Olijfolie behoorde tot de basisproducten van de Romeinse samenleving. Het werd gebruikt als brandstof, het vormde de basis voor cosmetica en hygiëne en het was overal aanwezig in de Romeinse keuken en het eten.
Nadat de Romeinen in 205 v. Chr. Zuid-Spanje hadden veroverd werd daar de olijfboom geïntroduceerd. Rond 150 n. Chr. was Andalusië (Zuid-Spanje) de belangrijkste exporteur van olijfolie. Vrijwel alle legervestingen en steden tussen de monding van de Rijn en de Alpen werden bevoorraad met olie uit Zuid-Spanje.
De olijfolie werd vervoerd in amforen. Amforen waren de grote transportcontainers van de Oudheid. De amforen werden vervaardigd in werkplaatsen langs de rivier Guadalquivir in Andalusië. Hier was rivierklei voor handen en het vervoer ging over water. Op het hoogtepunt van de olijfolieproductie waren er ongeveer 100 amfoorwerkplaatsen in gebruik.
Voor het vervoer van olijfolie werd de Dressel 20-amfoor gebruikt (zie foto), vooral tijdens de regeerperioden van keizer Tiberius (14 tot 37 n. Chr. ) en keizer Claudius (41 tot 54 n. Chr.). Deze amforen zijn langs de gehele Romeinse limes, tot in Engeland, teruggevonden.
De combinatie van amfoortype en productiegebied is in de meeste gevallen voldoende om te achterhalen wat er in de amfoor vervoerd werd. Olijfolie-amforen kwamen uit Zuid-Spanje. Een amfoor uit Frankrijk, Italië of Griekenland was gebruikt voor wijn. De Romeinse amforen waren een meter hoog
bronnen:
. Skript Historisch Tijdschrift, Iberische Olijfolie in het Romeinse Keizerrijk, Hans Nielsen, 2017
. Zeeuwse Ankers, Bekend door .....? Graffito op een Romeinse Amfoor, Joost van den Berg, z.j.
. E.N.A. Heirbaut en C.W. Koot (red.), Nijmegen-Lent, Dijkteruglegging - Amforen in rurale context, Gemeente Nijmegen 2016