Antwoorden
Antwoorden
Op deze pagina vind je de antwoorden op de vragen en opdrachten uit iedere paragraaf.
Opdracht 1
In 22 minuten (1320 s) wordt de afstand tussen A1 en A2 afgelegd (zie afbeelding 2). Afstand A1 – A2 is twee maal de baanstraal R van de aarde. Gebruikmakend van s = vt levert 2R = 225 000 000 ∙ 1320. Hieruit volgt voor de baanstraal R = 1,49 ∙ 1011 m.
Opdracht 2
a Uit het toerental van 256 omw/s volgt dat het spiegeltje elk seconde draait over een hoek van 256 x 3600 = 921600 graden. Een hoek van 0,3700 graden komt daarmee overeen met een tijd van 0,3700/921600 = 4,01∙10-6 s.
b In die tijd van 4,01∙10-6 s legt het licht de afstand MP van 600 m twee maal af (heen en terug). Voor de lichtsnelheid volgt dan c = 1200/4,01∙10-6 = 2,99∙108 m/s.
Opdracht 3
Uit de formule c = λ·f volgt hoe kleiner de golflengte des te groter de frequentie. De grootste frequentie die door de tl-buis wordt uitgezonden is licht waarvan de golflengte 400 nm bedraagt. Invullen in c = λ·f levert 3,0·108 = 400·10-9 · f , dus f = 3,0·108/400·10-9 =7,5·1014 Hz.
Opdracht 4
Uit formule c = λ ∙ f volgt f = c / λ . Substitutie van deze formule in E = h ∙ f levert E = h ∙ c / λ.
Opdracht 5
a Uit de formule E = h ∙ c / λ volgt dat de energie van de fotonen toeneemt als de golflengte kleiner wordt. De fotonen uit het violette licht hebben de kleinste golflengte en dus de grootste energie.
b De energie van de fotonen is te berekenen met E = h ∙ c / λ. Invullen van de golflengte van 400 nm levert E = 6,63·10-34 · 3,0·108 / (400·10-9) = 5,0·10-19 J.
Opdracht 6
De energie van de fotonen is te berekenen met E = h ∙ c / λ. Invullen van de golflengte van 680 nm levert E = 6,63·10-34 · 3,0·108 / (680·10-9) = 2,925·10-19 J.
De totale hoeveelheid (licht)energie die de led in 5,0 minuten uitzendt is te berekenen met E = P·t. Invullen van P = 0,040 W en t = 5,0 x 60 = 300 s levert E = 0,040·300 = 12 J.
Het aantal uitgezonden fotonen bedraagt dan 12 / 2,925·10-19 = 4,1·1019 fotonen.
Opdracht 7
- Op het moment dat de heen en teruggaande golf precies op elkaar vallen heeft de staande golf de grootste uitwijking. De golven versterken elkaar.
- Op het moment dat een golfberg van de heengaande golf samenvalt met een golfdal van de teruggekaatste golf heeft de staande golf geen uitwijking meer. De golven doven elkaar uit.
Opdracht 8
a Voor de overgang is een energie van 48,3 eV = 48,3 x 1,6·10-19 = 7,73·10-18 J nodig. Invullen in E = h ∙ c / λ levert 7,73·10-18 = 6,63·10-34 · 3,0·108 / λ. Hieruit volgt voor de golflengte λ = 6,63·10-34 · 3,0·108 /7,73·10-18 = 2,57·10-8 m (of 25,7 nm).
b Bij de overgang van de tweede naar de eerste aangeslagen toestand wordt een foton uitgezonden met een energie van 48,3 – 40,8 = 7,5 eV, oftewel 7,5 x 1,6·10-19 = 1,2·10-18 J. Invullen in E = h ∙ c / λ levert 1,2·10-18 = 6,63·10-34 · 3,0·108 / λ. Hieruit volgt voor de golflengte λ = 6,63·10-34 · 3,0·108 /1,2·10-18 = 1,66·10-7 m (of 166 nm).
Opdracht 9
a Uit E = h ∙ c / λ volgt dat naarmate de golflengte groter wordt de energie afneemt. De energie-overgang waar de minste energie voor nodig is zal dus de grootste golflengte opleveren. Dit geldt voor de energie-overgang van 11,62 eV naar 11,55 eV (of van de tweede aangeslagen toestand naar de eerste aangeslagen toestand).
b Bij de overgang van de tweede naar de eerste aangeslagen toestand wordt hoort een energie van 11,62 – 11,55 = 0,07 eV, oftewel 0,07 x 1,6·10-19 = 1,12·10-20 J. Invullen in
E = h ∙ c / λ levert 1,12·10-20 = 6,63·10-34 · 3,0·108 / λ. Hieruit volgt voor de golflengte λ = 6,63·10-34 · 3,0·108 /1,12·10-20 = 1,78·10-5 m.
Opdracht 10
a Uit E = h ∙ c / λ volgt dat naarmate de golflengte kleiner wordt de energie toeneemt. De energie-overgang waar de meeste energie voor nodig is zal dus de kleinste golflengte opleveren. Dit geldt voor de energie-overgang ③.
b Bij overgang ① hoort straling met een golflengte van 1,7 µm. Hieruit kan de energie die bij deze overgang hoort berekend worden. Invullen van λ = 1,7·10-6 m in E = h ∙ c / λ. Levert E = 6,63·10-34 · 3,0·108 / 1,7·10-6 = 1,17·10-19 J. Dit staat gelijk aan een energie in eV van 1,17·10-19 / 1,6·10-19 = 0,73 eV. Bij overgang ② hoort dan een energie van 12,7 – 10,7 – 0,73 = 1,27 eV.
Vraag 1
Dit tweede foton maakt precies dezelfde energie-overgang door als de eerste. Als de energie van beide fotonen hetzelfde is volgt uit E = h ∙ c / λ dat de golflengte λ ook hetzelfde zal zijn.
Opdracht 11
a De golf met de grootste golflengte is de golf waarvan de halve golflengte een lengte heeft van 20 cm (dat is de golf zoals uit figuur 1 uit afbeelding 17). De grootste golflengte van de golf die tussen de spiegels kan resoneren heeft dus een lengte van 40 cm.
b Gebruik c = λ · f. Invullen van c = 3,0 · 108 m/s en λ = 0,40 m levert f = c / λ = 3,0 · 108 / 0,40 = 7,5 · 108 Hz.
c Er vindt resonantie plaats als geldt L = n · ½λ. Nemen we voor L = 20 cm = 0,20 m en λ= 500 nm = 500 · 10-9 m, dan geldt voor n:
n = L / (½λ) = 0,20 / (½·500 · 10-9) = 800000. De waarde van n is in dit geval een geheel getal, dus de halve golflengte past een geheel aantal malen in de afstand tussen de spiegels van de laser. Licht met een golflengte van 500 nm zal dus tussen de spiegels resoneren.
Opdracht 12
a Een golf met een golflengte van 510 nm past precies vier keer in een golf met een golflengte van 2040 nm (4 x 510nm = 2040 nm). Als de halve golflengte van een golf met een golflengte van 2040 nm een geheel aantal malen in de lengte tussen de spiegels van de laser past zal dit automatisch ook gelden voor een kleinere golf die een geheel aantal malen in de lengte van de grote golf past.
b Er moet gelden L = n · ½λ. Nemen we voor L = 5,20 · 10-3m en λ= 2040 · 10-9 m, dan geldt voor n:
n = L / ½λ = 5,20 · 10-3 / 1020 · 10-9 = 5000. De waarde van n is in dit geval een geheel getal, dus de halve golflengte past een geheel aantal malen (5000 keer) in de afstand tussen de spiegels van de laser. De afstand tussen de spiegels van de laser zou dus 5,20 mm kunnen zijn.
Opdracht 13
Uit L = n · ½ λ volgt ½ λ = L/n en dus λ = 2L/n.
Invullen in c = λ · f levert c = (2L/n) · f en dus f = cn/(2L)
Δf kan je ook schrijven als fn+1 – fn = c(n+1)/(2L) – cn/(2L) = c / (2L).
Opdracht 14
Een staande golf zal kunnen resoneren als de halve golflengte binnen de lengte L van de resonantieruimte past, dus als L = n · ½λ.
Voor L = 0,05 m en λ = 820 nm geldt n = 0,05 / (½ · 820·10-9) = 121951,22.
Voor n = 121951 geldt λ > 820 nm (deze waarde van n voldoet).
Voor n = 121952 geldt λ < 820 nm (deze waarde van n voldoet dus niet).
Voor L = 0,05 m en λ = 850 nm geldt n = 0,05 / (½ · 850·10-9) = 117647,06.
Voor n = 117647 geldt λ > 850 nm (deze waarde van n voldoet dus niet).
Voor n = 117648 geldt λ < 850 nm (deze waarde van n voldoet).
De waarden van n waarvoor de golflengte tussen de 820 nm en 850 nm liggen loopt dus van n = 117648 tot en met n = 121951. Dit komt overeen met 121951 – 117648 + 1 = 4304 staande golven.
Opdracht 15
Teken de normaal (stippellijn loodrecht op de spiegel) en meet de invalshoek; deze is 31 graden. Teken vervolgens het verdere verloop van de getekende lichtstraal door de gereflecteerde lichtstraal onder een hoek van 31 graden met de normaal aan de andere kant van de normaal te tekenen (zie figuur hieronder).
Opdracht 16
Teken de normaal (loodrecht op de spiegel) bij de beide getekende lichtstralen en meet de reflectiehoeken; deze zijn 39 graden en 59 graden. Teken vervolgens de invallende lichtstralen door de invallende lichtstralen onder een hoek van 39 graden respectievelijk 59 graden met de normaal te tekenen (zie figuur hieronder). Op de plek waar deze twee lichtstralen elkaar kruisen bevindt zich punt L.
Vraag 2
Voor vacuüm geldt n = 1. Immers, zowel de lichtsnelheid c als de snelheid v bedraagt in dit geval 3,0 · 108 m/s. Invullen in de formule n = c/v levert voor de brekingsindex n een waarde van 1 op.
Vraag 3
De brekingsindex van glas is voor geel licht kleiner dan voor blauw licht (zie Binas tabel 18). Uit n = c/v volgt dan dat de snelheid v van het gele licht groter is dan van het blauwe licht.
Opdracht 17
Omdat ni < nt zal er breking naar de normaal toe optreden. De enige lichtstraal waarbij hier aan wordt voldaan is lichtstraal 3.
Opdracht 18
Bij de overgang van stof 1 naar stof 2 vindt breking van de normaal af plaats. Daarom moet gelden dat n1 > n2.
Bij de overgang van stof 2 naar stof 3 vindt breking naar de normaal toe plaats. Daarom moet gelden n3 > n2.
Als de brekingsindex van stof 1 en stof 3 even groot zou zijn dan zou de lichtstraal door stof 1 parallel lopen aan de lichtstraal door stof 3. De lichtstraal door stof 3 loopt steiler dan door stof 1, hetgeen betekent dat n3 > n1.
De juiste rangschikking van de brekingsindexen is dus n2 < n1 < n3.
Vraag 4
Bij elk stuk glas zal twee keer breking plaatsvinden (een keer bij het binnentreden van het glas en een keer bij het verlaten van het glas). Bij twee glasplaten zal het licht dus vier keer gebroken worden.
Vraag 5
Omdat slechts 4% van het licht aan het raam wordt gereflecteerd zal het licht dat van buiten het raam naar binnen treedt veel intenser zijn dan het kleine beetje licht dat aan de binnenzijde van het raam gereflecteerd wordt. Omdat de intensiteit van het licht dat van buiten komt in verhouding tot het gereflecteerde deel veel groter is zal het gereflecteerde deel voor onze ogen bijna niet zichtbaar zijn.
Als het echter buiten schemerig is zal de hoeveelheid licht dat van buiten het raam naar binnen treedt ook gering zijn. De kleine hoeveelheid licht dat aan de binnenzijde van het raam gereflecteerd wordt kan daarmee in verhouding tot de hoeveelheid licht dat van buiten komt ongeveer even groot zijn. Onze ogen zullen beide beelden dan ongeveer in gelijke mate waarnemen.
Opdracht 19
Omdat n2 > n1 zal er breking naar de normaal toe moeten plaatsvinden (antwoord D valt daarmee af). Bij de overgang van de eerste naar de tweede laag zal een deel van het licht reflecteren. Hierbij geldt dat de invalshoek gelijk moet zijn de reflectiehoek. Dit geldt alleen bij de figuren B en D. Figuur B is dus het juiste antwoord.
Opdracht 20
a Gebruik de wet van Snellius bij de breking van glas naar lucht: ni sin i = nt sin t
waarin nt = 1,0 (brekingsindex van lucht), i = 32o en t = 53o . Hieruit volgt dat
ni = 1,0·sin(53)/sin(32) = 1,5 De brekingsindex van glas is dus 1,5.
b voorbeeld van een antwoord:
In de gekantelde stand komt alleen het licht dat door het glas is weerkaatst
in het oog van de bestuurder, terwijl in de normale stand juist de gebroken
lichtstraal het oog treft. De intensiteit van de weerkaatste lichtstraal
(in figuur 2) is minder dan de intensiteit van de gebroken lichtstraal
(in figuur 1). (De bestuurder ziet het licht dus gedimd.)
Opdracht 21
Gebruik de wet van Snellius ni sin i = nt sin t. Voor de linker figuur geldt ni = 1,51 ; i = 25 en nt = 1. Invullen levert sin t = 1,51 sin 25 = 0,64 -> t = 400.
Voor de rechter figuur geldt ni = 1,51 ; i = 60 en nt = 1.
Invullen levert sin t = 1,51 sin 60 = 1,31. De uitkomst van de sinus van een hoek kan niet groter zijn dan 1. In dit geval vindt er geen breking plaats.
Opdracht 22
Als de grenshoek g is bereikt geldt t = 900. Invullen in de wet van Snellius (ni sin i = nt sin t) levert ni sin g = nt sin 90 = nt en dus sin g = nt / ni .
Opdracht 23
Gebruik sin g = nt / ni met g = 42,1 en nt = 1. Invullen levert sin (42,1) = 1 / ni.
Hieruit volgt ni = 1 / sin 42,1 = 1,49. De brekingsindex van acryl bedraagt dus 1,49.
Opdracht 24
Bij de overgang van lucht naar glas zal breking naar de normaal toe plaatsvinden. Dit is alleen het geval in figuur C en figuur D. Als de lichtstraal aankomt bij de linker zijde van het blokje zal er totale interne reflectie of breking plaatsvinden. Glas heeft een brekingsindex die rond de 1,5 ligt. De grenshoek g van glas is dan te berekenen met sin g = 1/ 1,5. Hieruit volgt voor de grenshoek een waarde die rond de 42 graden ligt. Aangezien de invalshoek aan de linker zijkant duidelijk groter is dan 42 graden zal de lichtstraal volledig intern reflecteren. Figuur C is dus het juiste figuur.
Opdracht 25
De meest linker figuur
Voor de meest linker figuur geldt voor de grenshoek sin g = 1 / 1,51. Hieruit volgt een grenshoek van 410. Omdat de invalshoek hier groter is dan de grenshoek zal hier volledige interne reflectie plaatsvinden.
De middelste figuur
Voor de meest linker figuur geldt voor de grenshoek sin g = 1 / 1,33. Hieruit volgt een grenshoek van 490. Omdat de invalshoek hier groter is dan de grenshoek zal ook hier volledige interne reflectie plaatsvinden.
De meest rechter figuur
Voor de meest linker figuur geldt voor de grenshoek sin g = 1,33 / 1,51. Hieruit volgt een grenshoek van 620. Omdat de invalshoek hier kleiner is dan de grenshoek zal hier breking optreden. De brekingshoek is te berekenen met de wet van Snellius ni sin i = nt sin t
Invullen van ni = 1,51 ; i = 50 en nt = 1,33 levert sin t = 1,51 / 1,33 sin 50 = 0,87 en dus t = 600.
Zie voor het verdere verloop de figuren hieronder.
Opdracht 26
a Gebruik de wet van Snellius bij de breking van water naar lucht: ni sin i = nt sin t
waarin nt = 1,0 (brekingsindex van lucht), i = 42o en t = 63o (zie ook de figuur hiernaast).
Hieruit volgt dat ni = 1,0·sin(63)/sin(42) = 1,3 De brekingsindex van water is dus 1,3. Deze komt overeen met de waarde in Binas.
b voorbeeld van een antwoord:
De brekingsindex van blauw licht is groter dan die van rood licht. De grenshoek van blauw licht is dus kleiner dan die van rood licht. De blauwe lichtbundel zal daardoor volledig terugkaatsen.
c Zie de figuur hieronder voor het juiste antwoord.
Opdracht 27
Volledige interne reflectie treedt op als de grenshoek bereikt wordt.
Deze is te berekenen met sin g = nt / ni
Invullen van nt = 1,41 en ni = 2,00 levert g = 450.
Uit de figuur hiernaast volgt dat i + θ = 90, dus θ = 90 – i.
Aangezien i = g = 450 volgt hieruit voor θ een maximale waarde van 450.
Opdracht 28
a Uit de brekingsindex van glas (n = 1,51) volgt voor de grenshoek sin g = 1 / 1,51 en dus
g = 420. De invalshoek is in dit geval 450. Omdat de invalshoek groter is dan de grenshoek zal er totale reflectie plaatsvinden.
b Glas (n = 1,51) heeft een grotere brekingsindex dan water (n = 1,33). Bij de overgang van glas naar water zal dus breking van de normaal af plaatsvinden. Lichtstraal b ligt op de normaal. Bij lichtstraal c is sprake van breking naar de normaal toe. Bij lichtstraal d is geen sprake van breking. Alleen bij lichtstraal e is sprake van breking van de normaal af.
c Gebruik de wet van Snellius ni sin i = nt sin t. Er geldt ni = 1,51 ; i = 45 en nt = 1,33. Invullen levert voor sin t = 1,51 / 1,33 sin 45 = 0,80 en dus t = 530. De lichtstraal verlaat het stuk glas dus onder een hoek van 53 graden met de normaal.
Opdracht 29
a Gebruik de wet van Snellius ni sin i = nt sin t. Opmeten levert t = 410.
Let op: bij een cirkel gaat de normaal door het middelpunt van de cirkel.
Invullen van deze hoek tezamen met ni = 1 en nt = 1,33 levert i = 610. Zie verder de figuur hieronder.
b De invalshoek bij B bedraagt 410 (opmeten in de tekening). De grenshoek van water is te berekenen met sin g = nt / ni. Invullen van nt = 1 en ni = 1,33 levert g = 48,80. Omdat de invalshoek kleiner is dan de grenshoek zal er géén volledige reflectie plaatsvinden.
c De brekingsindex voor blauw licht is groter dan voor rood licht. Blauw licht wordt dus sterker gebroken van rood licht en zal de rand van de druppel bereiken tussen B en C.
Vraag 6
Voor de grenshoek geldt sin g = nt / ni. Hieruit volgt dat naarmate de verhouding nt : ni groter wordt de grenshoek ook groter zal zijn. Die verhouding is voor een kern van siliciumnitride (n = 2,05) met een bekleding van siliciumoxide (n = 1,46) 1,46 : 2,05 = 0,71. Voor een kern van indiumfosfide (n = 3,59) met een bekleding van siliciumnitride (n = 2,05) bedraagt deze verhouding 2,05 : 3,59 = 0,57. De kleinste grenshoek ontstaat dus bij een kern van indiumfosfide met een bekleding van siliciumnitride. Dit is dan ook tevens de combinatie die de grootste kans heeft dat licht binnen de golfgeleider blijft.
Vraag 7
Hoe kleiner de grenshoek des te groter de kans dat licht binnen een golfgeleider blijft. Omdat voor de grenshoek g geldt sin g = nt / ni. volgt dat wanneer men een zo klein mogelijke grenshoek wil bereiken de verhouding nt / ni zo klein mogelijk zal moeten zijn. Omdat sowieso moet gelden nt < ni geldt dat hoe dichter de twee brekingsindexen in verhouding bij elkaar liggen des groter de verhouding van nt / ni wordt (deze nadert naar 1). Een in verhouding groot verschil tussen de brekingsindexen levert een kleinere verhouding op. Het is dus voordeling om te zorgen dat de brekingsindexen van de kern en de bekleding van de golfgeleider in verhouding ver uit elkaar liggen.
Opdracht 30
a Volledige interne reflectie treedt alleen op als de brekingsindex van de kern groter is dan die van de bekleding. Dit is niet het geval bij de onderste golfgeleider.
b Voor de grenshoek g geldt sin g = nt / ni. Voor de bovenste golfgeleider geldt nt = 1,45 en ni = 2,00. Hieruit volgt een grenshoek g = 46,50. Voor de middelste golfgeleider geldt nt = 1,45 en ni = 1,50. Hieruit volgt een grenshoek g = 75,20.
c De invalshoek is bij de drie golfgeleiders ongeveer 650.
Voor de bovenste golfgeleider is de invalshoek groter dan de grenshoek. Hier zal dus volledige interne reflectie plaatsvinden.
Bij de middelste golfgeleider zal breking optreden. De brekingshoek kan berekend worden met de wet van Snellius ni sin i = nt sin t. Invullen van ni = 1,50 ; i = 65 en nt = 1,45 levert een brekingshoek op van 700.
De lichtstraal zal vervolgens aankomen bij de grens tussen de bekleding en lucht. Bij deze overgang is de grenshoek 440 (sin g = 1/ 1,45). Hier zal dus volledige interne reflectie binnen de bekleding plaatsvinden, omdat de invalshoek hier 700 is. De gereflecteerde lichtstraal komt vervolgens aan bij de overgang tussen de bekleding en de kern van de golfgeleider. Hier zal breking plaatsvinden, waarbij de brekingshoek weer berekend kan worden met de wet van Snellius. Invullen van ni = 1,45 ; i = 70 en nt = 1,50 levert op t = 650.
Bij de onderste golfgeleider zal ook breking optreden. De brekingshoek bij de overgang van de kern naar de bekleding kan berekend worden met de wet van Snellius ni sin i = nt sin t. Invullen van ni = 1,45 ; i = 65 en nt = 2,00 levert een brekingshoek op van 410.
De lichtstraal zal vervolgens aankomen bij de grens tussen de bekleding en lucht. Bij de grens tussen de bekleding en lucht zal volledige interne reflectie plaatsvinden. Bij deze overgang is de grenshoek namelijk 300 (sin g = 1/ 2,00).
De gereflecteerde lichtstraal komt vervolgens aan bij de overgang tussen de bekleding en de kern. De brekingshoek bij de overgang van de bekleding naar de kern kan weer berekend worden met de wet van Snellius ni sin i = nt sin t. Invullen van ni = 2,00 ; i = 30 en nt = 1,45 levert een brekingshoek op van 650.
Zie verder de afbeelding hieronder.
Opdracht 31
Voor de grenshoek g geldt sin g = nt / ni. De grenshoek bij de overgang van de kern naar de bekleding bedraagt 46,50 (want nt = 1,45 en ni = 2,00). Bij de cirkel met de grootste bochtstraal is de invalshoek circa 600 (opmeten). Let op: de normaal gaat bij een cirkel door het middelpunt van de cirkel. Er vindt hier dus volledige interne reflectie plaats. Dit geldt ook voor de keren die hierop volgen, waarbij de lichtstraal bij het grensvlak tussen de kern en de bekleding aankomt.
Bij de cirkel met de kleine bochtstraal bedraagt de invalshoek circa 400 (opmeten). Hier vindt dus breking plaats, waarbij de brekingshoek berekend kan worden met de wet van Snellius ni sin i = nt sin t. Invullen van ni = 2,00 ; i = 40 en nt = 1,45 levert een brekingshoek op van 620. Zie de figuur hieronder.
Voor de eenvoud is de overgang van de bekleding naar lucht hier verder niet meegenomen.
Opdracht 32
a Er ontstaat één staande golf. Zie de schermweergave hieronder.
b Er ontstaan zes staande golven. Zie de schermweergave hieronder. Hier is een van de zes staande golven weergegeven.
c Om storende invloeden van staande golven zoveel mogelijk te beperken streeft men naar een golfgeleider waarin zo weinig mogelijk staande golven zullen ontstaan. Het dan zaak om de doorsnede van de golfgeleider zo klein mogelijk te houden.
Opdracht 33
Het licht zal de microring aan de rechterzijde van de onderste golfgeleider (golfgeleider B) verlaten.
Opdracht 34
Neem 2πr = nλ. De golflengte λ waarvoor resonantie plaatsvindt kan gevonden worden door λ = 2πr/n. Zoek nu waarden voor n waarvoor λ binnen het golflengtegebied ligt.
De golflengtes die resoneren zijn:
λ = 628 nm (voor n = 10) en λ = 698nm (voor n = 9)
Alleen deze golflengtes zullen dus de microring verlaten.
Opdracht 35
De golflengten die zowel in de eerste als in de tweede ring resoneren zullen uiteindelijk de dubbele micro-ring verlaten. Zie de grafiek hieronder.