De Belgische pianist Christian Klinkenberg componeerde een nieuw werk dat volledig past in zijn studie rond micro tonale muziek, jazz en improvisatie en uiteindelijk ook deel uitmaakte van zijn Doctoraat in de Kunsten aan het Koninklijk Conservatorium van Brussel. De concerten hadden eind vorig jaar plaats, nu is er ook de opname.
De man is niet aan zijn proefstuk toe. Dit is zijn tweede opera en in het verleden schreef hij eveneens muziek voor ballet, muziektheater, musical en zijn eigen Christian Klinkenberg Orchestra. Deze keer gaat het om een samenwerking met kunstschilder Marc Kirschnvink die niet minder dan honderdnegentien grafische ontwerpen maakte die de (video)partituur vormen. De pool van muzikanten is een internationaal gezelschap waarvan iedereen vertrouwd is met dergelijke aanpak. In niet minder dan vijfendertig hoofdstukjes verdeeld over zevenenzeventig minuten stelt Klinkenberg zijn opera voor. Geen traditionele drie bedrijven met enkele aria’s dus maar een persoonlijke kijk op het genre aan de hand van zeer aparte toonstelsels en metrische modulaties uitgevoerd met speciaal ontworpen instrumenten! Een sticker met de vermelding “explicit experimental opera” zou geen overbodige luxe zijn.
De twee minuten van de proloog zijn al meteen volgestouwd met de meest bizarre korte fragmenten. Alsof je hopeloos op zoek bent naar een welbepaalde radiozender. Een aantal geluidsflarden lijkt daarbij te verwijzen naar het interbellum en het tijdperk van ‘The Great Gatsby’. Verontrustend zijn wel de parlando stukjes die op propagandataal lijken en gekoppeld werden aan marsmuziek.
De collagestijl is de rode draad doorheen de hele opera. Er wordt van de hak op de tak gesprongen maar de flow blijft gehandhaafd. De cut-up techniek van William S. Burroughs ten volle uit maar dan toegepast in een operacontext. Een greep uit wat er zo allemaal de revue passeert: avant-garde jazz, Kurt Weill & Bertolt Brecht verwante-passages, jodelgezang, een freakende saxofoon, een progrock gitaarsolo, een knipoog naar zowel Stravinsky als de hedendaagse opera’s van Philip Boesman en Kris Defoort maar ook Bill Haley, Elvis, The Beatles en David Bowie maken hun opwachting. Onvermijdelijk moet je bij dit alles denken aan Frank Zappa.
‘Der Gletscher/Oper 2.0’ kan ervaren worden als een kubistische montage van auditieve puzzelstukken. Verwarrend? Helemaal niet, alleen vraagt het een welbepaalde inlevingsvorm om dit ten volle te doorgronden en te appreciëren. Wie recent nog Lucian Ban en Mat Maneri hun ‘George Enescu – Deconstructed’ top vond, moet hier zeker de nodige aandacht aan schenken.
© Georges Tonla Briquet
Microtonale muziek is een muzieksoort die zich baseert op alternatieve toonstelsels. De Belgische componist en multimediakunstenaar Christian Klinkenberg (Eupen, 1976) biedt met Der Gletscher – Opera 2.0 een verrijkende en spannende luisterervaring. Hij toont aan dat microtonaliteit veel nieuwe gebieden kan ontsluiten.
In de klassieke muziek komen microtonen veel vaker voor dan men zou vermoeden. Vibrato’s, glissandi, microtonale vocale versieringen, intonatie-variaties door strijkers, computergestuurde echo’s en toonverlengingen zijn veelvoorkomende toepassingen. Microtonaliteit wil zeggen dat het octaaf, dat traditioneel is opgebouwd uit de halve tonen tussen de 12 toetsen van het klavier, in oneindig veel partjes (24, 31, 43, 53 of meer stapjes) wordt ingedeeld. Dat kan natuurlijk niet op een gewone piano –die zou immers moeten worden herbouwd—maar wel op strijk- en blaasinstrumenten. Microtonale muziek is muziek die gebruik maakt van intervallen die kleiner zijn dan een halve toon. In de Westerse muziek werd dat beschouwd als revolutionair maar in de rest van de wereld was men dat allang gewend: klassieke muziek uit India, Turkije, Arabië en Perzië, gamelanmuziek uit Indonesië, xylofoonmuziek uit Afrika, Byzantijns liturgische muziek, vocale volksmuziek uit Midden- en Oost-Europa en de Kaukasus zijn daar een traditie.
De Amerikaanse componist Harry Partch (1901-1974) wordt beschouwd als de belangrijkste pionier in dit genre. Hij is niet zo bekend bij een groot publiek omdat zijn instrumentarium grondig vertimmerd moest worden om zijn muziek te laten horen. Dat kwam de verspreiding niet ten goede. En de noodzaak van een speciale muzieknotatie maakte popularisering nogmaals lastig. Andere componisten die zich aan microtonaliteit hebben gewijd zijn o.a. Edgard Varèse, Iannis Xenakis, György Ligeti, Luigi Nono, Pierre Boulez, Karlheinz Stockhausen, La Monte Young en Brian Ferneyhough. In de lage landen zijn dat bijvoorbeeld Eugène Ysaÿe, Henri Pousseur, Peter Schat, Jos Zwaanenburg en Roderik de Man.
Ook Christian Klinkenberg heeft enkele ingrepen moeten doen om zijn muziek speelbaar te maken. De compositie is geschreven door gebruik te maken van een grafische videopartituur die de musici uitnodigt een eigen invulling te geven, in combinatie met verschillende muziekstijlen en multimedia. De mogelijkheid tot improvisatie wordt min of meer een vereiste omdat Klinkenberg heeft gekozen voor verschillende toonstelsels, dat wil zeggen polymicrotonaliteit. Bij de tot nu toe zeven uitvoeringen heeft hij zich bovendien kunnen verzekeren van twee autoriteiten: Johnny Reinhard (fagot, blokfluit) en Philipp Gerschlauer die in staat is om uit zijn saxofoon 128 toonintervallen per octaaf te puren. Verder heeft Klinkenberg erop toegezien dat de verstelster en de zanger over een onberispelijke dictie beschikken. Helaas kunnen de teksten niet worden nagelezen, het libretto is noch bij de CD noch op de website beschikbaar.
Het verhaal gaat over de tweeling Max en Gabriel die een berg beklimmen om een gletsjer te bereiken. De twee hebben een totaal verschillend karakter. Gabriel is de decadentie zelve en laat zich geheel meeslepen door de grootsheid van de natuur. Max is wetenschapper en gespecialiseerd in glaciale fenomenen. Gabriel verongelukt onderweg en de opera vervolgt met de strijd die Max met zichzelf moet aangaan om de dood van zijn broer een plaats te kunnen geven.
De 35 tracks van het werk hebben een eigen persoonlijkheid en zijn geschreven met de 30-jarige tijdspanne van het verhaal in het achterhoofd. In Zeitreise wordt de luisteraar meegenomen in een wervelende collage van popmuziek uit het einde van de vorige eeuw. Toepassingen uit de huidige tijd zijn vooral te vinden in Grund waar de vocale stemmen vervormd zijn door bubbels en zowel vervreemdend als wanhopig overkomen. In Granit verdubbelt de computer de twee vocale stemmen en voegt er huiveringwekkende echo’s aan toe. Gabriel fällt laat zien dat microtonaliteit klassieke stukken van een nieuw verfje kan voorzien: een fraaie, soms swingende, samenspraak van hout- en koperblazers die elkaar omringen in een glijdend dalende toonladder. In Einsamkeit lijken de zanger en de blazers via korte glissandi in het niets weg te varen. Ook wordt de luisteraar een staalkaart van muziekstijlen geserveerd: onversneden blues in Betrachtete, Boedhistische gebedsmuziek in Max fällt en een stukje jodelkunst in Jubel. De opera eindigt filosofisch. Het slotstuk Im Kreise geschehen is een filosofisch betoog over het tijdsbegrip waarin het heden wordt voorgesteld als het snijpunt van verleden en toekomst. De ingetogenheid van fluit en viool geven de luisteraar gelegenheid om deze microtonale reis om de wereld nog even opnieuw te beleven.
Review BRF-TV by Hans Reul
Review Kulturmagazin O-Ton 30/10/2019 Aachener Zeitung
Seit dem Erfolg seiner ersten Oper "Das Kreuz der Verlobten" vor zwei Jahren sind Selbstbewusstsein, Experimentierfreude und Erfahrungsschatz des Eupener Komponisten Christian Klinkenberg mächtig angewachsen. Mit seinem zweiten Versuch, Der Gletscher, der jetzt im Eupener Kulturzentrum Alter Schlachthof mit großer Zustimmung des Premierenpublikums uraufgeführt wurde, präsentierte Klinkenberg eine musikalisch verfeinerte Klangfolie und ein Opernformat, in dem die angestrebte Verzahnung diverser multimedialer Elemente reibungslos gelingt.
Oper 2.0 nennt Klinkenberg das Format. Gemeint ist damit mehr als nur der kombinierte Einsatz von Musik, Bild, Text, Darstellung und Videokünsten. Wenn etwa der grafisch fixierte Notentext von einem bildenden Künstler wie Marc Kirschvink zu kunstvollen Bildern ausgeschmückt und auf die Kulisse projiziert wird, verzahnen sich Partitur und szenisches Geschehen auf einer höheren Ebene. Und wenn der Darsteller einer Hauptrolle nicht live, sondern ausschließlich per Videoeinblendung auftritt, leistet der von Ludwig Kuckartz realisierte Video-Einsatz mehr als nur visuelle Hilfsdienste.
Grafische Notationen erlauben den Musikern größere Freiheiten als traditionelle Praktiken. Freiheiten, die das von Bart Bouckaert geleitete, zwölfköpfige Ensemble unter dem inspirierenden Einfluss der Bilder möglichst kreativ ausfüllen sollen. Dafür hat Klinkenberg elf Genre-erfahrene Musiker aus ganz Europa und Amerika um sich versammelt, die sich mit Klinkenbergs ästhetischem Steckenpferd, der Mikrotonalität, bestens auskennen. Die geradezu mikroskopische Zersplitterung einer Oktave in weit mehr als die üblichen zwölf Halbtöne erfordert entsprechende Spezialisten und führt zu einem besonders filigranen, oft irrlichternd flackernden Klangbild, mit dem sich durch elektronische Verfremdungen und einen bis in Swing- und Rockbereiche reichenden Stilmix Stimmungen aller Art herstellen lassen.
Und an unterschiedlichen Stimmungen mangelt es Nicole Erbes Libretto und Inszenierung nicht. Weitaus handlungsärmer als ihre erste gemeinsame Arbeit mit Klinkenberg entpuppt sich Der Gletscher als ein 80-minütiger, erweiterter innerer Monolog des Bergfreundes Max, der seinen Bruder Gabriel während einer Gebirgstour verliert. Der Tod des Bruders lässt ihn nicht los, so dass er 30 Jahre später zu der tödlichen Gletscherspalte zurückkehrt, um seinen inneren Frieden zu finden. Der Versuch, den Leichnam zu bergen, wird von einem Berggeist durchkreuzt, dessen Funktion nicht ganz klar wird. Der nicht ungefährliche Berggeist zieht sich zurück, Max wird mit seinen zerrissenen Gefühlen allein gelassen, das Ende bleibt offen.
Die inneren Spannungen, mit denen Max zu kämpfen hat, inspirieren Klinkenberg zu den besten Teilen seiner farbigen und abwechslungsreichen Musik. Gesänge, die nicht einmal vor sentimentalen Einschüssen haltmachen und die der Bariton Jean Bermes mit vollem Stimm- und Körpereinsatz zum Ausdruck bringt.
Bermes verleiht auch seinem verunglückten Bruder Gabriel Stimme und Gesicht, wenn auch nur per vorproduzierter Videoeinblendung. Die stumme, etwas diffuse Rolle des Berggeists füllt Ilan Daneels mit seiner beeindruckenden Körpersprache geschmeidig und nachdrücklich aus.
Das alles inszeniert Nicole Erbe unter Mitarbeit von Louisa Leurs mit ruhiger, inspirierter Hand vor einer schlichten Gebirgskulisse, die zugleich als Projektionsfläche für diverse Videoeinblendungen dient. Mit großer Detailgenauigkeit stellt sie das innere Drama des überlebenden Bruders in den Fokus der Aufführung.
Rundum ein deutlicher Fortschritt Christian Klinkenbergs auf dem Weg zu einem neuen Opernformat. Das Publikum im vollbesetzten Alten Schlachthaus reagiert entsprechend begeistert.
Pedro Obiera