Bronzen bijlen horen thuis in de bronstijd die we in de Kempen kunnen dateren van 2.000 v. Chr. tot 800 v. Chr.. De vorm van de bronzen bijlen veranderde vaak. Die vormveranderingen hadden te maken met verbeterende kennis over het gieten van brons en met het zoeken naar een steeds betere oplossing om de bronzen bijlen van een houten steel te voorzien. Zo werden er achtereenvolgens vlakbijlen, randbijlen, hielbijlen, vleugelbijlen en tenslotte kokerbijlen ontworpen.
Een bronzen vlakbijl werd aan een houten steel bevestigd op net dezelfde manier als dat voorheen gebeurde met een stenen gepolijste bijl.
In een volgende fase kreeg de vlakbijl randen aan de zijkanten: de randbijl. Het korte beentje van de L-vormige houten steel werd vooraan open gespleten zodat de bijl klem kon worden gezet.
Weer wat later werd dan halverwege de bijl een 'hiel' gemaakt: de hielbijl. Op die manier zaten de beide uiteindes van het gespleten korte beentje van de L-vormige houten steel klem. De steel zou dus veel minder gemakkelijk splijten bij gebruik.
De randen werden vervolgens groter gemaakt en wat omgebogen. Ze leken op 'vleugels' en vandaar de naam: vleugelbijl. Deze vorm van bijl omklemde de steel nog beter.
Een kokerbijl is de laatste vorm in de evolutie. Het is een holle bijl. Het korte beentje van de houten steel kan gewoon in de bijl worden gestopt. Bijl en steel worden dan met een leren riempje stevig bij elkaar gehouden.
Een kokerbijl zou je ook gemakkelijk uit vuursteen kunnen maken.