mogelijk was dat deze ouder het beroep van valkenier uitoefende daar hij in deze gekende valkeniersgemeente woonde. Hoewel geen enkel document dit gegeven staaft, hebben we reeds opgemerkt dat het wapenschild van de schildersfamilie verwijst naar Taxandrië. Indien het waar is dat de vader een valkenier was, moet hij een lid gewest zijn van één van de belangrijkste families in de streek. In dit geval blijkt de stelling van Goris die meent dat ““ Het is niet ten onrechte dat Kempenland het land der van Eyck’s werd geheten. Aan Eyck (= Bergeijk) hadden ten tijde van Jan van Eyck reeds meerdere voorname geslachten hun familienaam te danken, o.m. Hendrick Boefaes van Eyck”[102]. De vermelding ten tijde van is wel zeer ruim genomen daar Jan omstreeks 1390 het levenslicht zag en Henrik Boefaes omstreeks 1260, meer dan een eeuw vroeger, geboren werd. Hendrick Boefaes familienaam wordt trouwens ook niet vermeld als van Eyck, maar hij was een lid van de nobele familie van Eyckelberg. Het is pas na 1370 dat de naamsverkorting van Eyckelberg tot van Eyck aangetroffen wordt. Toch willen we dit gegeven niet zomaar verwerpen en de mogelijkheid onderzoeken of de edele familie van Hendrick Boefaes van Eyckelberg geen familie is van de schilders en/of Hendrick van Eyck, hoogbaljuw van Dendermonde.
Hendrick Boefaes behoorde tot de edele familie, die kort voor 1300 de latere gemeente Eyckelberg/ Bergeijk gesticht had. De “ parochia de Eykelberge” wordt voor de eerste maal vermeld in 1283[103]. In 1296 had Gerard van Eyckelberg, genaamd van Hove en de Benedictijnenabdij van St.-Jacobs te Luik het patronaats- of collatierecht. We mogen dan ook aanvaarden dat Gerard van Eyck de stichter was van de parochie Eyckelberg/Bergeijk[104]. Dit recht werd door zijn zoon Hendrick genaamd Boefaes van Eyckelberg in 1305 verkocht aan Joannes Ghemert, die het in 1310 schonk aan de abdij van Tongerlo. In een notariële akte van 2 december 1305 wordt Jan de broer van Hendrick Boefaes vermeld als priester[105]. Deze Jan zal later pastoor worden van Bergeijk. Een familielid van Hendrick Boefaes en Jan blijkt Domicella Aleydis uit het geslacht Eyckelberg te zijn, die in 1299 het Maria-altaar stichtte in de kerk van Bergeijk[106]. Een andere broer van Hendrick Boefaes en Jan was Lucas d’Eyck. Hij was de 34ste abt van de abdij van Floreffe en werd daar de eerste gemijterde abt[107]. Barbier schreef: “ Les armoires de cet abbé sont dessines à la plume sur une page manuscrit de la chronique rimée, elle portent: d’ argent à trois pals retraits de sable[108]”. Opvallend is dat ook Waulter, de oom Hendrick, de hoogbaljuw van Dendermonde, alsook Jan van Eyck, de kleinzoon van de jagermeester dit wapen droeg. We mogen dus aanvaarden dat dit het familiewapen was van de van (der) Eyck(elberg). Dit wijst er tevens op dat de familie van Hendrick van Eyck en de stichters van Eyckelberg/Bergeijk gesproten zijn uit dezelfde familie[109]. Dit had ook reeds Rietstap vastgesteld die opmerkt: “Men houdt het dorp, oudtijds Eyck genaamd (zoals het onder anderen nog ten jaren 1466 voorkomt) doch thans onder de naam van Bergeijk bekend, voor het stamhuis van het oud-adellijk geslacht van Eyck, hetwelk zich alom zeer verbreid en zeer vele adellijke sloten en notabele goederen, ook Neunen, Gerwen, Op- en Nederwetten in pandschap als enen heerlijkheid bezeten heeft. Het heeft leden in de Illustere Broederschap, als ook schepenen aan de hoofdstad in de XVe en XVIe eeuwen geleverd: In zilver drie verkorte zwarte palen boven in ’t schild.”[110]. August Van Sasse voegt hier nog aan toe: “De oorspronkelijke herkomst van de van Eyckelbergs en van de van Eycks blijft voor iedereen onduidelijk. Het waren groot grondbezitters in: Bergeijk, Waalre, Bladel, Eersel, Duizel, Lommel en Mechelen. Men vindt ze reeds op het einde van de XII eeuw in de omstreken van Leuven en Keulen en veelvuldig in het bisdom Luik”[111]. De hoger vermelde stelling van Goris die meent dat het Kempenland aan de oorsprong ligt van heel wat families, blijkt meer dan voorbarig te zijn. Panken en Sassa van Ysselt (o.c.) hebben tijdens hun onderzoek vastgesteld dat voor 1290 geen enkele voorname familie voorkomt in de streek rond Arendonk die de naam van Eyck draagt. Aan de hand van het wapenschild van Hendrick van Eyck blijkt dat de oorsprong van deze edele familie moet gezocht worden in het oude Land van Loon. Toch blijft de vraag hoe deze nobele familie terecht kwam in Taxandrië en wat hun relatie is met de schildersfamilie?
Op het eerste deel van de vraag kan eventueel een antwoord gevonden worden in de persoon van Willen van Eyck. Deze Predikheer ging op 12 september 1243 samen met zijn prior van Leuven naar Antwerpen om er een klooster op te richten, waar hij op 24 februari aangesteld werd als eerste prior[112]. In 1248 werd Willem van Eyck belast met de uitvoering van de fundatie van het dekenaat en de scholasterij in de St.-Odakerk te Rode van hertog Hendrick III van Brabant[113]. Deze hertog werd in 1261 begraven in de Predikherenkerk te Leuven. Zijn dochter Maria, weduwe van keizer Otto IV en daarna van Willem IV van Holland, benoemde Willem van Eyck in 1259 tot mede-uitvoerder van de oprichting van de abdij Binderen te Helmond[114]. Onder de electus van Luik Hendrick van Gelder werd Willem van Eyck visitator van het aartsdiakenaat Kempenland[115]. Onder dezelfde eclectus schonk Petrus van Eijke (Eijkelberg), een priester uit het Luikse diocees in juni 1248 de tiende van Berrect (= Bergeijk)aan het klooster te Postel, als een aalmoes ter kwijtschelding van zijn zonden en deze van zijn ouders[116]. Deze Petrus van Eyck moet in die periode in relatie gestaan hebben met Jacobus Pantaleon de Trècis, aartsdiaken van Kempenland, de latere paus Urbanus IV.
Bergeik blijkt dus reeds voor de stichter van het dekenaat Gerard van Eyck in het bezit te zijn van de familie. Uit deze oorkonde blijkt dat de naam Bergeik geen metamorfose is van Eyckelberg, maar een samensmelting van de oude naam Berrect met deze van de bezitters, die in de loop der 14de eeuw afgekort werd tot van Eyck. Het is tegen deze optiek dat we de vestiging van de nobele familie van Eyck naar Taxandrië moeten plaatsen.
Dit brengt ons direct naar de volgende vraag, nl. in welke mate zijn de schilders Jan en Hubert verwant met de nobele familie van Eyck(elberg) en in die mate dan ook met Hendrick van Eyck, hoogbaljuw van Dendermode.
Noch op heraldisch gebied, noch op genealogisch vlak konden we enige verwantschap vinden tussen de schildersfamilie en de nobele tak van der Eyck(elberg). We moeten wel rekening houden met de mogelijkheid dat de grootvader van de kunstenaars een eigen familiewapen invoerde. Nochtans uit alles blijkt dat de herkomst van de schildersfamilie te zoeken valt in Taxandrië en haar naam heeft ontleend aan het plaatsje Eyck(elberg). Blijkbaar stond deze kunstenaarsfamilie in relatie met de abdij te Postel.
Daar er voor 1300 geen enkele belangrijke familie van Eyck aangetroffen wordt in de Taxandrië wijst alles er op dat de schildersfamilie de naam van hun herkomst, nl. het plaatsje Eyck (Eyckelberg), aannamen.
In deze optiek publiceerde vroeger reeds Goris (o.c.) een belangrijke stelling.
In een akte van 18 april 1474 wordt vermeld dat Rutcher van Eyck het maalrecht van de molen van Arendonk, dat eigendom was van de abdij van Postel, verkocht aan Jan Tsvoechs alias de molder[117]. We weten – gebaseerd op de heraldische gegevens – dat de schildersfamilie in verband moet gebracht worden met maalrecht. Goris neemt aan dat de familie Van der Moelen (de naam verwijst naar maalrecht) op het einde van de 14de eeuw haar naam veranderde in van Eyck, ontleend aan de parochie Eyckelberg, die in die periode herhaaldelijk vermeld werd als Eyck.
Een bevestiging hiervan ziet hij in de vermelding van een document van 1358, waarin vermeld wordt dat het lepelrecht (= maalloon van één lepel van elke sister graan) van de hoger vermelde molen in het bezit was van de familie Van der Moelen.
Ter staving haalt Goris twee documenten aan van een goed waaruit deze naamsverwisseling zou blijken. Als Goris een akte vindt waarin de eigendom van” Everaert Van der Moelen opte Reghenbrake (te Arendonk)” uit 1368 in 1665 toebehoort aan “Jan van Eyck: een stuck van de quaede braecke ende wampebeend; Peter Van Eyck: de quaede braeck oogst de Wamp; Philippe en Margriet Van Eyck: de quade braecke, oogst de Wamp, groot 87 roeyen”, dan is hij van mening dat de naam van de familie Van der Moelen haar naam veranderde tot van Eyck, de plaats waar deze familie woonachtig was.
Als dezelfde auteur een document van 22 februari 1438 aantreft, waarin de namen Heyne, Magriet, Jan, Katheryn, Els, Lysbet, Everaet en Peter Van der Moelen vermeld worden, wil hij de leden van dit gezin identificeren met de schilders en de valkenier. Een bevestiging vindt hij in het feit dat Jan van der Moelen huwde met Magriet van Wuflet of Wyflet, die volgens hem afkomstig was uit Maaseik[118] en daarna blijkt geboren te zijn uit de familie van Jan II, hertog van Brabant[119]. Nadien haalt Goris[120] aan dat deze Magriet Wyflet een dorpsgenoot was van Petrus Christus, die herkomstig is uit Baarle-Hertog/Nassau, en die net zoals Jan van Eyck dezelfde opvoeding zou genoten hebben aan de priorij van Korsendonk.
Hendrickx noemde Goris een fantast en weerlegde de stelling dat Margriet van Wulflet of Wyflet afkomstig was uit Wurfuld bij Maaseik en dat zij de vrouw van de schilder Jan van Eyck was[121]. Hendrickx werd hierin gevolgd door Eyckelberg en Poplemont[122], die daarnaast ook de naamsverandering weerleggen: “Dat een plaatsnaam (van Eyck) als familienaam in een geslacht, na twee eeuwen weer zou opduiken nadat dit geslacht onder een beroepsnaam (van der Moelen) bekend stond, is hoogst onwaarschijnlijk. De normale evolutie in het naamgebruik is precies andersom”.
Dit was het begin van een strijd tussen de aanhangers die de herkomst van de schildersfamilie wilden plaatsen te Maaseik en deze die stellig overtuigd zijn dat Arendonk het geboortedorp is van Jan van Eyck. Een strijd die thans nog hevig verder woedt en waarbij zelfs het grote publiek bij betrokken wordt[123].
De hogere bewering dat het ongebruikelijk was dat IN DE LOOP van die periode er geen naamsverandering werd doorgevoerd, waarbij als nieuwe familienaam gekozen werd voor de plaats van herkomst, is totaal in tegenstrijd met de hoger vermelde gegevens. Dergelijke naamverandering stelden we ook vast bij kunstenaars. Tijdens zijn vestiging te Gent veranderde de schilder Pieter Poele omstreeks 1370 zijn familienaam in van Beervelde, de plaats waarvan deze kunstenaar herkomstig was[124]. Het feit dat we de naam van Eyck niet aantreffen in Taxandrië verwijst hoogstwaarschijnlijk naar een naamsverandering.
Wapenschild van der Moelen
De identificatie van Goris met de hoger vermelde familieleden Van der Moelen met de schilders kan gemakkelijk weerlegd worden, daar Lysbeth/Margriet in 1438 reeds lang overleden was. In het Ancien Regime was het wel gebruikelijk dat in verschillende takken van eenzelfde familie dezelfde voornamen voorkomen. In die optiek is het zeer goed mogelijk dat de schilders leden zijn van een tak van de molenaarsfamilie van der Moelen, die hun naam in de tweede helft van de 14de eeuw veranderde.
Bij nader onderzoek blijkt dat het goed Reghenbrake te Arendonk in 1665 grotendeels verkaveld was en dus in het bezit was van verschillende eigenaars.
De meeste van deze eigenaars dragen de familie van Eyck of zijn verwant aan deze familie[125]. Dit wijst niet op een verkaveling van een uitgestorven familie, maar op een verdeling binnen eenzelfde familie door bvb. erfenis. Geen enkel argument geeft een doorslag waaruit zou blijken dat het niet houdbaar zou zijn dat de familie van der Moelen geen naamverandering zouden doorgevoerd hebben. Daar we in de loop der tijden geen enkel document van een familie van Eyck in Maaseik met zekerheid in verband hebben kunnen brengen met de voorouders van de schilders, lijkt hier een onderzoek niet overbodig. Om dit probleem op te lossen grijpen we ook hier terug naar de heraldiek. Hieruit blijkt dat de Brabantse familie van der moelen als wapen droeg: in goud, drie blauwe molenijzers, waarvan twee boveneen[126], dat tevens het familiewapen van Jan van Eyck is. Dit wil zeggen dat de familie van de gebroeders van Eyck oorspronkelijk Van der Moelen noemde en dat de herkomst van deze familie niet moet gezocht worden in het oude graafschap Loon, maar in Taxandrië. Daar het hier gaat om twee verschillende families kunnen we dan ook onmogelijk enige familiale banden aanwijzen tussen Hendrik, de hoogbaljuw van Dendermonde en Jan van Eyck, hofschilder van Philips de Goede.
Het getekend portret van de man met de sperwer, Hendrick van Eyck ?
Het Städelsches Kunstinstitut en Städtische Galerie te Frankfurt am Main[127] bewaart een zilverstifttekening dat bekend is als het “Portret van een man met een valk”, en dat onlangs nog werd beschreven als één van de markantste werken van de Vlaamse primitieven, een ijkpunt van de Oud-Nederlandse kunst[128].
De man in driekwart buste afgebeeld met een grote vilten hoed en een met bont afgezette mantel. Op zijn llinkerhand zit een vogel met op de kop een huif. Het is een kort afgesneden huif als bij de vogel op het portret van Engelbert van Nassau (Amsterdam, Rijksmuseum)[129] van de Meester van de Vorstenportretten, maar in plaats van de aan de achterzijde van de huif bevestigde leren veter zien we hier aan de achterzijde een soort strik, een sluiting. Dit soort huif lijkt een kort model dat gemakkelijk kan worden afgeschud en daarom veronderstelt de Chamerlat [130]dat ze voor de hedendaagse valkenier weinig bruikbaar is. Dit model staat zeer dicht bij het Arabische model, hoewel in onze gewesten de meest gangbare het indisch model met een Hollandse sluiting is.
In zijn rechterhand heeft hij een fristfrast vast, waarmee hij de vogel aanraakt. Volgens Cels (o.c.) is dit een instrument om het dier te dresseren en was dit het werk van professionele valkeniers. Deze staf kan in dit verband geïnterpreteerd worden als een attribuut van het beroep dat deze valkenier uitoefende[131].
“De man met de valk” (Frankfurt am Main, Städelsches Kunstinstitut und Städtische Galerie, Graphische Sammlung)
Dhr. De Mits deelde ons mee dat een fristfrast enkel dient om het dier rustig te houden. Men kan evengoed een pluim gebruiken. Volgens Jansen stond de vogeldressuur als symbool voor het huwelijk. In dit geval mogen we aanvaarden dat bij dit portret een vrouwelijk pendant behoorde en dat de boeken op de plank verwijzen naar een geleerd persoon[132].
Achter hen zien we een nis met twee planken, waarop talrijke objecten en boeken liggen. Volgens Goris (o.c.) gaat het hier om een valkenierslokaal, waar men vogels brengt voor de africhting en ook voor het rusten van de vogels.
Reeds hoger hebben we vermeld dat door het Eyckiaans karakter van deze tekening, die Crowe en Cavalcaselle[133] reeds hadden opgemerkt, Weale (o.c.) in 1908 deze jagermeester, getooid met rijkelijke kledij, in verband bracht met Hendrick van Eyck. In de jaren ‘30 sloot Winkler[134] zich aan bij de 19de - begin 20ste eeuwse toeschrijvingen aan Van der Weyden[135] en beschouwde de tekening als een kopie naar een verloren geraakt werk van Rogier. Micheline Comblen-Sonkes merkte op dat dit portret afwijkt van de stijl van Van der Weyden, die zijn geportretteerden laat poseren voor een neutrale achtergrond, die kleine voorwerpen vasthouden of in gebed worden afgebeeld[136].
Volgens Friedländer [137] benaderde de kwaliteit van deze tekening het getekend portret van kardinaal Albergati (Dresden, Staatliche Kunstsammlungen Kupferstich Kabinett) van Jan van Eyck, waardoor hij deze tekening toeschreef aan deze grootmeester. Deze stelling kende een grote aanhang[138] tot Charles de Tolnay[139] dit auteurschap in vraag stelde. Beenken[140] en Baldass[141] beschouwden deze tekening als een post-Eyckiaans werk die duidelijk een invloed vertoont van Petrus Chrisrus “Portret van Edward Grymeston” (Londen, National Gallery in bruikleen van de Earl of Verulam, Gorhambury). Panofsky vermelde een verwantschap met Petrus Christus, die zijn portretten tegen de hoek van een kamer plaatste[142]. Met enig voorbehoud scheven Benisch[143], Rowlands[144] en Sonkes (o.c.) dit portret van een jagermeester toe aan Petrus Christus. Het waren Ainsworth en Martens die deze tekening in vergelijking met het hoger vermeld portret van Edward Grymeston, het Portret van een kartuizer (New York, Metropolitan Museum of Art), en de Heilige Eligius (New York, The Metropolitan Museum of Art, New York, Robert Lehman Collection) toeschreven aan Petrus Christus.·. De afwijkingen ten opzichte van Christus’ stijl verklaren Ainsworth en Martens door het feit dat deze tekening een voorstudie was van een geschilderd portret, waarbij het hoofd gedetailleerd is weergegeven en het overige schetsmatig werd getekend.
Wij kunnen deze toeschrijving aan Petrus Christus niet bijtreden. De verhoudingen van hoofd, lichaam en hand staan veel dichter bij van Eyck, dan bij Petrus Christus. Het Eyckiaanse gelaat staat ver van Petrus’ ronde koppen. De beenderige handen zijn totaal afwijkend van de beenderloze ledematen. In vergelijking met Petrus Christus’ getekend “Portret van een jonge vrouw” (Rotterdam, Museum Boymans-van Beuningen), bemerken we een totaal andere techniek, waarbij de fijne overdachte strepen plaats moeten maken voor schetsmatige trekken. De donkere vrouwen ogen met doorschijnende pupillen veranderen bij de jagermeester in lichtbadende zintuigen met donkere kijkers. De typisch verkleinde, geïdealiseerde mond van Petrus Christus wordt in het mannenportret vervangen door brede lange lippen en de met gekruiste lijnen weergegeven schaduwen naast de vrouw moesten bij het mannenportret plaats maken voor zware parallelle lijnen. Petrus Christus’ vrouwenportret vertoont door de hardere schaduwwerking een grotere plasticiteit dan de licht schuinbelichte man. We kunnen dan ook de toeschrijving aan Petrus Christus niet bijtreden. De kunstenaar van het getekende portret van een jagermeester is – ondanks de invloeden- geen navolger van Petrus Christus, maar een artiest die te plaatsen valt tussen Jan van Eyck en Petrus Christus en die uitermate vertrouwd is met hun kunst. Door de invloed van Christus’ Portret van Edward Grymston (1446), een kartuizer en De goudsmederij van de heilige Eligius (1449) mogen we dit getekende portret van een jagermeester dateren in het derde kwart van de 15de eeuw.
Reeds omstreeks 1918 was de relatie tussen dit mannenportret en het getekende portret van Jacoba van Beieren uit hetzelfde museum opgevallen. Deze opsteller van de catalogus van tekeningen in dit museum schreef beide tekeningen aan eenzelfde hand toe[145].
Portret van Jacoba van Beieren (Frankfurt am Main, Städelsches Kunstinstitut und Städtische Galerie, Graphische Sammlung
Winkler (o.c.) trad deze stelling bij, maar Sonkes (o.c.) verwierp deze toeschrijving. Volgens haar is de tekening van de jagermeester “d’une qualité supérieure quant au rendu des volumes et des différentes matières”. Nog steeds wordt duidelijk aangehaald dat de techniek en van beide portretten zeer dicht bij elkaar staan. Zeman[146] sluit zich aan bij Winkler (o.c.) wat de samenhang tussen deze twee getekende portretten betreft, maar hij meent dat ze niet vervaardigd werden door dezelfde auteur. Verder meent hij dat “Het Portret van een voorname heer met jachtvalk” het werk is van een meester, waarschijnlijk van Petrus Christus, terwijl de Jacoba het werk is van een onzekere, misschien nog zeer jonge hand die zich aan het oefenen is. Haar onervarenheid treedt duidelijk aan het licht bij de ogen, de hals en de sluiter. De verwantschap met het Portret van een voorname heer met jachtvalk ligt in de compacte parallelarceringen en in de vorm van de handen. De kunstenaar van het Jacoba heeft daarbovenop enkele speciale tekentechnieken uitgeprobeerd. Het haarnet heeft hij met een scherpe stift uit de grondlaag gekrast, als een vorm van indirect tekenen. De relatieve hardheid ten opzichte van het Portret van een voorname heer en de betrekkelijk grove kruisarceringen onder de handen wijzen op een datering in de jaren 1450-60.”. Bij de bespreking van de sperwernier vermeldt hij “Deze valkeniers is waarschijnlijk de enige tekening van Petrus Christus die tot ons is gekomen. Voor Ainsworth (en Martens)(o.c.) zijn nog drie andere bladen…, eigenhandige werken van Petrus Christus. Ons komt het eerder voor dat ze het werk zijn van drie verschillende handen uit de omgeving van de Brugse meester (= Petrus Christus)”. Het is inderdaad moeilijk om deze tekeningen aan eenzelfde hand toe te schrijven. Bij deze tekeningen behoort tevens het hoger vermeld Portret van een jonge vrouw (Rotterdam, Boymans van Beuningen), die door alle andere auteurs unaniem beschouwd wordt als de enige tekening, die op basis van stijl, techniek en opbouw, met zekerheid aan Petrus Christus kan worden toegekend. Daar de tekening van de jagermeester duidelijk verschillend is aan het getekend vrouwenportret, kan men eerder besluiten dat Petrus Christus (als auteur van het Portret van een jonge vrouw) niet de kunstenaar is van het Portret van de man met de sperwer.
Portret van een ridder van de orde van St.-Antonius” (Berlijn, Staatliche Museen)
De getekende portretten van de jagermeester en Jacoba vertonen een gelijkaardige techniek: de opbouw met zeer lange parallelle lijnen, dezelfde Eyckiaanse proporties, de lancetvormige ogen met zwarte pupillen, de licht schuine belichting en vooral de lang uitgerekte beenderige hand met hoekige vingers. Dit laatste is bijna als een handtekening voor deze kunstenaar. Het verschil tussen beide tekeningen is dat deze van de jagermeester zeer los en vrij is weergegeven, en deze van Jacoba van Beieren zeer nauwgezet. De opbouw van het mannenportret vertoont alle kenmerken van een tekening naar levend model, waardoor een kunstenaar veel vrijer te werk gaat en dit verklaart dan ook de reden waarom er veel meer aandacht besteed werd aan het gezicht[147]. Het Jocabaportret vertoont alle kenmerken van een nauwgezette kopie, waarbij de kunstenaar alles nauwgezet tot in de details moet weergeven. Dit portret van de vorstin wordt thans algemeen beschouwd als een getekende kopie naar het geschilderde portret van Jacoba van Beieren door Lambert van Eyck, broer van Jan en Hubert, een werk dat zich in het begin van de 17de eeuw in het kasteel te Heverlee nabij Leuven bevond[148]. Het archetype van dit portret is terug te voeren tot Jan van Eyck. Stilistisch vertoont het een nauwe verwantschap met dat van Margaretha van Eyck (Brugge, Groenenge), Jans echtgenote.
Kunnen wij aan deze kunstenaar nog ander werk toeschrijven[149]?
In 1984 hadden we het “Portret van een ridder van de orde van St.-Antonius” (Berlijn, Staatliche Museen) niet langer meer als een werk van Hubert of Jan van Eyck[150] beschouwd, maar als een post-Eyckiaans werk. Zoals de jagermeester draagt hij een grote bonten hoed en een jas afgeboord met bont. Opvallend is hier terug de lichte schuine belichting en de grote aandacht voor de attributen, de Eyckiaanse verhouding, de lancetvormige ogen met donkere pupillen en vooral de lang uitgerekte beenderige handen, het kenmerk van onze kunstenaar. De man draagt rond zijn hals een ketting met een Tau, het St-Antoniuskruis, en een bel. Hij behoorde tot de St.-Antoniusorde. Volgens de voorschriften moesten deze attributen voor edelen van verguld zilver en voor patriciërs –zoals bij deze geportretteerde - van zilver zijn. Deze St.-Antoniusorde opgericht door Albert van Beieren, graaf van Henegouwen, was oorspronkelijk een militaire orde, maar werd in 1420 onder de graaf van Beieren omgevormd tot een vroom gezelschap. In zijn hand houdt hij een anjer, symbool van echtelijke trouw en liefde[151]. Bij naderbeschouwing bemerken we een rode en witte anjer op één steel, deze kleuren lijken op het oog van de albinohaas, wat staat voor het symbool van de genade gods[152]. Belangrijk voor de datering zijn de witte en rode anjer s op één steel die hij in de rechterhand vasthoudt. Deze kruisbestuiving is niet bekend voor 1460[153]. Opvallend is dat we de schenker terugvinden op een “Aanbidding der wijzen” (Eertijds: Neuerburg Mehlem)[154] het basiswerk van de Meester van het Aken-altaar, dat een vrij kopie is naar Hugo van der Goes[155].
Verder bemerken we deze figuur ook in een Epifanietriptiek (eertijds: Basel, verz. Bachofen) van Bartelomeus Bruyn·. Dit wijst erop dat dit Eyckiaans portret van de man met de anjer bekend was in het Rijnland.
De kunstenaar van het getekende mansportret blijkt vertrouwd te zijn met het Brugse milieu en voornamelijk met het atelier van Van Eyck en Petrus Christus. We mogen zijn werkzaamheden plaatsen in het derde kwart van de 15de eeuw. Mogelijks week hij uit naar Duitsland of was hij herkomstig uit de Eifel en keerde hij na een verblijf in de Gezellestad terug. Het lijkt er niet op dat hij Hubert van Eyck volgde toen deze de Elzas verliet om zich te Gent te vestigen[156]. Het is niet uitgesloten dat ook Duitse kunstenaars zich met Hubert gevestigd hebben in de Arteveldestad, waar zij in het Eyckiaanse atelier en nadien –na de dood van Hubert – in het Brugse atelier van Jan werkzaam waren. Er valt duidelijk een Duitse invloed te bespeuren bij de leerlingen van Jan van Eyck[157]. Indien wij de artiest van het getekende mansportret moeten zoeken binnen deze context, dan moet eerder gedacht worden aan Duitse schilders die zich in het midden van de 15de eeuw vestigden in onze gewesten, zoals o.a. Willem Westvelinc[158] en Hans Memling[159]. In het midden van de 15de eeuw bemerken we dat de Eyckiaanse stijl uitgedragen werd naar het westen van Duitsland. Het is niet ondenkbaar dat onder hen ook de auteur van het getekend portret van een jagermeester behoorde. Opvallend is dat in die periode het portrettype waarvan de figuur afgebeeld werd voor een binnenruimte, ook ingang vond in de Duitse schilderkunst.
Daar we de auteur van de getekende mansportret mogen plaatsen in de omgeving van het Eyckiaanse atelier, is een onderzoek naar de mogelijkheid of de geportretteerde Hendrick van Eyck is zeker niet overbodig.
Voor eerst merken we op dat de kunsthistorici niet eens zijn over de identificatie van de vogel. Schiltz[160] merkt op dat deze vogel geen valk is, maar een sperwer. Dit element zou zeker in het voordeel zijn voor een identificatie van deze jagermeester met Hendrik van Eyck. Doch is de valk of de sperwer niet de enige mogelijkheid om deze vogel te identificeren. Swaen vermeldt “dat de afgebeelde valk lang van straat en kort van vleugels is, hetgeen kenmerkend is voor de havik en de sperwer, terwijl een valk beschikt over lange puntige vleugels die vrijwel samenvallen met het uiteinde van de staart. Zou het hier een havik kunnen zijn in plaats van een valk? Het huiven van een havik is in onze tijd niet zo gebruikelijk, maar werd in het verleden net zo veelvuldig toegepast als nu (en toen) bij de valk gebruikelijk is”[161].
Daar we zelf niet over de nodige kennis beschikken om hierover een oordeel te vellen, hebben we informatie ingewonnen bij Marc De Mits die bekend staat als een vermaard valkenier. Als secretaris van de Belgische Vereniging van Vlaamse Valkeniers en Havikeniers heeft hij tevens bij collega’s advies gevraagd, o.a. aan de voorzitter van de Vlaamse Valkerij dhr. René Motmans, en door determinatie zijn zij tot het volgende besluit gekomen. Naast een valk en een sperwer komt ook de havik in aanmerking voor deze vogel. De licht schuine houding is typisch voor een sperwer, terwijl een valk recht zit. Het silhouet komt overeen met dat van een sperwer en een havik: lange poten, korte vleugels en lange staart. Een (slecht)valk heeft een meer gedrongen en geblokt postuur. Zijn kop is dikker, zijn staart is korter en de vleugelpennen rijken met de toppen aan het staarteinde. Ook het verenkleed met dwarsstreepjes op de krop verwijzen naar de sperwer of de havik en niet op een valk die daar druppelvormige vlekjes heeft. De verticale streepjes onder de snavel en achteraan in de nek zijn kenmerkend voor een sperwer en een havik. Ondanks de huif zou bij een valk de zwarte baardstreep van de keel, naast de snavel, over de kop tot achteraan de nek zichtbaar zijn. Bij een valk zijn de rug en vleugels veel donkerder en de borst is veel bleker dan bij een sperwer. De krachtige vangklauw aan de achterste teen en de daar tegenoverstaande binnenste aasklauw zijn typisch voor de havik en de sperwer. Bij de valk zijn ze veel kleiner. We mogen dus stellen dat de algemene aanvaarding door de kunsthistorici verkeerd is en dat we hier in geen geval te maken hebben met een valk. De vraag blijft echter of het hier gaat om een sperwer of een havik?
Volgens de verhouding en de dwarsstrepen op de borst hebben we te maken met een sperwerswijf of een haviktersel, met minstens één rui. Bij de haviktersel is het zwart/wit-contrast na de eerste rui groter dan bij een sperwerwijf. De vangklauw is bij een haviktersel in verhouding groter dan bij een sperwer, waardoor eerder kan gedacht worden aan deze vogel. De man draagt de vogel op de blote hand, de nagel van zijn duim is duidelijk zichtbaar. Een sperwer -en zeker een wildvang – kan je zonder probleem op de blote vuist dragen. Bij een havik met zijn gevaarlijke klauwen is dat niet aangewezen. In dat geval zou de jager een handschoen dragen. Het is ondenkbaar dat de kunstenaar zou nagelaten hebben een handschoen te tekenen, daar hij andere details – zoals het belletje aan de poten en de schoentjes tussen de vingers van de man – wel afbeeld. We mogen om die reden een identificering van de vogel met een havik uitsluiten. We kunnen dus besluiten dat de vogel op de tekening een sperwerswijf is.
Daar de afgebeelde een sperwenier is, komt Hendrik van Eyck in aanmerking als geportretteerde van de “Man met de sperwer”.
Rekening houdend met het feit dat Hendrick van Eyck meerderjarig (= +25 jaar) moet geweest zijn toen hij in dienst was van Jan van Beieren, mogen we de geboortedatum van de valkenier plaatsen op het einde van de 14de eeuw. In relatie tot het werk van Petrus Christus kunnen we dit getekend portret niet dateren voor 1450, d.w.z. dat Hendrick van Eyck tussen de 50 en 60 jaar oud was, toen het kunstwerk ontstond. De leeftijd van de geportretteerde mag in vergelijking met andere modellen van Van Eyck[162] geplaatst worden tussen de 30 en 40 jaar, waardoor de identificatie van dit getekend portret met Hendrick van Eyck onmogelijk stand kan houden.
De vooropgestelde identificatie van Cels(o.c.) die de geportretteerde van het getekende portret van een valkenier de vader van Hubert en Jan van Eyck noemt, is weinig aanvaardbaar. De verwerping van deze vereenzelviging vindt haar reden in het feit dat het onmogelijk is, dat een kunstenaar een portret naar levend model tekende van iemand die reeds lang overleden was. We kunnen dan ook niet bijtreden dat de voorgestelde van het getekende blad met de valkenier de vader van de beroemde schilders zou zijn.
Een andere identificatie van de figuur van het getekende portret werd naar voorgebracht door Six. Hij zag een verwantschap tussen dit portret en het beeldje waarvan de voorgestelde geïdentificeerd werd met Willem IV van Beieren en Henegouwen in Rijksmuseum te Amsterdam en identificeerde de valkenier met deze vorst[163]. Deze stelling werd bijgetreden door Marguerite Devigne (1922)[164]. Om de hoger vermelde redenen kunnen we deze in 1417 overleden hertog niet identificeren met de valkenier, die in de tweede helft van de 15de eeuw naar levend model getekend werd.
Nieuwe identificeringen dringen zich op. Wim Huyskens [165]vereenzelvigde op een losse basis de man met de sperwer als Hubert van Eyck, de broer van Jan[166] . Na de talrijke pennetwisten in de jaren ’60 van de vorige eeuw over de Van Eyck’s was men in de jaren ‘ opnieuw gaan twijfelen aan de authenticiteit van Hubert. Somigen opperden zelfs dat hij geen schilder, maar een beelldhouwer was. In 1983 hebben we gebaseerd op de documenten in de Gentse archieven duidelijk aangetoond dat Hubert van Eyck een schilder was[167] en geen beeldhouwer, en ook geen valkenier. Hubert van Eyck was reeds lang overleden (+ Gent, 1426) toen deze tekening naar levend model tot stand kwam.
Wie is nu deze jagermeester die afgebeeld werd op het portret?
Met enige zekerheid mogen we stellen dat deze jagermeester verbonden was aan het Bourgondische hof. Daar deze tekening verder geen enkele verwijzing biedt in verband met het model blijkt een identificatie te hypothetisch om thans een naam naar voor te brengen.
Besluit
Nadat Weale (1908) aantoonde dat Hendrick en Jan van Eyck werkzaam waren aan dezelfde hoven, werd algemeen aanvaard dat zij familiale banden hadden met elkaar. In de eerste plaats werd gedacht aan neven, terwijl sommigen ook opperden dat zij broers waren[168]. Zowel op genealogisch, als op heraldisch gebied bleek dat beiden geen bloedverwantschappen hadden. Hendrick van Eyck behoorde tot een adellijke familie, die talrijke goederen bezat. Zijn persoonlijk wapenschild, dat een combinatie blijkt te zijn van dat van zijn familie en het graafschap Loon, doet sterk vermoeden dat we de herkomst van deze belangrijke familie moeten situeren in de streek rond Maaseik. Deze familie was tijdens het Ancien Regime zeer voornaam en hun leden bekleedden dan ook talrijke belangrijke posten. Gebaseerd op het blazoen (van sinopel, schildhoofd van zilver, beladen met drie palen van sabel) konden we aantonen dat de stichterfamilie van de parochie Eyckelberg – thans: Bergeik – in oorsprong dezelfde familie is als deze van Hendrick van Eyck, hoogbaljuw van Dendermonde. Vanaf het tweede kwart van de 17de eeuw namen de afstammelingen van Hendrick van Eyck een nieuw familiewapen aan: gevierendeeld: 1 en 4 van azuur (= blauw) met drie eikels van goud; 2 en 3 van zilver met hoorn van sabel (= zwart), vergezeld van drie rozen van keel (= rood).
Het blazoen van de schildersfamilie verwees naar Taxandrië. Voor 1300 konden we geen belangrijke familie met de naam van Eyck terug vinden in deze streek. Het was duidelijk dat de familienaam afgeleid was van Eyckelberg, een plaats die in de tweede helft van de 14de eeuw verkort werd tot Eyck. De molenijzers in het blazoen wijzen er op dat de familie betrekking had op maalrecht. De molenaarsfamilie te Arendonk, die in de 14de eeuw de naam droegen van Van der Moelen, werden in de 15de eeuw van Eyck genaamd. Hetzelfde gold tevens voor een aantal goederen in dezelfde streek waarbij men dezelfde naamsverandering bemerkte bij de eigenaars. Gebaseerd op heraldische bewijsvoeringen bleek dat de familie van der moelen in de tweede helft van de 14de eeuw haar naam veranderde in van Eyck. Jan van Eyck voerde hetzelfde blazoen als de familie van der Moelen te Arendonk, wat er op wees dat hij een lid was van deze familie. Zoals reeds jaren geleden[169] door ons geopperd werd toonde we thans met zekerheid aan dat de naam van de hofschilder teruggaat op de parochie Eyck(elberg), die omstreeks 1500 de huidige benaming Bergeijk aanam.
Wapenschild familie van der Eycken (17de eeuw)
De schilders Hubert, Jan en Lambert laten ons tevens een vernieuwende kijk geven op de overdracht het ambacht. De overdracht van het schildersvak gebeurde blijkbaar niet op een traditionele manier. Alles wijst erop dat Jans grootmoeder –langs moederszijde- een schilderes was en dat het metier via haar doorgegeven werd aan de wereldberoemde schilders. De geboorteplaats van deze beroemde schilders moet niet in de eerste plaats gezocht worden in Taxandrie. Daar niet alleen de moeder van Jan, maar ook de moeder van zijn vader een wapen voerde dat verwist naar het graafschap Limburg, mogen we aanvaarden dat de vader van Jans vader zich reeds gevestigd had in het oude land van Loon. In een brief van Philips de Goede werd zijn hofschilder vermeld als Johannes van (Maas)tricht. Livina van Eyck, Jans dochter, trad later toe in een klooster te Maaseik[170]. Deze elementen wijzen er op dat de schilders banden hadden met het oude graafschap Limburg, hun persoonlijke contacten met Taxandrië (behalve de herkomst van de familie)heeft men tot op heden niet kunnen aantonen.
De relatie tussen Hendrik van Eyck en de schilders moet gezocht worden in de vakkenis, die hooggewaardeerd werd aan de hoger vermelde hoven. Het is langs deze weg dat de hofschilder Jan een naamgenoot Hendrik van Eyck leerde kennen. Dit diepgaand genealogisch en heraldisch onderzoek heeft aangetoond dat er ondanks alle gissingen geen familiale banden waren tussen beiden. De mythe wordt dan ook voorgoed doorbroken.
Voor de geschiedenis van Dendermonde is deze studie een rijke verwelkoming, daar Hendrick van Eyck, hoogbaljuw van deze stad en lid van een zeer belangrijke familie, amper aandacht had gekregen in de lokale publicaties. Daarentegen betekent deze studie voor de navorsers van de gebroeders van Eyck eerder een mogelijkheid minder om de veel omstreden herkomst van deze kunstenaars te achterhalen.
Voor deze publicatie bedanken we in de eerste plaats Adina Coolens, die ons met raad en daad bijstond om deze publicatie aan een goed eind te verhelpen. Verder willen we dhr. Aimé Stroobants, conservator en archivaris, op wie we tal van keren beroep hebben gedaan en die ons steeds gewillig hielp bij dit onderzoek. Onze dank gaat ook uit naar meester Jozef Dauwe, gedeputeerde van de provincie Oost-Vlaanderen, voor de hulp en de aanvullingen. Onze dank gaat ook uit naar valkenier Marc De Mits die ons talrijke informatie gaf over valkeniers en sperweniers. Ten slotte willen we ook dhr. Paul Roggemans bedanken die ons op het spoor bracht van de archivalia over de Dendermondse familie Rongman – van der Eecke.
Rudy van Elslande
[1] VAN ELSLANDE R., De geschiedenis van de Vyt-Borluutfundatie en het Lam Gods, in: Ghendtsche Tydinghen, 17de jg., 1988, blz. 294.
[2] BROECKAERT J., Graf- en Gedenkstenen van Dendermonde, Inscriptions funéraires et monumentales de la ville de Termonde, nr. 7, XVI, Dendermonde, 1896., blz. 69-70.
[3] David LINDANUS, De Teneraemonda libri tres, Antwerpen, Hieronymus Verdussen, 1612, blz. 85-86.
[4] cfr. J. MAESTERTIUS, Beschryvinge vande Stadt ende Landt van Dendermonde, Leiden, Nicolaes Rosa, 1646, heruitgave, Dendermonde, 1993, p. 42
[5] DE BETHUNE J., Epithapes et monuments des églises de la Flandre au XVI siècles d’ apres les manuscrits de Corneille Gaillard et d’autres auteurs, Brugge 1900, blz. 50-52.
[6] COVELIERS L., Valkerij en Valkeniers, Arendonk, 1950., blz. 71.
[7] DE BETHUNE J., o.c. .
[8] W.H.J. WEALE, Hubert and John Van Eyck, their Life and Work, 1908, blz. 23-25. Hij noemt Hendrick een neef van de schilders; SCHMARSOW, Hubert und Jan van Eyck, Leipzig 1924, blz. 74 e.v..
[9] VAN ELSLANDE R., De van Eycks te Gent, in: Ghendtsche Tydinghen, 12de jg, 1983, blz. 155.
[10] VAN ELSLANDE R., De herkomst van de gebroeders van Eyck, in: Brugs Ommeland, 25ste jg., 1985, nr.4, blz. 251.
[11] “ Jan van Lueven, valckenier van syne doorluchtige hooggheyt de prinse van Luyck”, Arendonk, Gemeentelijk archief, Register 11 – 14-5-1681; cf. GORIS J., De herkomst van Jan van Eyck, Kasterlee-Breda, 1959, blz. 18.
[12] VAN ELSLANDE R., De van Eyck's te Gent III: Hun oeuvre, in: Ghendtsche Tydinghen, 13de jg., 1984, blz. 35.
[13] We weten met zekerheid dat in de 17de eeuw familieleden van de gebroeders van Eyck in Utrecht woonden. VAN BUCHEL A., Monumenta passim in templis ac monasteriis Traiectinae urbis atque agri inventa, Utrecht, Archief,bibliotheek, nr. XXVII L 1 f° 73; toont ons het wapen van de Utrechtse vicaris Cornelis van Eyck, dat een gewijzigde vorm is van het wapen van de schildersfamilie. Dat er reeds vroeger familieleden in deze stad verbleven blijkt uit de vermelding van Joost van Eyck die in 1527 muntmeester van deze stad was. http://images.google.be/imgres?imgurl=http://www.duiten.nl/wapenutr2.gif&imgrefurl=http://www.duiten.nl/utrecht.htm&usg=__CkEaWp0v8vdJCvAE3yEcqySLeR4=&h=117&w=316&sz=15&hl=nl&start=121&um=1&itbs=1&tbnid=vWEd1oj9uqOT6M:&tbnh=43&tbnw=117&prev=/images%3Fq%3D%2527wapen%2Bvan%2Beyck%2527%26ndsp%3D20%26hl%3Dnl%26sa%3DN%26start%3D120%26um%3D1
[14] HENDRICKX M., Over Maastrichter en Maaseiker van Eyck (14de eeuw), in: Vlaamse Stam, 5de jg., 1969, blz. 280-281.
[15] WEALE W.H.J., The van Eycks and their Art, Londen, New York en Toronto 1912 ,blz. XXV.
[16] Lejeune J., Les van Eyck peintres de Liège et de sa cathedrale, 1956.
[17] JANSEN J. E., Turnhout in het verleden en heden, 1978, blz. 121-134.
[18] Rijsel, Archives départementales du Nord, Recette générale, nr. 1957.
[19] Van Belle J., Les pays de par Deça / De Bourgondische Nederlanden, dl. I, Beveren-Nijmegen 1984, blz. 85 in verband met de gelijkaardige aanstelling van Jan van Eyck als kamerdienaar: “ de functie van hofschilder was geen officieel ambt en bijgevolg ook niet als zodanig te honoreren. Daarom werd van Eyck op 19 mei 1425 tot kamerdienaar benoemd,…”. In dit geval zou men ook kunnen stellen dat het ambt van jagermeester geen officieel ambt was, wat bedenkelijk is.
[20] WEALA W.H.J., o.c., blz. 24.
[21] Rijsel, Archives départementales du Nord, Recette générale, nr. 1923.
[22] http://www.stanny-van-grasdorff.be/de_heren_van_st-amands.htm
[23] DE VLAMINCK A.L., De stad en de heerlijkheid van Dendermonde Geschiekundige opzoekigen,, dl.II, Dendermonde, 1867 (heriutgave: Staden, 1998), dl. IV, blz. 169-170.
[24] STROOBANTS M., Valkenier Hendrik van der Eycken (Arendonk ca. 1395-1400? – Dendermonde 1466), baljuw van Dendermonde en broer (?) van schilder Jan van Eyck, in: Dendermondse Museum- en Archiefberichten, nr. 59, november 2006, blz. 10-11.
[25] GORIS J., De herkomst van Jan van Eyck, Kasterlee-Breda 1959, blz. 19.
[26] FERWERDA A., Nederlandsch geslacht-, stam- en wapenboek, waarin voorkomen de voornaamste adellijke en aanzienlijke familiën in de Zeven Verenigde Provinciën en met de noodige registers, zoo der geslachten als der wapenen voorzien door Jac. Kok, II, Amsterdam, 1785.
[27] Onze eigen voorvader Michel van Elslande was tussen 1267 en 1277 grafelijk baljuw te Kortrijk, daarna was hij tot 1281 grafelijk baljuw van Ieper. Nadien was hij tot in 1284 grafelijk baljuw te Rijsel. Vanaf die periode tot in 1288 werd hij opnieuw vermeld als grafelijk baljuw te Ieper. Hoewel Michel, heer van het Elsland, een hof bezat te Geluwe/Wervik verbleef hij telkens in de grafelijke residenties van deze steden. Opvallend is daarbij dat ook zijn broer Willem van Nevele, burchtgraaf van Kortrijk, die tevens een hof had te Oosthoven/Wervik, eveneens woonachtig was in de grafelijk burcht te Kortrijk; VAN ELSLANDE R., De heren van Nevele en van Wervik vanaf de 1067 tot 1300, in: Het Land van Nevele (ter perse).
[28] VAN ROMPAEY J., Het grafelijk baljuwsambt in Vlaanderen tijdens de Boergondische periode, in: Verhandelinen van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Wetenschappen, Letteren en Schone Kunsten van België, Klasse der Letteren, jg. XXIX, nr. 62, Brussel 1967, blz. 160-161, 231, 651.
[29] STROOBANTS M., Valkenier Hendrik van der Eycken (Arendonk ca. 1395-1400? – Dendermonde 1466), baljuw van Dendermonde en broer (?) van schilder Jan van Eyck, in: Dendermondse Museum- en Archiefberichten, nr. 59, november 2006, blz. 11.
[30] De belangrijkste onder hen was Simon de Mirabello, alias van Halen, die na de vlucht van graaf Lodewijk van Nevers naar Frankrijk, in 1339 uitgeroepen werd tot ruwaard van Vlaanderen.
[31] DE VLAMINCK A.L., De stad en de heerlijkheid van Dendermonde Geschiekundige opzoekigen,, dl.II, Dendermonde, 1867 (heriutgave: Staden, 1998), blz. 98-101, dl. IV, blz. 168-173
[32] DE WILDE B., Criminaliteit in de stad en het Land van Dendermonde in de zestiende eeuw. Een onderzoek gesteund op de baljuwsrekeningen, in: Gedenkschriften van de Oudheidkundige Kring van het Land van Dendermonde, 4de reeks, jb. 2009, XXVIII, blz. 156, e.v. .
[33] LINDEMANS J., Geschiedenis der gemeente Opwijk, Brussel, 1937, blz. 56-61; Idem, De dorpskom van Opwijk in vroegere eeuwen, verschenen in Eigen Schoon en de Brabander, XI, 1929, p. 290-308
[34] STAELENS S., De schepenbank van Dendermonde onder Lodewijk van Male (1346-1384) en het huis van Bourgondië (1384-1482), in: Gedenkschriften van de Oudheidkundige kring van het Land van Dendermonde, 4de reeks, XXVII, jaarboek 2008, blz. 94.
[35] VAN PARIJS H.C., Généalogie Vrele dite Rongman, in: Brabantica, III, 1958, nr. 2, blz. 129.
[36] Hij was schepen te Brussel uit het Steenweghs-geslacht in 1320, 1322, 1324.
[37] Voor verdere afstamming cf. DE CACAMP F., Généalogie Utensteenweghe dit Van der Noot, in: Brabantica, VI, 1962, nr. 2, blz. 574, e.v.; AZEVEDO J., Généalogie de la famille van der Noot, 1771, blz. 10, e.v. .
[38] STAELENS S., o.c., blz. 94.
[39] WAUTERS A.,Histoire des environs de Bruxelles : ou, description historique des localites qui formaient autrefois l'ammannie de cette ville, Brussel, 1969, blz. 86.
[40] Samen met Gjiselbrecht Pollein raporteerde hij op 21 februari 1360 (n.s. 1361)dat Lievin Mussche op 18 juni 1360 drie ponden groten torn. Van schulden gelegeerd heeft aan zijn schoonvader Arnoud van Crudenerre en zijn vrouw Zoetine; Gent, Stadsarchief, Jaarregister 1360-1361, f° 27.
[41] Opwijk,Kerkarchief, Manuale pastor de Deckere, f° 27v°.
[42] VAN PARIJS, o.c., blz. 132-133.
[43] Rijsel, Archives Départementales du Nord, Leenboek van Vlaanderen anno 1365: „hof, land ende mersch XXII bunre groot lettel min of meer ende staet te dienen met twee paerden op 's heeren cost in hervarden (= krijgstocht)”.
[44] LINDEMANS J., o.c., blz. 56.
[45] Poije was een modenaam in het Dendermondse, cf. http://docs.google.com/viewer?a=v&q=cache:yb99Jrto1pUJ:www.heemkringopwijk.be/HL-restauratie/OGKO/Oudste%2520goederenbeschrijving-transcriptie.pdf+opdorp+van+der+eecke+rogman&hl=nl&gl=be&pid=bl&srcid=ADGEESiMGt_tk5HPvywWHD5LoUHbDqLactNn3jEkemSr0eCRjF63xh43XNLs5KnplOcJUxDcAwAniLVg2CwuU4efi4xilAm0h2-0gfI71CWqp7f-xaax6x1Tz9G6NSV1ul6Myr5gER4h&sig=AHIEtbT8vbiVDYsMMDYaKo9NkMiYv72L5w
[46] Voor verdere afstammelingen cf. http://gw5.geneanet.org/index.php3?b=wouche2&lang=fr&m=N&v=Van%20der%20EERTBRUGGEN http://www.genealogieonline.nl/stamboom-van-der-straeten/I4384.php
[47] Voor verdere afstammelingen, cf. D'URSEL B. – LINDEMANS L., Genealogie van Ursene, in: De Middelaar, nr. 276 (1991), blz. 314.
[48] Voor verdere afstamming, cf. BUTKENS C., Trophées tant Sacrés que profanes du Dche de Brabant, Brussel, 1724, II, blz. 68, 136.
[49] VAN BERCHEM R., Les premiers seigneurs de Berchem, in: De Schakel, 1950, nr. 4? BLZ. 24.
[50] Opwijk,Kerkarchief, Manuale pastor de Deckere, f° 29.
[51] Zij hertrouwe met Hendrik van Gavere, heer van Liedekerke en Ressegem en nadien met Hendrik Van Rotselaer, ruwaard van het Land van Mechelen.
[52] Voor verdere afstamming cf. LINDEMANS L., Genealogie van Obberge, in: Eigen Schoon en De Brabander, 2000, blz. 154.
[54] DE CACAMP, o.c., blz. 570.
[55] DE CACAMP F., Généalogie sLeeus, in: Brabantica, IV, 1959, nr. 2, blz. 234.
[56] http://www.rogmans.be/GEN_OORSPRON.HTM
[57] Opwijk,Kerkarchief, Manuale pastor de Deckere, f° 17v°.
[59] Cf. Lijst der aardrijkskundige namen van Nederland, Leiden 1936.
[60] Cf. MULLER’s grosses Deutsches Ortsbuch, 1956
[61] O.a. RIETSTAP J.-B., Armorial Général précédé d’un Dictionaire des termeds du blason, Gouda, 1861, blz. 636-637; cf. http://www.blazonsearch.com/search.php, http://www.euraldic.com/blas_ey.html .
[62] PANKEN P.N. – VAN SASSE VAN YSSELY A.F.O., Beschrijving van Bergeijk, ’s-Hertogenbosch, 1902 blz. 72
[63] KOK J., Nederlandsch Geslacht-, Stam- en Wapenboek, vol II, Amsterdam, 1785 Van der Eycken.
[64] VAN ELSLANDE R., De van Eyck's te Gent II: De verblijfplaatsen, in: Ghendtsche Tydinghen, 12de jg., 1983, blz. 268-277; Idem, De van Eycks te Gent, in: Ghendtsche Tydinghen, 12de jg, 1983, blz. 151-165; Idem, De herkomst van de gebroeders van Eyck, in: Brugs Ommeland, 25ste jg., 1985, nr.4, blz. 235-260.
[65] VAN ELSLANDE R.,Hubert van Eyck, “il n’y eut jamais de plus grand artiste” oeuvra au Limbourg, en Flandre et en Alsace (ter perse).
[66] LE ROY J., Notitia Marchionatus, Sacri Romani Imperii, hoc est Urbis et Agri Antuerpiensis, Oppidorum, Dominiorum, Monasteriorum, Castellorumq[ue] sub eo. In qua origines & progressus illorum eruuntur, Amsterdam 1678, blz. 90.
[67] Van de Leene, Le Théâtre de la Noblesse du Brabant, 1705, dl. II, blz. 18.
[68] GRAMAYE J.-B., Antiquitates illustrissimi Ducatus Brabantiae, in quibus singularum Urbium. Coenobiorum.... Ecclesiarum.... Pagorum.., Leuven-Brussel, 1708, dl. II.
[69] CH. BUTKENS, Preuves des trophées de Brabant tirées des registres et archives de diverses églises, trésors de chartes, et bonnes histoires, dl. III, Den Haag, 1724-1726, blz. 434.
[70] http://www.kampenhout.be/historisch/van_campenhout.php
[71] We vermelden hier Simon de Quercu/ van der Eycken cantor (15-16de eeuw); A.J. VAN DER AA, Biographisch woordenboek der Nederlanden, dl. 15, Haarlem 1872 , blz. 549, Waterus Van der Eycken/ de Quercu (14-15de eeuw); RIDDERIKHOFF C.M.,Les livres des procurateurs de la nation germanique de l'ancienne ..., dl. 1, 1971,blz. 55.
[72] Zij hadden minimum twee kinderen Aert enCathelijne, die huwde met Agidius van der Becke gezegd van Ginderboven; http://www.kareldegrote.nl/Reeks_4_Vandenbosch.htm: http://www.google.be/url?sa=t&source=web&ct=res&cd=9&ved=0CB0QFjAI&url=http%3A%2F%2F81.246.111.194%2FDOCUMENTS%2Fhertogjan.pdf&rct=j&q=%27Gillis+van+der+Eycken+Catharina+van+Achtere%27&ei=3r1xS-PJFY7r4gaa_6HOCQ&usg=AFQjCNFThYOnPD799dcJt7Z6zUUQvd_Xmg
[73] DE RAADT J-Th., Sceaux armoriés des Pays-Bas et des pays avoisinants (Belgique, royaume des Pays-Bas, Luxembourg, Allemagne, France, Brussel 1898-1899, dl. II, blz. 415.
[74] Zij had nog drie boers: Jean, Michel EN Roland.
[75] Brussel, Koninklijke Bibliotheek Albert I, Fonds Goethals, f° LXIJ v°, cf. PINCHART A, Catalogue de la Bibliotheque de F.V. Goethals, Manuscripts, Brussel 1968, blz. 351, nr. 1655.
[76] VAN HOLLEBEKE L., ‘Notice biographique’, in: C. Gaillard, Le Blason des Armes publié par Jean van Malderghem, Brussel 1866, cf. DE BETHUNE J., Epithaphes et monuments des églises de la Flandre du XVIe siècle d’apres les manuscrits de Corneille Gaillard et d’autres, Brugge 1897-1900.
[77] Het oorspronkelijk constre werd door een andere hand (mogelijks door C. Gaillard) geschrapt en vervangen door Contre.
[78] Hoofdletter H. werd vervangen door Hic
[79] Mira vervangt het geschrapte woord magna
[80] Quod… doorstreept.
[81] Cedere vervangt het geschrapte aderet
[82] Illi: een vijfde letter is geschrapt.
[83] Polycretis: de r is doorstreept; achter het vers was crudelis toegevoegd, maar het is doorstreept omdat dit woord bij het volgend vers hoort.
[84] Igitur is doorstreept omdat het woord Crudelis ervoor moet komen.
[85] At cum: vergissing voor Actum
[86] Legis: de s vervangt de foutieve t.
[87] Vertaling: Tegen of aan een pijler (in de Brugse Sint-Donaaskathedraal), aan de rechterkant, onder het orgel, nabij de doopvont, is een koperen plaat waarop het epitaaf staat vermeld: “ Hier ligt de door zijn uitzonderlijk talent de beroemde Joannes (van Eyck) in wie de genade van de schilderkunst wonderbaar was. De levende vormen en op de grond bloeiende planten schilderde hij en levend scheen zijn werk. Want Fidias en Apelles moesten voor hem wijken. In de kunst was ook Polycletus zijn mindere. Daarom wreedaardig, ja noem de Parcen wreedaardig die ons zulk een man hebben ontnomen. Voltrokken is in tranen het onverbiddelijke lot. Opdat hij leve in de hemelen, gij die dit leest, ik smeek u: bid. Dit is het gedenkschrift van de uitmuntende schilder Joannes, wiens uitmuntend werd het Gentse retabel (= Lam Gods) is”.
[88] VAN ELSLANDE R., De herkomst van de gebroeders van Eyck, in: Brugs Ommeland, 25ste jg., 1985, nr.4, blz. 240-250.
[89] GOETGHEBUER, Vide carton, in: Annales de la sosiété d’emulation de Bruges pour l’étude de l’histoire et des antiquités de la Flandres, dl. II, nrs. 3-4? Brugge 1847, blz. 325.
[90] CROWE J.A. – CAVALCASELLE G.B., The early flemisch painters notices of their lives and work, Londen, 1857, blz. 28-29.
[91] Jan van Eyck, meester in 1358, gezworene in 1366; Rase van Eyck, meester in 1344, gezworene in 1349, deken in 1351, cf. VAN ELSLANDE R., De van Eycks te Gent, in: Ghendtsche Tydinghen, 12de jg, 1983, blz. 151-165.
[92] VANDER HAEGHEN V., Mémoire sur des documents faux relatifs aux anciens peintres, sculpteurs et graveurs flamands, Gent 1898.
[93] Belangrijkste publicatie is DE BUSSCHER E., Recherches sur les peintres gantois des XIVe et XV siècles, indices primordiaux de l’emploi de la peinture à l’huile à Gand, Gent 1859.
[94] PANOFSKY E., Early Netherlandish painting, Orgins and character, dl.I & II, New York-Hagerstown-San Francisco-Londen 1947-1948,blz. 189, noot 3.
[95] DE HEERE LUCAS, Den Hof en Boomgaerd der Poësien, inhoudende menigherley soorten van poëtijckelicke blommen: at is diuaersche materien, gheestelicke, amoureuse, boerdighe, etc. oock diuaersche schoon sententien, inventien, en(de) manieren van dichten, naer d’exempelen der Griecscge, Latijnsche, en Fransoische poëten, en in summa alzulcx dat een yeghelick daer yet in vinden zal dat hem diend, oft behaeghd, Gent, 1565, f° 35.
[96] VAN VAERNEWYCK MARCUS, De Historie van Belgis die men anders namen mach den Spiegel der Nederlandscher audheyt. Waer inne men zien mach als eenen clare(n) spieghel/veel wonderlicke gheschiedenissen/ die van alle oude tyden/ over al die weerelt gheschiet zijn: maer bysonder in die Nederlanden…, Gent, 1574, dl. IV, f° 47, noemt deze zuster Margaretha. Het koperen grafschrift was reeds tijdens de Beeldenstorm verwijderd van de grafsteen, waardoor het mogelijk is dat Van Vaernewyck het epitaaf van de zuster niet meer gezien heeft.
[97] . VAN ELSLANDE R., Margaretha van Eyck, in: Ghendtsche Tydinghen, 12de jg, 1983, blz. 160.
[98] GORIS J., De herkomst van Jan van Eyck, Kasterlee-Breda 1959, blz. 27.
[99] Nadien is onmogelijk daar de erfgenamen van Hubert van Eyck woonachtig waren buiten de Arteveldestad (cf. supra).
[100] VAN ELSLANDE R., Het Brugse atelier van Jan van Eyck tussen 1433 en 1441, in: Brugs Ommeland, 29ste jg., 1989, blz. 105-112, 131-136,233-138.
[101] CELS A., L’Homme au faucon et le lieu d’origine de Jean van Eyck, in: Bulletin Koninklijke Musea voor Schone Kunsten, VII, 1958, blz. 29-32.
[102] GORIS J., Jan van Eyck is geen Luikenaar, Arendonk, 1967.
[103] In augustus 1283 getuigen Hendrick genaamd Hate van Eykelberge en zijn zoon Hendrick dat zij het tien onder de parochie van het latere Bergeik verkocht hebben aan de abdijen van Tongerlo en Floreffe; A.M. Erens, De oorkonden der abdij Tongerloo (Commissie voor geschiedkundige en folkloristische Opzoekingen der provincie Antwerpen), Deel I : 1133-1294, Tongerlo, 1948, nr 234.
[104] PANKEN P.N. – VAN SASSE VAN YSSELY A.F.O., o.c., blz. 237.
[105] ERENS A.M., o.c., nr. 368.
[106] ERENS A.M., o.c., nr. 314
[107] WOLTERS M., Notice Historique sur la ville de Maeseyck, Gent, 1855, blz. 85.
[108] BARBIER J, Histoire de l'abbaye de Floreffe de l'ordre de Prémontré, Namur - Wesmael-Charlier, 1880, blz. 227.
[109] http://nl.wikipedia.org/wiki/Zeven_geslachten_van_Brussel
[110] RIETSTAP J.B., Tijdschrift voor wapen-, geslacht-, zegel- en penningkunde, 1876, blz. 244.
[111] VAN SASSA A. (red), Tijdschrift voor Noordbrabantsche Geschiedenis, Taal- en Letterkunde, 1884-1885, 2de jg., blz. 41-44.
[112] Antwerpen, Archief Predikheden, Codicil van Godfried van Breda.
[113] MIREAUS A. Miraei opera diplomatica et Historica, Brussel, 1723 – 48, dl. II, blz. 1228.
[114] EIJKELBERG V., Van Eyck, Dokumenten II Maaseik, geboorteplaats der van Eycks?, Antwerpen 1981, blz. 3.
[115] FRENKEN, A.M., Documenten kapittels Hilvarenbeek Documenten betreffende de kapittels van Hilvarenbeek, St. Oedenrode en Oirschot, 1956, blz 36-47.
[116] VAN SASSEN A. (red), o.c., blz. 41-44.
[117] VAN ELSLANDE R., De herkomst van de gebroeders van Eyck, in: Brugs Ommeland, 25ste jg., 1985, nr.4, blz. 255.
[118] Wulferd is een goed te Maaseik, http://nieuwsblad.typepad.com/arendonk/2008/02/geboortekwestie.html
[119] Cf. SCHILTZ E., Juffrouwe Magriet van Wyflet echtgenote van Jan van Eyck, Antwerpen, 1966.
[120] GORIS J., Jan van Eyck in de Kempen, Arendonk, 1964, blz. 74.
[121] HENDRICKX M., Margriet van Wulflet of Wyflet is niet van Wurfuld bij Maareik en ook niet de vrouw van de schilder Jan van Eyck, in: Limburg, nr. 11-12, Maaseik 1967, blz. 264-271.
[122] EYCKELBERG V. – POPLEMONT L., Genealogische vragen rondom het probleem van Eyck, in: Vlaamse Stam, 5de jg., 1969, blz. 478.
[123] http://www.nieuwsblad.be/article/detail.aspx?articleid=G4E17F2EA
[124] VAN ELSLANDE R., Het Land van Waas in relatie tot de laatgotische Gentse kunst, in: Annalen van de koninklijke oudheidkundige kring van het Land van Waas, dl. CX, 2007, blz. 76-84.
[125] EYKELBERG V. – POPLEMONT L., o.c., blz. 475-480.
[126] RIETSTAP J.-B., Armorial Général précédé d’un Dictionaire des termeds du blason, Gouda, 1861, dl. II L-Z, Moelen van der (Brabant); ROLLAND, V. EN H.V. Illustrations to the Armorial Général by J.B. Rietstap, 1903-1926, dl III, Moelen (van der).
[127] Frankfurt am Main, Städelsches Kunstinstitut en Städtische Galerie, Graphische Sammlung, nr. 725.
[128] KORENY F.(red.), Meestertekeningen van Jan van Eyck tot Hiëronymus Bosch, cat. tent Antwerpen Rubenshuis 14-1/18-8-2002, blz. 66.
[129] VAN ELSLANDE R., Het portret van Maria van Bourgondië door de Meester van de Vorstenportretten, in: Het Oude Land van Edingen en Omliggende, 11de jg., 1983, nr. 4, blz. 333-335.
[130] DE CHAMERLAT C.A., Falconry and Art, Londen, 1987, blz. 107-110.
[131] CELS A., L’Homme au faucon et le lieu d’origine possible de Jean van Eyck, in: Bulletin van de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, VII, 1958, blz. 29-32.
[132] Cat. tent., Die Entdeckung. Niederländische Kunst des 15. Und 16. Jahrhunderts in Frankfurt, Frankfurt am Main, Städelsches Kunstintituut, 1995-1996, blz. 42-45.
[133] CROWE J.A. – CAVALCASELLE G.B., Geschichte der altniederlaendischen Malerei, Leipzig, 1875, blz. 452.
[134] WINKLER F., Skizzenbücher eines unbekannten rheinischen Meister un 1500, in: Wallraf-Richartz-Jahsbuch, n.s., 1, 1930, blz. 124; Idem, An attribution to Roger van der Weyden, in: Old Master Drawings, 10, juni 1933, blz. 3; Iden, Rogier van der Weyden’s Early Portraits, in: Art Quarterly, 13, zomer 1950, blz. 216-216.
[135] WEIGEL R. (red.), Die Werke der Maler in ihren Handzeichnungen, Beschreibendes Verzeichniss der in Kupfer gestochenen, lithographirten und photografirten Facsimiles von Originalzeichnungen grosser Meister (Leipzig 1865), blz. 653, nr. 7077; SCHÖNBRUNNER J. – MEDER J. (red.), Handzeichnungen alter Meister aus der Albertina und anderen Sammlungen, dl. 4, Wenen 1896-1908, nr. 397; VON WURZBACH A., NiederlPandisches Künstler-Lexicon, Wenen – Leipzig, 1906-1911, dl. 2, blz. 873; Lees F., The Art of the Great Masters As Exemplified by Drawings in the Collection of Emile Wauters, membre de l’Academie Royale de Belgique, Londen, 1913, blz. 61.
[136] SONKES M., Dessins du XVe siècles: groupe van der Weyden, Essai de catalogue des originaux du maître des copies et des dessins anonymes inspirés par son style, Brussel 1969, blz. 248-251, i.h.b., nr. E19.
[137] FRIEDLÄNDER M.J., The van Eycks and Petrus Christus, Early Netherlandish painting, vol I Leiden-Brussel 1967, blz. 72-73.
[138] LEPORINI H., Die Stilentwicklung der Handzeichnung, XIV. Bis XVIII. Jahrhundert, Wenen-Leipzig, 1925, blz. 49, nr. 43; ROTHES W., Die altniederländische Kunst in Farbe und Graphik, Die Kunst den Volke, 6, München, 1926, blz. 8; Destrée J., Roger de la Pasture, van der Weyden, Parijs 1930, dl. I, blz. 189.
[139] DE TOLNAY C., Le Maître de Flémalle et les frères van Eyck, Brussel, 1939, blz. 73, nr. 1.
[140] BEENKEN H., Hubert und Jan van Eyck, München, 1941, blz. 52, noot 1.
[141] BALDASS Jan van Eyck, New York –Londen, 1952, blz. 78, noot 5.
[142] PANOFSKY E., , The Friedsam Annunciation and the Problem of the Ghent Alterpiece, in: Art Bulletin, 17, December 1935, blz. 438 noot 14; Idem, Early Netherlandish painting, Orgins and character, dl.I & II, New York-Hagerstown-San Francisco-Londen 1947-1948, dl. 1, blz. 200 noot 3, 294 noot 4, 310 noot 7.
[143] BENESCH O., After Petrus Christus, Portret of a Man with a Falcon, in: German, Flemish and Dutch: Thirteenth Through Nineteent Centery, dl. 2 van Great Drawings of All Time (red.), I. Moskowitz, New York, 1962, dl. 2, nr. 462
[144] ROWLANDS J., A Man of Sorrows by Petrus Christus, in: Burlingron Magazine, 104, oktober 1962, blz. 420.
[145] Anoniem, Handzeichnungen alter Meister im Städelschen Kunstinstitut zu Frankfurt, dl. 16, Franfort am Main, z.d. (voor 1918), nr. 6.
[146] KORENY F.(red.), Meestertekeningen van Jan van Eyck tot Hiëronymus Bosch, cat. tent Antwerpen Rubenshuis 14-1/18-8-2002, blz. 52.
[147] KORENY F.(red.), Meestertekeningen van Jan van Eyck tot Hiëronymus Bosch, cat. tent Antwerpen Rubenshuis 14-1/18-8-2002, blz. 64.
[148] STEPPE J., Lambert van Eyck en het portret van Jacoba van Beieren, in: Mededeling van de Koninklijke Academie voor Wetenschappen, Letteren en Schone Kunsten van België, Academiae Analecta, Klasse der Schone Kunsten, jg. 44, 1983, nr. 2, blz. 55-85.
[149] POPHAM A.E., Drawings of the Early Flemish School, Londen, 1926, nr. 9; Idem, Dutch and Flemish Drawings of the XV. And XVI. Century, in: Catalogue of Drawings bij Dutch and Flemish Artists preserved in the Departement of Prints and Drawings in the British Museum, V, Londen, 1932, blz. 17 wil aan de kunstenaar van het Jacobaportret een vrij zwakke tekening toeschrijven met als voorstelling “Een man met een tulband” (Londen, British Museum). Deze toeschrijving kende geen navolging.
[150] CHÂTELET A., Early Dutch painting Painting in the Northern Netherlands in the fifteenth centery, New York 1981, blz. 68-69; heeft dit portret willen toeschrijven aan Albert van Ouwater. Deze theorie vond verder geen ingang.
[151] HALL J., Hall’s Iconografisch handboek, 1993, blz. 35.
[152] WERTHEIM A, C.A. - VAN SCHILFGAARDE, P. - De symboliek van haas en anjer. Vanaf de oudste beschavingen tot op heden, Wassenaar, 1972.
[153] VAN ELSLANDE R., Gentse kunstenaars ten dienste van Jan zonder Vrees en in het Prinsenhof, in: Ghendtsche Tijdinghen, 25ste jg., 1996, blz. 1882 Deze vorm van anjers treft men veelvuldig aan op portretten van het einde van de 15de, begin 16de eeuw.
[154] Dit schilderij bevond zich op het einde van de 19de eeuw in een privaatverzameling in Westfalen en stond daar op de naam van de (jongere) Meester van de heilige familie; cf. KAEMMERER L., Hubert und Jan van Eyck, in: Künstler monographien, Bielefeld-Leipzig 1898, blz. 61.
[155] WINKLER F., Das werk des Hugo van der Goes, Berlijn 1964, blz. 118.
[156] VAN ELSLANDE R.,Hubert van Eyck, “il n’y eut jamais de plus grand artiste” oeuvra au Limbourg, en Flandre et en Alsace (ter perse).
[157] We denken hier aan de Meester van de Levensfontein met een typische Duitse iconografie bij de weergave van de Synagoge, VAN ELSLANDE R., De Meester van de Levensbron, in: Ghendtsche Tijdinghen, 25ste jg., 1996, blz. 184-188.
[158] VAN ELSLANDE R., De laatgotische Gentse kunst in het graafschap Vlaanderen ten oosten van de Schelde, in: Het Land van Aalst, 59ste jg, 2007, nr. 2, blz. 108-119.
[159] DE VOS D., Hans Memling Het volledige oeuvre, Antwerpen1994, blz. 15-20.
[160] SCHILTZ E., Jan van Eyck, Errare humanum est, Antwerpen, 1968, blz. 8.
[161] SWAEN A.E.H., Enkele mededeelingen omtrent de valkenjacht, in: Jaarverslag Koniniklijkl Oudheidkundig Genootschap, Amsterdam 1925, blz. 4-47.
[162] We denken hier aan het portret van Jan de Leeuw (Wenen, Kunsthistorisches Museum), die 35 jaar oud was toen Jan van Eyck het werk geschilderde.
[163] SIX J., De beeltenis van Margaretha van Bourgondië, gravin van Henegouwen, Holland en Zeeland, in: Jaarverslag van het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap, 1919, blz. 39-43.
[164] DEVIGNE M., Un Nouveau document pour servir à l’histoire des statuettes de Jacques de Gérines au musée d’Amsterdam, in: Revue d’Art, 23, (januari-juni 1922), blz. 101.
[165] HUYSKENS W., De vrije vogelvlucht, kunst & valkerij, Zuphen, 1992, blz. 49.
[166] Hij verwijst naar DE CHAMERLAT, Falconry and Art, Londen, 1987, blz. 107-110, die stelt dat men dankzij Jacobello Vitturi’s Traité (1491) de geschiedenis van de valkenij tussen 1422 en 1437 kent en dat in die periode twee broers Hubert en Jan van Eyck (die hij verkeerdelijk laat opgroeien in Brugge) aan de basis liggen van de Vlaamse schildersschool.
[167] VAN ELSLANDE R., De van Eycks te Gent, in: Ghendtsche Tydinghen, 12de jg, 1983, blz. 151-165
[169] VAN ELSLANDE R., De herkomst van de gebroeders van Eyck, in: Brugs Ommeland, 25ste jg., 1985, nr.4, blz. 235-260.
[170] VAN ELSLANDE R., De herkomst van de gebroeders van Eyck, in: Brugs Ommeland, 25ste jg., 1985, nr.4, blz. 235-260.
[i] A Jehan de Heick, y est-il dit, jadiz pointre et varlet de chambre de feu Monseigneur le duc Jeahan de Bayvière, lequel Monditseigneur pour l’abilité et souffisance que par la relection de plusieurs de ses gens, il avoit oy de meismes savoit et cognoissoit estre de fait de pointure et le personne dudit Jehan de Heick, iccelui Jehan, confians en sa loyauté et preudommie, a retenuen son pointre et varlet de chambre, aux honneeurs, prérogatives et franchises, libertez, droitz, prouffis et esmolumens accoutumez et qui appartienent. Et afin qu’il soit tenu de ouvrer pour lui de pointure toutes les fois qu’il lui plaira, lui a ordonné prendre et avoir de lui, sur sa recepte général des Flandres, la somme de C livres parisis, monnoie des Flandres à deux termesp ar an, moictié au Noël, et l’autre à la Saint-Jehan, don til veult estre le premier paiement au Noël mil ccccxxv etc.
[ii]
CHRISTYN J.-B., Jurisprudentia Heroica Sive De Jure Belgarum Circa Nobilitatem Et Insignia, 1663, blz. 314.
Het Leengoed Echelenpoel of Riviere… Deze naam Echelenpoel komt voor in het diploma van een zekeren Godfried, hertog van Lotharingen, ten jare 1151 volgens de indictie 14, dat in de archieven van Affligem berust. Dat het een oud militair- of ridderleen was sinds de oudheid, werd bewezen in de autentische tabellen van Karel de Stoute, hertog van Bourgondië op datum 20 december 1468, naar dewelke de oude voorrechten verwijzen, namelijk van twee ridderlijke hoven als van cijnslenen, waarvan verscheidene lenen van lagere rang en ondergeschikte afhankelijkheden en die tot hun klienteel uitmaken en verscheidene gronden met jaarlijks cijns opbrengen. Daarvan werd één hof van Echelenpoel of Rivieren genoemd, het andere het hof Wiketto. Hun bezitters waren: Heer Karel van der Riviere, ridder van Aarschot ten jare 1306. Zijn weduwe Mevrouw Margaretha heeft in 1330 het vruchtgebruik van voornoemde goederen van Karel afgestaan aan Daniël, Renerus en Henricus, zijn kinderen in tegenwoordigheid van Willem Cluytinck, zoon van Jan, die dezelfde goederen in leen had. Voornoemde Karel heeft met zijn broers dezelfde goederen overgelaten aan Hendrik, de natuurlijke zoon van de genoemde Heer Karel van der Riviere, die de goederen in leen ontvangen heeft van voornoemde Willem in hetzelfde jaar 1330. Vervolgens hebben Henricus en Jan, zonen van de Heer Henricus van der Rivier, dezelfde goederen opgedragen aan Lambertus van Eyck, genaamd van den Bossche, in tegenwoordigheid van jonkvrouw Maria Cluytinck, dochter van Franco, op 15 mei 1360, aan wie dan jonkvrouw Elisabeth weduwe van voornoemde Herics van der Riviere het vruchtgebruik heeft afgestaan en aan de genoemde Lambertus van Eijcke opvolgde. Henricus leefde nog in 1351. Lambertus van Eycke, genaamd vanden Bossche was de zoon van Lambertus in 1426. Deze Lambertus van Eijcke heeft van zijn zuster Elisabeth vrouw van Willem van Keserbeke het huis en hof met toebehoorten, in de streek genoemd de Zijpe, bij Ganshoren, verworven in tegenwoordigheid van Heer Jan de Leeuw genaamd, ridder, in het jaar 1408 t.t.z. vanaf het overlijden van zijn vrouw Mevrouw Maria Boote, dochter van wijlen Egedius, genoemd Boote. De Heer Walter vanden Winckele, ridder, zoon van Godfried, Heer van Wikette, heeft hetzelfde leen gekocht van voornoemde Arnoldus (lees: Lambertus) van Eijcke, dat hem opnieuw door aankoop overging naar Johannes Stoop, zoon van Michaël, samen met de heerlijkheid van Rivieren in 1467. Hun bezitter was Henricus Stoop tot 1478. Maar Jan van der Eycken, zoon van Heni geboren, & Elisabeth Stoop, dochter van voornoemde Henricus, was bezitter ten jare 1500. Men leest dat de Heer Cornelius vander Eycken, Ridder, zoon van Joannes, heer was van St.-Joris, Jette en Ganshoren, in 1535. Vervolgens was Philippus van Eycke, zoon van Cornelius, heer van dezelfde plaatsen in 1570…;
[iii] Stamboom familie Veele – Rongman – van der Eecke
[iv]
DE LA CHENAYE-DESBOIS M., DICTIONAIRE DE LA NOBLESSE, CONTENANT les Généalogies, l'Histoire & la Chronologie des Familles Nobles de France, l'explication de leurs Armes, & l'état des grandes Terres du Royaume aujourd'hui poffédées à titre de Principautés, Duchés, Marquisats, Comtés, Vicomtes, Baronnies, &c. par création, héritages, alliances , donations, substitutious, mutations, achats ou autrement. On a joint à ce dictionnaire le tableau Généalogique , Historique, des Maisons Souveraines de L'Europe, & une Notice des Familles étrangères les plus anciennest les plus nobles & les plus ilisjlres, Parijs 1773, blz. 204, e.v..
De toutes cas Familles (van Eyck) dont nous venons de parles aucune, dit le Mémoire qui nous a été envoyé n’a eu aurant d’illustration & de célébrite que cella de Vander Eycken, de Bruxelles, transplantée aujourd’hui dans la haute Allemagne. C’est d’elle qu’etoit issue Marie file de Josse Vander Eycken, qu’ Edouard le Fortuné, Margrave de Bade, apousa pour la beauté. Cette famille a été reçue, de le XIVe siècle, dans les lignages ou obtenu, des anciens Ducs de Brabant, de tres-grands priviles. Voyez le Théatre de la Noblesse du Brabant, Part II, 18.
Celle-ci, dont nou saloons donner la Généalogie, a été décorée de la Chevalerie, et de plusieurs charges et dignités dans le Babant, et est alliée aux meilleures maison du pays. Ses preuves ont passés à l’Ordre de Malte, à celui de la Poisson d’Or, dans les grands Chapitres de Cologne et de Paderborn, et nouvellement dans ceux de Monsty, d’Andenne et Mons, dans les Pays-Bas.
Le premier don til est parlé est Jean Vander Eycken, duquel on a un extrait d’une convention, passée devant les échevins de la ville de Bruxelles, en 1321, entre lui et Alyde, sa femme, fille de Waultier de Campenhout, et d’Elisabeth epouse de Waultier. On le croit le même qui a été Amman de la ville de Bruxelles en 1300, ca ril se trouve sous le nom de Joannes de Quercu, dans la liste de ces Ammans, donnée par du Puy Butkens, Bruxella Septenaris, page 61, et dans celle de Cristin, Trophées du Brabant, Tome III, page 434[v].
La Charge d’Amman est la première de la ville de Bruxelles, et elle est donnée encore aujourd’hui aux personnes de la Noblesse la plus distinguée du pays. Ce Jean Vander-Eycken, placée à la tête de cette généalogie, a le surnom de Campenhout, et l’on verra que ces Vander-Eycken ont souvent porté ce surnom, possédant une maison et de terres à Campenhout, village situé à deux lieues de Louvain, et appartenant aujourd’hui au Comte Cruckenbourg. Les armes des Vander-Eycken se trouvent autrefois sur un des vitrau de l’Eglises. Environs le même temps vivaient un Waultier, et un Pierre Vander-Eycken, qui peuvent avoir été frères ou cousins de Jean Waultier, nommé Walterus de Quercu, lequel fonda en 1316 la chapelle de Sainte Cathérine à Louvain à l’occasion d’une peste. Grammaye, ( Inter Antiquitates Brabantiae, imprimées à Louvain e, 1708 en deux vul(umes) in-fol(io)) cite pour preuve de ce fait une unscription, qu’on voyait dans le choeur sur une plaque en bronze. Mais les Recollets à qui cette chapelle fut donnée dans la duite en détruiseront tous les monuments.
Pour Pierre Vander-Eycken, il était en 1334, Mayeur de la ville de Louvain (la charge de mayeur est la prémière de cette ville). Il était mort en 1339, et avait été marié deux fois. Il eut du premier lit une fille unique, nommé Marguerite.
II HENRI Vander-EYCKEN, I du nom, suivant l’extrait d’une lettre Echevinale, datée de 1349, épouse Cathérine SCALVE, et mourut en 1370. De ce mariage vinrent
I Henri qui suit; - 2 Gillis, qui fut un de sept Patriciens de la ville de Bruxelles en 1370; - 3, et Elisabeth, laquelle partages la même année les biens paternels & maternel, et épousa Henri CASSAERTS.
III Henri Vander-EYCKEN, II du nom, eut préférence dans l’héritage de ses père et mère en 1349. Dans un acte expedie à Bruxelles, en 1370, sous le Sécretarial de Zell, il est nommé Henricus Vander-EYCKEN de CAMPENHOUT , filius QUONDAM Henrici. Il était mort en 1388, laissant de sa femme, don ton ignore le nom: I HENRI qui suit; et Waultier, men tionné dans un acte de 1388. Il se trouve aussi dans la liste des Nobles qui accompagnèrent le Duc Vinceclas de Brabant, à la fameuse bataille de Baswitre, donnée le 21 août 1371. On trouve vers le même temp un Jean vander-EYCKEN, Echevin de Malines, en 1410, 14174, 1418, 1422; mais on ignore s’ il était de cette famille ou d’une autre du même nom.
IV Henri Vander-EYCKEN, III du nom épousa Cathérine de Swertere, laquelle partagea la succesion de son père avec ses frères Jean, Michel et Roland. Elle éyait petite fille d’ un chevalier, ce qui prouve que la famille de Vander-EYCKEN était alors connue pour être d’une ancienne et bonne Noblesse. Henri était mort entre 1429 et 1436. Il laissa de son mariage – I HENRI, qui suit; - 2 et Jean, qui de sa femme Marie BISCOPPE, n’eut que deux filles Agnès, mariée à Antoine Van Hessene, et Marie, épouse de Willaume VAN ASSCHE, issue de la Maison de Grimbergen. On croit que c’est ce Jean Vander-Eycken qui a été Echevin à Malines, en 1484.
V Henri Vander-EYCKEN, IV du nom, succéda, en 1461, à Guillaume de QUIENVILLE, dans la charge de Bailli de Termonde. Il était Conseiller, Varlet-de-Chambre et Grand Fauconnier de Philippe le Bon, duc de Bourgogne. Il mourrut en 1466, et fut enterré dans l’église de Notre-Dame de Termonde; ou l’on voyait son tombeau du temps de Vander-Linden, auteur d’une discription de Termonde. Il fut marié trois fois, 1° avec Lelie de GRIMBERGEN de ASSCHE, issue d’une des plus anciennes et des plus nobles Familles des Pays-Bas; 2° avec Elisabeth de Cathem, morte à ce qu’on croit peu après son mariage; et 3° vers l’an 1452, avec Elisabeth SALAERT, fille de Louis, Bailli de Termonde, puis grans Bailli de Gand. I leut de premier lit: 1° Henri, qui suit et du 3e 2° Jean qui embrassa l’etat Ecclésiastique; 3° et Cathérine, mariée des le 13 avril 1472, a Messiere Jean Pecters, Chevalier.
VI Henri Vander-Eycken, V. du nom, épousa Barbe Van VOLXHEM, fille de Paul, qui fut Echevin de la ville de Bruxelles, en 1452, et d’Elisabeth Danneels. De ce mariage naquirent: - Henri, mort avant le 24 september 1490; 2° Jean, qui suit; 3,4,5, et 6 Willaume, Gilles, Antoine et Charles-Antoine, lequel épousa Marie, fille de Jean: on n’a nulle connaissance des autres; 7 et Marguerite, epouse d’Antoine Mennes.
VII Jean Vander-Eycken, fut Receveur Général du Brabant, puis commis, Conseiller et maître de la Chambre des comptes, par Lettres-Patentes, le 26 août 1505, Intendant de Chemins Royaux, en 1509 Contrôleur des Officiers de Justices, en 1512, et Sur-Intendant des Chemins et Eaux en 1526. Il épousa 1° Elisabeth STOOPS, fille de Henri, Conseiller au Conseil de Brabant, et deNH., RAVESCHOTZ, 2° Barbe van OFHUYS, fille de Gabriel et de Barbe van GHINDERHOVEN. Elle vivait encore le 24 mars 1543, et était mortel e 30 décembre 1550. Son mari décéda le 9 août 1536. Il eut de ces deux mariages treize enfants, six du premier et sept du second. De 1er vonrent – I. Corneille; - 2° Jean; 3° Jacques; 4° Maximilien; 5° Elisabeth; 6° et Jeanne qui était encore mineyre en 1516; ils nommés dans des actes passés la même anée. Corneille et Jean on y eu postérité, et seront rapportés ci-après. On ne trouve rien des autres, si non qu’Elisabeth épousa Guillaume TOURNEUR, Chevallier, Amman de la ville de Bruxelles, dont elle eut Ida, mariée à Adrien de Gavre.
Les sept enfant du second fit furent: Thierri, Chamoine de Saint-Pierre de Louvain; 8. Josse auteur d’un branche rapportée ci-après; 9. Jacques, Chamoine Régulier de l’Abbaye de Sainte Gertrude à Louvain, dans laquelle on ne reçoit que des personnes de distinction; 10 Francois, qui épousa Cathérine de GROMOLI, don til n’eut du’une fille, nommé Cathérine, enterrée au monastère des Religieuses de Sainte Claire de Bruxelles; 11. Gertrude, Religieuse à Blyenberg; 12. Marie, Prieure au Petit Bygaerd; 13 et Cathérine, mariée Adrien Van der Noot, Seigneur de Riesegem. Elle mourut en 1656, et son mari en 1668. Il fut enterré à côté d’elle dans le choeur des Recollets à Dieste.
Corneille Vander-EYCKEN, titre Chevalier dans toutes les chartes, Echevin de la ville de Bruxelles, en 155 & 1557, Bourguemestre en 1556, fut present à toutes les assemblées de lignage, jusqu’en 1569. Dans le Registre des nouveaux acquéts, déposes au Greffe de la Souveraine cour féodale du Brabant, Messire Cornaille Vander Eycken, chevalier, y est qualifié seigneur de Saint-Georges, en l’an 1561, & il y est dits qu’en l’en 1570, moyennant l’achat fait par lui du Roi, il avoit tenu, en son vivant, la haute, moyenne & basse jurisdiction du village de Jette & Ganshorn, d’ou dépent le Fief de Rivierin. Il avoit épousé Elisabeth Estor, fille & héritiere de Bernard, Seigneur de Bygaerde, & de Marguerite de Baenst, Dame de Saint-Georges. Elle etoit morte en 1566, & son mari vécut jusqu’en 1570. Il laissa de son mariage: - 1 Philippe-Charles, qui fuit; - 2 & 3 Charlotte & Marie, Religieuses à Messines; - 4 Anne, femme de Maximilien de Corte, fils de Jacques, Ecuyer; 5 & Antoinette, ariée à Pierre d’Overloope, seigneur Dessamme, audiencier du Roi en la chancellerie du Brabant, conseiller & premier commis des finances, en 1578, mort sans hoirs.
PHILIPPE-CHARLES Vander EYCKEN, Seigneur de Saint-Georges, Rivierin, & c. relava à la Cour Féoldale du Brabant, le 1 juin 1570, après la mort de son père, la haute & basse jurisdiction des villages de Jette & de Ganshoren, & le 8 avril 1588, il releva les Cens Seigneuriaux au même lieu. Ces Seigneuries furent possédees enfuite par différents personnes, & furent érigées, en 1654, en baronnie, & en 1659, en comté, sous le titre de Saint-Pierre-Jette, en faveur de la Maison de Kinschot. C’est tous ce titre qu’une branche de la Maison de Ullégas le posséde aujourd’hui. PHILIPPE-CHARLES Vander EYCKEN, préta ferment, pour entrer dans le lignage de T’Serroelofs, le 13 juin 1570. Les registres de ce lignage en font mention ensuite jusqu’en 1591, à laquelle année il marque la mort. Il avoit épousé Anne de Jousse de Mastaing, fille d’Antoine, seigneur de Soffignies, et de Marie de Carondelet, de laquelle il eut:- 1.2. & 3. Jean-Antoine, Charles & Philippe, mort jeunes; - 4. & Claire, qui devenue héritiere de ses frères, epousa en 1613, Thomas Preston, Chevalier Irlandois , frère cadet du Comte de Gormansson, dont elle eut un fils , Jean-Antoine Preston , Vicomte de Tarach , Sieur de Saint-Georges , mort le 24 Avril 1659.
VIII. Jean Vander-eycken , Chevalier, second fils de Jean & d'Elisabeth Stoops ,sa première femme , fut Echevin de la ville de Bruxelles, en 1643, & admis, ainsi que fon frère, dans le lignage de T'Serroelofs. Il étoit marié en 1550, à Catherine T'Serclaes , fille de Philippe, issue d'une branche cadette de cette ancienne Maison , qui a produit dans le XVIIe. siécle le grand Général Tilly ,& de Gertrude d'Ophen. Il mourut le 3 Février 1564, & son épouse le 28 Juillet 1574. On voit leur épitaphe dans l'Eglise de Ninove, devant le grand autel sur une pierre bleue. Ils eurent de leur mariage : — I. N... marié , 1°. à Marguerite, fille de Guillaume d'Eidern, Seigneur de Scidenoulx , & d’Anne d'Eynatten;& 2° àN... de Mombecke. Il n'eut point d'enfans de ces deux mariages ; —2°. Charles , qui fuit ; — 3. Gertrude , mariée à Fumes , à Claude de Steenhuyse , dont el le eut des enfans ; — 4. & Elisabeth , mariée à Lievin de Berreler.
IX. Charles Vander-eycken , Chevalier , fut admis dans le lignage de T'serroelofs, le 10 Mars 1578. Le Roi le fit Confeiller au Confeil de Brabant en 1592. On voit encore fes armes parmi celles des autres Confeillers de Brabant aux grilles de la Chapelle du Saint-Sacrement de l'Eglise de Saint-Gudule à Bruxelles , que ces Confeillers firent faire , en 1597- Il épousa Barbe , fille de Jean Van Vlierden, & de Louise de Raedt, par contrat du 24 Février 1589, & en eut cinq enfans: — 1. Charles , mort à marier ; — 2. N... Religieux à Sonnebecke ; — 3. autre Charles; - 4.FERDINAND, mort jeune , le 4 Août 1609 ; — 5. Louise, mariée, par contrat du 5 Mars 1614., à François de Saint-Victor, Seigneur de Bonmalet, fils de Messire François, Chevalier, Capitaine d'une Compagnie d'Allemans, au service du Roi d'Espagne. Elle mourut le 27 Septembre 1625, & son mari le 17 Octobre 1639. Ils furent enterrés aux Frères Mineurs à Louvain ; — 6. & Isabeau , mariée le 2 Octobre 1632, à Gérard de Reux , Confeisser en Flandre , morte le 5 Octobre 1633.
Seconde Branche.
VlIl. Josse Vander-eycken , fils puiné de Jean, & de Barbe Van-Ofhuys, sa séconde femme , fut dans fa jeunesse Maître-d'Hôtel du Prince d'Orange, Comte de Nassau. Il quitta ce Prince dans le tems des troubles , pour rester attaché au Roi d'Espagne. Il fut Ecoutete de Bréda, en 1558 , & épousa Barbe , fille de Martin de Mol, Seigneur du Tingen, grand Fauconnier du Roi,& d'Anne Van Olmen. Ils etoient morts tous les deux en 1607. Leurs enfans furent : — 1. ClauDe , qui fuit ;— 2. Philippe , Chanoine régulier & Proviseur de l'Abbaye de Sainte-Gertrude à Louvain, en 1587, mort en 1648 ;— 2. Jean-batiste , Capitaine au Régiment de la Bourlote , mort en France ; — 4. FranÇois , Doyen de l'Eglise Cathédrale de Saint-Martin d'Ypres, & Chapelain de l'Oratoire de la Sérénissime Infante Isabelle ; — 5. Anne, mariée à Abraham Joung, Ecuyer , Capitaine d'une Compagnie d'Ecossois, au service de Sa Majesté Polonoise; — 6. Barbe , époufe de Jean de Fourneau, Seigneur de Gruyckembourg, Wambeck , Lombeeck , &. Bourguemestre de Bruxelles, en 1536 ; — 7. Adrienne, mariée, en 1614, Jacques de Boubaix, Chevalier, Seigneur d'Awaing ; — 8. & Marie, alliée, à Bruxelles, vers l'an 1590, avec Edouard le Fortuné, Margrave de Bade - Bade , mort le 8 Juin 1600 , d'une chûte qu'il fit du haut d'un escalier à Bruxelles, le jour des noces de son Secrétaire. Elle en eut quatre enfans , trois fils & une fille, que le Margrave de Bade-Dourlac, prétendit exclure de la succession au haut Margraviat, sous prétexte qu'ils etoient issus d'un mariage inégal, ou même bâtards. Cet important & fameux procès ne fut jugé par le Conseil Aulique , que le 26 Août 1622, en faveur des enfans d'Edouard & de Marie. Voyez le Mercure de France , Tome Vlll, page 314. Marie décéda le 21 Avril 1636, & fut enterrée à côté de son, époux, à Engelpfort, Couvent des Prémoritrés, dans le Comté de Spanheim , où fon épitaphe subsiste encore aujourd'hui.
IX. Claude Vander-eycken, fut Echevin de Bruxelles, en 1620, Bourguemestre en 1639 , 1641 , 1646 8c 1647, & crée Chevalier le 18 Juin 1629. Il affilia le 12 Mats l622, aux obseques de l'Archiduc Albert , & fut du nombre des Magistrats de Bruxelles , qui aidèrent à soutenir le dais au-dessus du corps de l'Archiduc , & Guillaume , Margrave de Bade , son neveu, se trouva aux mêmes obseques , & porta , avec le Duc d'Aumale , le Comte d’Egmond & le Marquis de Marnay-Gorvoux les coins du Poêle , qui couvroit le corps du désunt Archiduc. Claude Vander-eycken épousa , en 1616 , Julienne Vander Beecken, fille de Messire Josse, & d’Anne de Hainin , dont — 1. Jean- Antoine , qui fuit ; — 2. & 3. AnneMarie-lucrEce & Barbe , qui ont vécu dévotes , & sans alliance ; — — 4. & 5 Marie- FranÇoise, née le 7 Juillet 1627 , mariée, 1°. à Philippe Vander-Linden , Seigneur de Marnes & de Seraing , grand Forestier de Brabant , crée Baron de Hooghevorst, en 1663 :fa postérité subsiste; & 2° avec Messire Jean de Wissekerke , Baron de Pellenberch.
Claude Vander - Eycken ne se trouve plus après 1647, ni dans les fastes des Magistrats de Bruxelles , ni dans ceux du lignage de T'Serroelofs : Julienne Vander Beecken est appellée fa veuve, en 1637.
X. Jean- Antoine Vander- Eycken , Chevalier , Seigneur de Hooghevorst & de Nederlo , obtint la survivance d'Ecoutete d'Anvers , & de Margrave du pays du Ryen , pour succéder à Nicolas Van-Varicke , par Lettres-Patentes du 1 Septembre 1649 , enregistrées à la Chambre des Comptes. Il en prit possession le 17 Août 1658. Il étoit encore au Collège quand il obtint cette belle place, dit-on , par le crédit du Duc Charles De Lorraine , qui vivoit à Bruxelles depuis plussieurs années. Le Roy , dans sa Notitia Marchionatus Imperii , page 90 , qui donne toutes les armoiries des Margraves d'Anvers , depuis 1130, jusqu'en 1678 , y place celles de ce Jean-antoine Vander-eycken , les troisiemes avant les dernières. Il épousa le 21 Avril 1671 Hélène-Marie Vande- Werve , fille de Godefroy , Capitaine de Cavalerie , & de Digna Vanhove , Dame de Berendreght , la même année qu'il fut nommé par le Confeil Souverain de Brabant , Commissaire , pour terminer à l'amiable quelques différends qui s'étoient élevés entre ce Conseil & l'Etat de Liège , par rapport à de certains péages. Il s'acquitta de cette commiffion au grand contentement des deux partis. Une mort prématurée l'enleva en 1673 , & il laissa un enfant au berceau appelle Charles-pierre, qui fuit.
XI. Charles-pierre Vander-eycken, né le 12 Février 1673, ayant perdu son père au berceau, & fa mère avant qu'il eût atteint l'âge de 20 ans, s'attacha entierement à Maximilien - Antoine - Emmanuel , Electeur de Bavière , qui devint Gouverneur héréditaire des Pays-Bas Catholiques en 1691. Ce Prince le recommanda à son frère Jofeph-Clément , Electeur de Cologne & Evêque de Liège , qui lui donna une Compagnie dans ses Troupes : en 1714 il en fut fait Colonel, & le 30 Mai 1707 , il obtint la place de Gouverneur des ville & Château de Dinant. Les Lettres-Patentes expédiées à cet effet sont mention des services rendus à la Principauté de Liège par Jean-antoine Vander-eycken , Ecoutete d'Anvers , son père. Il épousa, 1. en 1698 , Hélène Van-Eyck , fille de Goyart , Seigneur de Blathem , dans la Mairie de Bois-le-Duc. Ce Goyart te trouvant le dernier de fa branche par la mort de fes fils , fit donation entre-vifs de la Terre de Caitenne , à son gendre Charles-pierre Vander-Eycken , à condition qu'il prendroit le nom & les armes de Van-Eyck. Cet acte fut passée le 27 Avril 1699, & Charles-pierre en obtint la ratification le 15 Mai de la même année. C'est depuis ce tems & en vertu de cet acte qu'il a joint à ses nom & armes, le nom & les armes de Van-Eyck ; deforte qu'il eft appelle' dans fes titres Charles -pierre Vander-eycken , dit VAN EYCK.
On a vu au commencement de ce Mémoire généalogique , que la Famille des Van-eyck est très-ancienne , & est entrée dans tous les Chapitres nobles. Elle s'est éteinte en 1747 , par la mort de Floris Van-Eyck , issu d'une Branche cadette de ce Goyart,
Quoique Charles-pierre se soit servi dans la pluspart de ces actes des noms de vander-Eycken & de Van-Eyck , le dernier a cependant prévalu , & son fils , qui sera rapporté ci-après, n'en a plus porté d'autre. La différence est légère & la descendance de la Famille de Vander-Eycken est d'ailleurs constatée par des documeus authentiques.
Charles-pierre, épousa en sécondes noces à Namur , le 29 Juin 1706, Claire Humbtine d'Hinstin , née le 21 Décembre 1680, fille de Jean-Jacques , Chevalier, Seigneur de Flawines , Conseiller, Receveur-général des Domaines dans le Comté de Namur, & de Marie-Hélène de Lambilion, il est mort le 27 Mai 1719 , & fon épouse, le 29 Mars 1745. Ils sont enterrés dans l'Eglise Collégiale de là ville de Dinant, vis-à-vis la grande porte du Chœur. Il y a fondé , pour le repos de son ame , une Messe qui le célèbre tous les ans, le 27 Mai. Il a eu de son premier mariage : — 1. Armand-henri, né le 17 Juin 1710, Capitaine des Carabiniers Royaux au service d'Espagne, vivant en 1773 ; — 2. Maximilien-EmmanuelFranÇois , qui fuit ; — 3. & Joseph-franÇois-marie , né le 12. Janvier 1715 , mort Prêtre le 12 Mars 1736.
XII. MAximilien-emmanuel-franÇois Van-eyck , né le 19 Septembre 1711, a passé sa jeunesse au service d'Espagne , d'où il s'est retiré avec brevet de Colonel, en 1743. De retour dans son pays, il a suivi l'exemple de son père, & s'est attaché à la Maison de Bavière. Feu Jean - ThÉodore , Cardinal, Evêque de Liège, Freissingue & Ratiibonne, fils de Maximilien-emmanuel , Electeur de Bavière , dont on a parlé ci-desus , le fit son Envoyé extraordinaire auprès de S. M. T. C. son Ministre d'Etat & de conférence, le 26 Juillet 1755 , & son grand Chambellan le 14 Août 1759. L'Electeur regnant de Bavière, Maximilien-Joseph , l'a nommé fon Envoyé extraordinaire à la Cour de France, où il réfide encore en cette qualité , en 1773,& le 16 Octobre 1761, l'a créé son Confeisser intime actuel. Le feu Empereur FranÇois I, le 14 Novembre 1759, lui a accordé le titre & les honneurs & prérogatives de Comte de Saint-Empire, & feu Auguste III, Roi de Pologne, l'a décoré de l'Ordre de l'Aigle-Blanc, en 1762.
Il est appelle par inflexion de la Langue Françoise le Comte d'eicken. Il a épouse, 1°. le 19 Novembre 1761, Marie-Anne-Félicité, Comtesse d'Arco , fille de Georges , Comte d'Arco , Chambellan & Conseiller d'Etat actuel de LL. MM. II. & RR. & de Josephe, née Comtesse de Hardegg. Cette première femme est morte le 6 Février 1764 , & a laissé une fille , décédée peu après fa naissànce. Le Comte d'Eyck a épouse en séconde noces, le 1 Octobre 1764, à Freissingue Jeanne-Anne-Josephine-Antoinette - Marie , Comtesse de Koenigsfeld, née le 8 Novembre 1744, fille de Georges Pancrace , Comte de Koenigsfeld , Chambellan & Confeisser intime de Sa Majesté Impériale , & de Son Altesse Electorale de Bavière, Commandeur de l'Ordre de Saint Georges, Se grand Bailli de Massenhausen , & de Marie-Antoinette , née Comtesse de Gravenecg. De ce mariage font nés — 1. Maximilien-JoSeph-marie-anne, né le 15 Juin 1766 , mort le 19 Avril 1768 ; — 2. Marie-Anne-Josephine-antoinette-ursule , née le 16 Août 1765 ; — 3.& AdÉlaidE-Marie-clÉmentine, née le 8 Septembre 1768.
Les armes : écartelé au 1 & 4 d'argent à 3 demi-pals de sable issans du chef ; au 2 & 3 d'azur, à 3 molettes d'Eperon d'or, posées 2 & 1; & sur le tout, de sinople , au chef d'argent, chargé de 3 macles de sable; supports, deux lions d'or léopardés ; & pour cimier , une couronne de Comte, surmontée de 3 casques, celui du milieu posé de front, & les deux autres affrontés , chargés, chacun, d'une couronne d'or à 3 fleurons ; celle du premier casque sommée d'un demi-vol fénestre d'argent, chargé au bout de 3 demi-pals de sable ; la séconde d'une aigle de sable , aux ailes étendues , béquce & membrée de même , les pieds appuyés sur les premier & dernier fleurons ; & la. troisieme d'un demi-vol dextre d'azur , chargé de 3 molettes d'Eperon d'or 2 & 1. Les casques ornés de Lambrequins aux émaux des écus