Gemengde teams: samenwerking in Digital Humanities
Digital Humanities is een ‘vakgebied’ waarin historici veel samenwerken met onderzoekers uit andere richtingen. Gelukkig is samenwerken en over de grenzen van het eigen vakgebied kijken iets wat historici al van oudsher doen. Historici shoppen naar harte lust bij (werk van) collega’s van rechten, sociologie, psychologie, taalwetenschappers, economie, politicologie, et cetera. Doorgaans kijken historici echter in de keuken van andere alfa of gamma wetenschappers. De vakgebieden liggen dan dicht genoeg bij elkaar om de ander zonder al teveel problemen te begrijpen. Bij Digital Humanities onderzoek moeten historici echter vaak niet alleen kijken in de keuken van hardcore beta computerwetenschappers, maar ook soms voor zich laten koken. Er zijn weinig historici die zelfs maar de basisbeginselen van programmeren onder de knie hebben, nog minder die zelfstandig geavanceerde dingen bouwen en vrijwel geen die net zo goed kunnen programmeren als computerwetenschappers. Het gaat bovendien zeker niet alleen om programmeren, maar ook om modelleren, linken en visualiseren. Dat maakt de samenwerking anders, en, gecompliceerder.
Historici hebben een fundamenteel andere werkwijze, denkwijze en publicatiewijze dan computerwetenschappers. Bijna alsof ze van een andere planeet komen. Dat is allemaal niet erg, het kan denk ik zelfs inspirerend werken, maar dat is wel iets om goed rekening mee te houden bij ieder onderzoek. In een Star Trek Deep Space 9 aflevering uit de jaren ‘90 doet zich een situatie voor waarin de crew van Sterreschip Defiant gedwongen wordt om samen te werken met de Jem'Hadar tegen een gemeenschappelijke vijand. Heel soepel verloopt deze samenwerking aanvankelijk niet. De Defiant crew en de Jem’Hadar werken aan hetzelfde probleem, maar in gescheiden teams. Op het moment dat er iets mis gaat, zijn de beschuldigingen over en weer snel gemaakt. Als captain Sisko geïrriteerd tegen de Jem'Hadar leider zegt dat het niet helpt dat diens soldaten continu minachting tonen voor zijn bemanning spreekt de Jem'Hadar wijze woorden:
“The only way my troops can come to respect your crew is to fight alongside them. Mixed teams in every aspect of the mission.”
Toen dit idee van gemengde teams in de praktijk werd gebracht bleek dat de Jem'Hadar nog meer wijsheid in petto hadden toen science officer Jadzia Dax een van hen aansprak op zijn gedrag:
“Am I really that interesting? You've been standing there staring at me for the last two hours.”
De Jem'Hadar antwoordde met: “You are part of my combat team. I must learn to understand your behaviour"
Hiermee zijn meteen de belangrijkste elementen aan de orde gekomen die belangrijk zijn bij een samenwerking in de Digital Humanities, met verschillende disciplines vertegenwoordigd:
1. Onwaarschijnlijke samenwerking komt er vanzelf als er maar een gemeenschappelijk doel is.
2. Er is wederzijds respect en begrip nodig om succesvol samen te werken.
3. Samenwerken betekent met elkaar werken, niet naast elkaar werken.
4. Ja, het is interessant wat iemand uit je team doet en het is de moeite waard dat te bestuderen (hoewel het wellicht iets minder op andermans zenuwen werkt als je dat niet doet door twee uur naar iemand te staren).
5. Het is van belang om elkaar te begrijpen, elkaars taal en gebruiken te leren. Hoewel geesteswetenschappers en computer wetenschappers biologisch gezien nauwer aan elkaar verwant zijn dan de crew van de Defiant en de Jem'Hadar, kan het bij aanvang nog steeds lijken alsof ze van een andere planeet komen, andere gebruiken hebben en anders praten.
Zijn er dan daadwerkelijk zoveel verschillen tussen de wetenschappelijke disciplines, behalve dan de voor de hand liggende zaken als een computer scientist die doorgaans van huis uit weinig benul heeft van historische bronnenkritiek en een historicus wiens hersenen op tilt slaan zodra men het heeft over RDF en ontologies? Is de wetenschappelijke aanpak om zo dicht mogelijk tot de 'waarheid' te komen niet iets wat alle academici verbindt? Wellicht wel, maar toch zijn er genoeg verschillen die een samenwerking even wennen maken.
In de eerste plaats is er het gegeven van de zelfgecentreerde alfawetenschapper. Historici en hun letterenbroeders- en zusters publiceren doorgaans alleen of hooguit met twee of drie personen. Ze menen zelfs vaak een bepaald onderwerp te kunnen 'claimen' en het is de nachtmerrie van velen onder hen dat er iemand stiekem bezig is met hetzelfde onderwerp. Mensen die op een of andere manier hebben bijgedragen aan de totstandkoming van een boek of artikel worden genoemd in een voetnoot of een voorwoord. Het schrijven is een fundamenteel onderdeel van de publicatie. De synthese op basis van het gepresenteerde, geanalyseerde en geïnterpreteerde materiaal toont de historicus niet alleen als een wetenschapper, maar ook als een creatieve kunstenaar die zijn vak verstaat.
Heel anders gaat het er aan toe in de computer science, maar deze praktijk sluit veel beter aan bij samenwerking in een digital humanities context. Bij computer science werkt men in teams en publiceert ook als zodanig. Het is niet zeldzaam dat er drie, zes of tien auteurs op een paper staan. In de praktijk betekent dat niet dat alle auteurs ook daadwerkelijk hebben meegeschreven of de paper zelfs maar gelezen hebben. Doorgaans schrijven slechts een, twee of drie mensen het paper, heeft de rest meegedacht, suggesties gegeven of anderszins een kleine bijdrage aan het onderzoek geleverd. Het schrijven moet zo strak mogelijk, to the point en binnen de bestaande conventies. Er is niet of nauwelijks ruimte voor mooi schrijven, zeker niet voor jonge academici die zich nog moeten bewijzen in het veld.
Dan is er ook nog het verschil in de soort publicaties die vanuit Letteren en de Bètawetenschappen de wereld in worden gestuurd. Bij Letteren heb je een scala aan tijdschriften van een A, B of C signatuur. Tegenwoordig tellen voor de academische output eigenlijk vrijwel alleen de A tijdschriften mee, waarin peer review plaatsvindt. De peer review kan een proces zijn van enkele maanden, maar met een beetje pech duurt het een half jaar of zelfs een jaar voordat een artikel wordt geaccepteerd of afgewezen. De B-tijdschriften zijn de nog steeds tamelijk serieuze tijdschriften of gelegenheidsbundels met een vaste, academische redactie, terwijl de C-tijdschriften vooral de gezellige lokale Heemkundige uitgaven betreffen.
Bij computer science is er ook een statusverschil in de publicaties, maar wordt dit niet (alleen) uitgevochten in tijdschriften. Veelal worden publicaties direct verbonden aan conferenties waarop onderzoek gepresenteerd wordt. Publicaties verbonden aan sommige conferenties hebben ook een A status, met een lage ‘acceptation rate’. Je hebt demo's, poster presentations, proceedings van workshops et cetera. In tegenstelling tot letterenpublicaties van een lagere status worden vrijwel al deze bijdragen beoordeeld in een peer review proces. Die peer review is verbonden aan een strikt tijdschema, samenhangend met de data van de conferentie waarvoor het werk wordt ingediend. Het is ook veel gebruikelijker om work-in-progress te publiceren, waardoor publicaties sneller het licht zien, maar ook sneller weer achterhaald worden door (eigen) nieuw werk.De resultaten van een conferentie worden vervolgens online gepubliceerd. De bèta's kennen overigens wel tijdschriften met een vergelijkbaar proces als bij Letteren. Doorgaans worden journal papers het hoogst aangeslagen.
Omdat samenwerking in digital humanities projecten in het verleden nogal een wisselend succes heeft gehad, bestaat er zelfs de nodige literatuur over samenwerking in een digital humanities context, zoals bijvoorbeeld het artikel van Lynne Siemens met als veelzeggende titel:‘It’s a team if you use “reply all”’: An exploration of research teams in digital humanities environments’. [1] Op basis van een tamelijk magere survey onder (12) mensen in digital humanities projecten wijst zij onder meer op de volgende punten die van belang zijn voor het slagen van een project: gezamenlijke doelen, alle disciplines evenredig vertegenwoordigd, gedwongen reflectie op samenwerking, training in teamwerk en technische vaardigheden om elkaar en elkaars werk te leren begrijpen, genoeg real life communicatie over en weer.
Bij dat laatste punt is van belang dat de samenwerking bevorderd wordt door onderzoekers daadwerkelijk een fysiek gedeelde werkruimte te geven. In veel projecten doet iedereen zijn eigen ding en komt om de zoveel tijd bij elkaar. Hiermee wordt echter het creatieve element in het scheppingsproces tekort gedaan. Net zoals voor de individuele onderzoeker de beste ideeën vaak op de fiets of onder de douche komen, vindt de beste uitwisseling in een team plaats op ongeplande momenten. Dus bij de koffie, als iemand een keer spontaan een balletje opgooit of als verheldering van een standpunt van een van de teamgenoten leidt tot onverwachte inspiratie bij een van de andere teamleden.
Ook de (min of meer) evenredige vertegenwoordiging van alle disciplines is van groot belang. Samenwerking gedijt niet als de historicus een keer per week een beroep kan doen op de computer scientist om iets te vragen of te laten ontwikkelen, of als de computer scientist prachtige dingen bouwt, maar slechts af en toe de input van de historicus kan krijgen om te weten of hij daar wel iets mee kan. Alleen met een gelijkwaardige input kan er ook sprake van zijn dat iedereen zich verbonden voelt aan dezelfde doelen en output.
Tot slot is interesse voor elkaars vakgebieden, zelfs al is het op een lekenniveau, belangrijk voor de samenwerking. Zoals de Jem'Hadar al zei, is dat nodig '[to] learn to understand your behaviour'. In de praktijk betekent dat niet dat de historicus een kei moet worden in programmeren, of dat de computer scientist zestiende eeuwse handschriften moet kunnen ontcijferen, maar wel dat ze van elkaar weten hoe hun onderzoek er ongeveer uitziet en wat daar allemaal bij komt kijken. Enige bijscholing, met cursussen of door van elkaar te leren, kan daarvoor noodzakelijk zijn.
In de praktijk zal een dergelijke samenwerking niet altijd mogelijk zijn. Veel digital humanities projecten bestaan uit samenwerkingsverbanden tussen meerdere instellingen of zijn zelfs internationaal, waardoor het logistiek onmogelijk is iedereen in dezelfde kamer te plaatsen. De nodige reflectie over hoe samenwerking het beste tot stand kan komen onder de gegeven omstandigheden is echter iets waar projectleiders zich vanaf het begin van het schrijven van een aanvraag mee bezig zouden moeten houden om de kans op een succesvol digital humanities project te vergroten.
====================
[1] L. Siemens, ‘It’s a team if you use “reply all”’: An exploration of research teams in digital humanities environments’, Literary and Linguistic Computing 24 [nr. 2 (2009) 225-233. Zie ook de vergelijkbare reflecties van Patrik Svensson, 'Envisioning the Digital Humanities', Digital Humanities Quarterly 6 (2012) vol.1, part III.