Dit oude versje vertelt dat Amsterdam gebouwd is op palen. In het filmpje kun je zien waarom.
Op het eerste gezicht lijkt het klinkklare onzin; wie in Amsterdam door het centrum loopt, ziet geen paalwoningen boven zich uittorenen. De grachtenpanden, De Bijenkorf, het Paleis op de Dam: ze staan allemaal stevig op de grond. En toch slaat het liedje de spijker op zijn kop, want zonder palen had heel Amsterdam niet kunnen bestaan. De palen bevinden zich alleen niet boven, maar onder de grond. In de bovenste twintig meter van de Amsterdamse bodem verrijst een compleet oerwoud van houten en betonnen heipalen.
Onder het Paleis op de Dam (gebouwd in 1648 als stadhuis) zitten maar liefst 13659 houten heipalen. Elke Amsterdamse aannemer kent dit getal uit zijn hoofd. Een ezelsbruggetje? De dagen van het jaar met een 1 ervoor en een 9 erachter.
(Inmiddels zijn het er twee minder, omdat ze die hebben weggehaald om te kijken of de heipalen nog in orde waren. Dat waren ze gelukkig...)
Van omvallen zal niet direct sprake zijn, maar van verzakken des te meer. De ondergrond van Amsterdam is namelijk opvallend slap: op de plek van de hoofdstad lag vroeger een veenmoeras, met als gevolg dat de bodem nu grotendeels bestaat uit natuurlijke prut met plantenwortels erin. Wanneer er water uit dat veenpakket weg sijpelt, zakt de grond in met als gevolg dat bovenliggende gebouwen gaan verzakken. Gekkenwerk, om op zo’n drilpudding een complete stad te bouwen, vinden geologen tegenwoordig. Maar ja, de stad staat er en dat is te danken aan twee zandlagen die onder het veen liggen. Het zijn de zandlagen waar bouwers hun heipalen in verankeren. De diepste zandlaag is het betrouwbaarst en dus slaat men al gauw palen van zo’n 20 meter de Amsterdamse bodem in. Dat gebeurt volgens de ouderwetse heimethode: een stalen heiblok van zo’n 1500 kilo wordt door een lier vliegensvlug op en neer getild binnen een stalen buis; bij elke klap wordt de onderliggende paal iets verder de grond in geramd. Het heiblok fungeert in feite als een automatisch aangedreven hamer.
Vroeger bestonden alle heipalen uit hout. Nadeel is dat houten palen ten prooi kunnen vallen aan bacteriën (zogenaamde palenpest) en gaan rotten als ze met zuurstof in contact komen. Dat laatste gebeurt wanneer het grondwaterpeil daalt (bijvoorbeeld door droogte) en de palen droog komen te staan. Als er vandaag de dag nog houten palen gebruikt worden, dan gaat het vaak om stevig vurenhout, afkomstig van sparren. Meestal bestaan heipalen tegenwoordig uit stalen buizen, die van tevoren of ter plekke worden gevuld met een mengsel van wapening en beton.
Uit: http://www.kennislink.nl/publicaties/drilpudding-amsterdam
Experiment bij Amsterdam, die grote stad
De Toren van Pisa staat scheef omdat het werd gebouwd op zeer onstabiele grond vlakbij een rivier. Ook in Amsterdam was de grond niet stabiel. Gelukkig waren de Amsterdammers zo slim om palen als fundering te gebruiken.
Maar wat voor soort bodem is eigenlijk het beste om op te bouwen? Maak je eigen bodemmengsel en kijk hoe goed die bodem een baksteen ondersteunt.
Werkwijze
1. Je doel is om een bodemmengsel te vinden dat het beste een baksteen zal ondersteunen. Dat kun je zien aan de afdruk die de steen maakt in je bodemmengsel.
2. Schrijf duidelijk op wat er in je bodemmengsel zit en hoe de afdruk van de steen is.
3. Als je bodemmengsel klaar is, zet je de baksteen rechtop in het midden van het mengsel. Probeer niet om de stenen naar beneden te duwen in de bodem.
4. Laat de baksteen een nacht in de grond staan. De volgende dag verwijder je voorzichtig de baksteen en meet je de afdruk die is
achtergelaten. Noteer de diepte.
5. Aan de hand van de resultaten van je eerste mengsel maak je een tweede mengsel waarvan je denkt dat dat een betere ondersteuning aan de baksteen geeft. Laat weer een nacht staan en meet de resultaten.
Bij het maken van je mengsel moet je rekening houden met:
elke grondsoort. Kijk steeds naar: Is het fijn of grof? Beschrijf en noteer de kenmerken van elk type.
hoe de verschillende grondsoorten kunnen samenwerken. Hoe veranderen de bodemtypen als je ze gaat mengen? Experimenteer met kleine hoeveelheden en kijk hoe de eigenschappen van de bodem veranderen. Noteer de resultaten.
hoe goed je gaat mengen. Wil je de bodem laag voor laag opbouwen of meng je alles goed door elkaar? Bedenk welke combinatie de sterkste basis voor je baksteen zou kunnen zijn en waarom.
Vragen
Schrijf je antwoorden op een apart vel papier.
1. Wat heb je geleerd?
2. Wat was het verschil tussen je eerste en tweede bodemmengsel? Leg uit wat de redenen waren voor eventuele wijzigingen die je hebt gemaakt.
3. Als je het experiment nog eens zou herhalen, wat zou je aan je mengsel veranderen?