De Hollandse politieke geschiedenis van de eerste helft van de zestiende eeuw is redelijk goed gedocumenteerd. Er was sprake van een drukke correspondentie tussen voornamelijk president van het Hof van Holland Gerrit van Assendelft en de landvoogdes en stadhouder in Brussel. Het is een van die toevalligheden van de geschiedenis dat juist omdat Den Haag redelijk ver verwijderd lag van Brussel en omdat stadhouder Anton van Lalaing daar ook nog eens vaak verbleef, er deze geschreven overblijfselen zijn. Deze rijke correspondentie plaatst de historicus echter ook voor een probleem. Door alleen door de ogen van Van Assendelft naar de geschiedenis te kijken wordt het beeld ongewenst vertekend. Zijn correspondentie wordt mede bepaald door zijn visie op zijn vijanden, vrienden, verwanten en persoonlijke belangen. Verschillende meningen en visies zijn er weinig overgeleverd en wanneer die wel voorhanden zijn, bijvoorbeeld toen Van Assendelft werd beschuldigd van corruptie, ketterij en vriendjespolitiek, is het vaak moeilijk voor de historicus om af te wegen wie er nu 'gelijk' heeft. Iedere academische opleiding geschiedenis traint haar studenten dan ook zo goed mogelijk in een gedegen bronkritiek. Daarnaast probeert een historicus zijn materiaal zo objectief mogelijk te lezen. Iedereen wordt echter gevormd door zijn eigen tijd, plaats en omgeving of ontwikkelt sympathieën/antipathieën voor het onderzoeksobject.
Voor zover niets nieuws. Een goede historicus zal altijd zijn/haar bronnen kritisch bekijken en zich er van bewust zijn dat perspectieven, ook die van hem/haarzelf, veranderen. Wat minder voor de hand lijkt te liggen, maar waar men zich gelukkig steeds meer van bewust is, is dat ook tools voor digitaal historisch onderzoek zelden ‘objectief’ zijn. Het lijkt voor de hand te liggen dat een machine, als een emotieloos object, niet geleid kan worden door emoties en vooroordelen. Helaas zijn de meeste machines juist doordrenkt van vooroordelen, aannames en preconcepties, omdat de maker van de machine die er in heeft gestopt.[1]
Net als de historicus verzamelt een tool data en komt op basis daarvan tot een synthese/antwoord/visualisatie. .Als een tool altijd kiest voor een bepaalde waarschijnlijkheid, bijvoorbeeld dat iedereen zonder een exact vermelde geboortedatum leefde voor de twintigste eeuw, dan kan dat een nuttige filter zijn voor de ene onderzoeksvraag, maar grote en ongewenste repercussies hebben voor een andere.
Dit besef heeft de nodige consequenties: iedere tool die een historicus gebruikt zou moeten worden doorgelicht en bekritiseerd als een collega historicus, of zelfs als een (soms erg slordige) co-auteur. Het probleem daarbij is echter dat dat niet alleen betekent dat alle gemaakte keuzes bij het vervaardigen van een tool verantwoord moeten zijn, maar dat idealiter ook de complexe algoritmes die aan een tool ten grondslag liggen doorgrond moeten kunnen worden. Er zijn weinig historici die dat technische niveau in zijn mars hebben.
De vraag is nu wat er gedaan kan worden om dat gat tussen historicus en techniek te overbruggen. [2] Het meest simpele antwoord is natuurlijk dat de historicus ook computerwetenschapper moet worden (of andersom). Hoewel er hopelijk in de toekomst meer van dergelijke hybride figuren zullen komen dan nu, zullen er niet binnen afzienbare tijd honderden van rondlopen. Misschien is dat ook niet nodig. Historici waren altijd al amateurs op andere gebieden. Terwijl dat van oudsher gebieden zijn als rechten, oude talen, geografie, archiefwetenschap, kunstgeschiedenis, psychologie, codicologie en sociologie, zou daar simpelweg computer science bij moeten komen. In feite is enige kennis van computer science dan niet anders dan al die andere wetenschappen die nodig zijn om de beschikbare historische feiten (de data) te interpreteren.
De vraag blijft dan wat precies die basiskennis zou moeten inhouden, om op verantwoorde wijze met digitale tools om te gaan. Aangezien digital humanities nog een gebied in opkomst is, is dit een vraag die nog vele antwoorden kent, zoals te merken is bij praktisch iedere discussie over digital humanities in het onderwijs. Geschiedenis als vak heeft altijd al, met het verschuiven van accenten, een opkomst en neergang gehad van kennis van (hulp)wetenschappen. De historicus van honderd jaar geleden zal immers ook niet hebben kunnen voorspellen dat statistiek nu een algemeen aanvaarde hulpwetenschap is en dat Latijn juist uit vele curricula geschrapt is.
Wat in de huidige omstandigheden denk ik noodzakelijke en (voorlopig) voldoende voorwaarden zijn voor een verantwoorde omgang met digitale tools is dat de historicus 1) de beschikking heeft over een uitgebreide verantwoording van de gemaakte keuzes van de computer scientist; 2) Begrijpt hoe de computer scientist te werk gaat en waarom hij/zij bepaalde keuzes heeft moeten maken. Of met andere woorden: we moeten de taal van de computer scientist tot zekere hoogte passief beheersen. Dat is meteen ook de mate waarin veel historici andere (hulp)wetenschappen beheersen. Ik lees middelfrans, heb een basiskennis van het werk van socioloog Bourdieu en weet wat de rechtstermen betekenen in middeleeuwse vonnissen. Ik zou daarentegen niet middelfrans kunnen spreken, heb geen enkele sociologische basis om het werk van Bourdieu te bekritiseren en heb geen flauw idee wanneer een middeleeuws vonnis niet in lijn is met de manier waarop in die tijd het canoniek Recht werd toegepast.
Om te begrijpen hoe een tool werkt zou de historicus bijvoorbeeld niet in staat hoeven zijn om een tekst om te zetten naar linked data, maar wel moeten weten hoe dat proces ongeveer gaat en wat RDF triples zijn. Dit vergt een cultuuromslag, waarbij tools niet benaderd worden als gebruiksvoorwerpen (al zit dat wel in de naam), maar als de resultaten van een (hulp)wetenschap, die kritisch moeten worden benaderd voordat je ze gebruikt. Op dezelfde manier zijn er bijvoorbeeld ook voor- en tegenstanders van het toepassen van de ideeën van Bourdieu op historische processen.
Vaak gaan historici nog enkel uit van de vraag hoe een tool hen kan helpen voor het beantwoorden van hun vragen.Ze zijn minder geïnteresseerd in de totstandkoming van de tool, en wat computerwetenschappers moeten weten om zo’n tool te maken. Zonder die kennis kan er echter geen sprake zijn van een gedegen toolkritiek, die in de toekomst een steeds belangrijker rol zal gaan spelen naast de vertrouwde bronkritiek.
=======
[1] Het belangrijke artikel van B. Rieder, en T. Röhle gaat hier diep op in, in 'Digital methods: Five challenges' .in: D. M. Berry ed., Understanding Digital Humanities (2012) 67–84
[2] Zie bijvoorbeeld ook het discussiedossier gecentreerd rond de stellingnames van UvA hoogleraar computationele en digitale geesteswetenschappen Rens Bod in BMGN 4 2014.