Literatuur, kunst en tegencultuur in de jaren tachtig
Literatuur, kunst en tegencultuur in de jaren tachtig
Er bestaat een Delftse cultuurhistorie die zich grotendeels buiten de officiële culturele instellingen heeft afgespeeld. Een geschiedenis van kleine literaire tijdschriften, jonge dichters, onafhankelijke kunstenaars, nachtelijke voordrachten en experimentele performances. Van mensen die elkaar ontmoetten in cafés, kleine podia en achterafzaaltjes, gedichten uitwisselden en soms gezamenlijk naar buiten traden. Het was een bescheiden, maar levendige subcultuur, waarvan de sporen tegenwoordig vooral terug te vinden zijn in vergeelde publicaties, affiches, programmabladen, krantenknipsels en persoonlijke archieven.
Het decor werd gevormd door de grauwe jaren tachtig. Een periode van economische onzekerheid, werkloosheid, maatschappelijke polarisatie en de dreiging van een nucleair conflict. De punkcultuur en de kraakbeweging hadden inmiddels een eigen tegencultuur voortgebracht, waarin onafhankelijkheid, maatschappijkritiek en de behoefte aan nieuwe uitdrukkingsvormen een belangrijke plaats innamen. Ook in Delft bestond ruimte voor dergelijke ontwikkelingen, al voltrokken die zich op relatief kleine schaal. De stad werd in belangrijke mate gekenmerkt door de aanwezigheid van de Technische Hogeschool, die in 1986 de naam Technische Universiteit kreeg. Maar naast de wereld van de exacte wetenschappen en technische rationaliteit bestond een minder zichtbaar milieu waarin literatuur, beeldende kunst, filosofie en experimenteel theater elkaar soms raakten.
Dat milieu vormde geen hechte beweging. Het bestond eerder uit kleine, betrekkelijk zelfstandige kringen, die elkaar kenden, soms elkaars manifestaties bezochten en elkaar in cafés tegenkwamen. Hun onderlinge verbondenheid was vaak persoonlijk en tijdelijk. Het waren culturele eilandjes die soms naar elkaar toe dreven om dan weer uit elkaar te drijven. Juist in die losse verbanden ontstond een eigenzinnige literaire subcultuur, waarin het gedicht niet uitsluitend als geschreven tekst werd beschouwd, maar ook een aanleiding kon zijn tot voordracht, performance en collectief experiment.
Aan het begin van de jaren tachtig bestond in Nederland een veelzijdig circuit van kleine literaire tijdschriften en publicaties in eigen beheer. Buiten de gevestigde uitgeverijen en literaire instellingen zochten jonge dichters naar mogelijkheden om hun werk onder de aandacht te brengen. Sommige van deze uitgaven waren zorgvuldig vormgegeven, andere werden eenvoudig gestencild of gekopieerd. De beperkte middelen maakten deel uit van hun karakter. Niet de commerciële levensvatbaarheid, maar de behoefte om iets te publiceren stond voorop. Een schrijfmachine, een stencilapparaat en enkele gelijkgestemden konden voldoende zijn om een eigen podium te scheppen.
In Delft kreeg de onafhankelijke cultuur een eigen karakter door de aanwezigheid van een omvangrijke studentenpopulatie en een verscheidenheid aan culturele initiatieven. De Vereniging voor Studie en Studentenbelangen, de VSSD, speelde binnen de Delftse studentenwereld een belangrijke rol. De vereniging bood ruimte aan kritische geluiden en aan culturele activiteiten die zich niet noodzakelijk binnen de traditionele studentenverenigingen afspeelden. Haar onafhankelijke blad Het Orakel vormde een platform voor maatschappelijke, politieke en culturele bijdragen. Daarmee ontstond ook voor jonge dichters een mogelijkheid om buiten de gevestigde literaire wereld te publiceren.
Een van de vroegste tastbare documenten van deze Delftse literaire subcultuur is te vinden in Het Orakel van februari 1984. In nummer 6 van de 39e jaargang verschenen op pagina 4 vijf gedichten onder de gezamenlijke noemer Het Romantisch Collectief. De naam was veelzeggend. In een tijd waarin zakelijkheid, politieke tegenstellingen en economische onzekerheid het publieke leven beheersten, kreeg het begrip romantiek bijna het karakter van een beginselverklaring. Niet de romantiek van vrijblijvende dagdromen, maar die van het individu dat zich tegenover een onverschillige wereld geplaatst ziet. Een romantiek waarin persoonlijke vrijheid, existentiële twijfel en het verlangen naar een andere werkelijkheid een centrale plaats innamen.
De gepubliceerde gedichten bewogen zich in een landschap van vervreemding, raadselachtige natuurbeelden en onbereikbare verten. In het korte gedicht De Vijand verschijnt de horizon als een grens die tegelijkertijd aantrekt en afstand schept. Elders worden bomen, licht, schaduw en duisternis gebruikt om een innerlijke werkelijkheid op te roepen. De gedichten laten een poëtische houding zien waarin de waarneming niet vanzelfsprekend is en het persoonlijke bestaan voortdurend ter discussie kan worden gesteld.
Met een oplage van ongeveer zesduizend exemplaren bood Het Orakel een relatief breed podium voor deze vroege literaire uitingen. De publicatie uit februari 1984 vormt daarmee een belangrijk document van een kleine Delftse dichterskring die zich bewust onder een gezamenlijke naam presenteerde. De romantische belangstelling voor het individu en diens innerlijke werkelijkheid zou in de daaropvolgende jaren binnen hetzelfde literaire milieu een uitgesprokener en meer programmatisch karakter krijgen.
Naast de onafhankelijke studentenpers ontstonden in Delft verschillende initiatieven die ruimte boden aan kunstvormen die zich moeilijk binnen de gevestigde culturele kaders lieten onderbrengen. Een belangrijke rol werd vervuld door Stichting Kultus, die zich bewoog op het grensvlak van filosofie, literatuur, beeldende kunst en experimenteel theater. De stichting bood ruimte aan publicaties, artistieke experimenten en ontmoetingen tussen makers uit verschillende disciplines. In een eigentijdse beschrijving werd haar doelstelling met enige ironie samengevat als het streven om het intellect in Delft te houden.
Achter deze formulering ging een serieuze culturele ambitie schuil. Delft moest niet uitsluitend een stad van techniek en wetenschap zijn, maar ook een plaats waar de verbeelding en het onafhankelijke denken zich konden ontwikkelen. Stichting Kultus functioneerde niet als een traditionele kunstinstelling met een strak afgebakend programma. Haar betekenis lag mede in de mogelijkheden die zij bood aan kleinschalige initiatieven en samenwerkingen.
Een van de uitgaven van de stichting was het tijdschrift Monte Negro. Het blad bood ruimte aan uiteenlopende culturele bijdragen en weerspiegelde de brede belangstelling van het Delftse alternatieve milieu. Via persoonlijke contacten ontstond het plan om een afzonderlijk literair katern in Monte Negro op te nemen. Dat katern kreeg de naam Vlam (naar het gelijknamige gedicht van Hendrik Marsman).
In april 1986 verscheen het eerste nummer van Vlam, als literair katern binnen Monte Negro. Rond deze publicatie presenteerde zich een groep jonge dichters onder de naam De Jonge Honden van Delft. De naam suggereerde ongeduld en tegendraadsheid. Toch was het literaire uitgangspunt van de groep minder gericht op provocatie dan op de persoonlijke ervaring en de zoektocht naar een eigen poëtische taal.
In een programmatische tekst, gepubliceerd onder de titel De Jonge Honden van Delft, werd gesproken over een vernieuwende generatie dichters die zich niet wilde laten beperken door bestaande literaire conventies. De culturele toekomst werd als verstard voorgesteld. Daartegenover plaatste de groep het verlangen naar nieuwe waarden, nieuwe vormen van expressie en een grotere persoonlijke vrijheid.
De oorspronkelijke programmatische stellingname was uitgesproken en soms provocerend. Inhoudelijk kan de poëzie van het collectief worden gekarakteriseerd als een vorm van existentieel subjectivisme. Daarin stond niet zozeer de objectieve beschrijving van de buitenwereld centraal, maar de persoonlijke ervaring van de dichter: het innerlijke conflict, de onzekerheid over de eigen identiteit en het verlangen naar een zelfstandig bestaan. De gedichten Spreidt je vleugels en Mijn oog, gepubliceerd op pagina 8 en 9 van Vlam, illustreren deze benadering. Het eerste heeft het karakter van een aansporing tot zelfbevrijding. Het tweede is een introspectieve verkenning van een verdeelde, moeilijk te doorgronden identiteit.
Hoewel de groepsnaam iets uitdagends had, ging achter die presentatie vooral een serieuze belangstelling voor het persoonlijke en existentiële karakter van poëzie schuil. Met de verschijning van Vlam beschikte het collectief over een eigen publicatie, een herkenbare naam en een geformuleerd literair uitgangspunt. De volgende stap zou zich buiten het gedrukte woord afspelen.
Op zaterdag 28 juni 1986 vond in het Floratheater aan de Verwersdijk de eerste Delftse Nacht van de Poëzie plaats. Het evenement werd een dag eerder aangekondigd in de Delftsche Courant, onder de kop Ook in Delft ‘Nacht van de Poëzie’. De avond werd georganiseerd in samenwerking met het culturele initiatief Expreszo en bood een podium aan ruim twintig, voornamelijk regionale dichters.
De opzet week nadrukkelijk af van de traditionele literaire voordracht. Het programma omvatte naast het voorlezen van gedichten ook muziek, theatrale presentaties en experimentele performances. Niet alleen de woorden stonden centraal, maar ook de wijze waarop zij werden uitgesproken, gespeeld of in een andere artistieke vorm werden verwerkt. Voor De Jonge Honden van Delft vormde de avond een gelegenheid om de stap van het geschreven gedicht naar de publieke performance te zetten.
Op het programma stonden zowel afzonderlijke poëzievoordrachten als een gezamenlijke bijdrage onder de naam Vlam. Deze performance droeg de titel Afgodenschemering. Het experimentele karakter ervan sloot aan bij de belangstelling voor de wisselwerking tussen poëzie en theatrale expressie. De tekst werd niet langer uitsluitend aan het papier toevertrouwd, maar kreeg een plaats binnen een gezamenlijke podiumhandeling.
Daarmee werd een ontwikkeling zichtbaar die ook elders binnen de alternatieve cultuur plaatsvond: het vervagen van de grenzen tussen literatuur, theater, muziek en beeldende kunst. Het Floratheater bood voor één avond een podium aan een literaire subcultuur die doorgaans buiten de gevestigde culturele instellingen opereerde. De oorspronkelijke affiches en de berichtgeving in de Delftsche Courant vormen belangrijke getuigenissen van deze gebeurtenis.
De Delftse literaire wereld bestond niet uitsluitend uit Het Romantisch Collectief, De Jonge Honden van Delft of de publicaties van Stichting Kultus. Er waren andere dichtgroepen, zelfstandige schrijvers, culturele werkplaatsen en initiatieven die ieder op hun eigen manier met literatuur bezig waren. Sommige contacten verliepen via studentenverenigingen of culturele instellingen. Andere ontstonden eenvoudigweg aan de stamtafel van een café. Er werd gesproken over gedichten, filosofie, beeldende kunst en politiek. Publicaties gingen van hand tot hand. Soms leidde een ontmoeting tot samenwerking of een gezamenlijk optreden. Even vaak bleef het bij een gesprek of een toevallige kennismaking.
Het was geen overzichtelijke wereld. Er bestond geen centrale organisatie die de verschillende groepen bijeenbracht, geen gemeenschappelijk manifest dat voor het gehele Delftse literaire circuit gold. De afzonderlijke kringen bewogen zich grotendeels zelfstandig en waren bovendien niet altijd uit op dezelfde vormen van erkenning.
In deze omgeving kreeg ook de onafhankelijke boekhandel een betekenisvolle plaats. Op 7 maart 1987 opende Boekhandel De Omslag aan de Wijnhaven. De winkel ontwikkelde zich tot een herkenbaar adres voor literatuur en poëzie en bood op langere termijn ruimte aan literaire ontmoetingen. De komst van deze boekhandel illustreerde dat de belangstelling voor literatuur in Delft niet beperkt bleef tot de studentenwereld of tot tijdelijke undergroundinitiatieven.
Ook dichtgroepen met een meer beschouwend en ambachtelijk karakter maakten deel uit van het bredere literaire landschap. Een voorbeeld daarvan is Zwarte Inkt, een Delftse dichtgroep die vooral in de jaren negentig tot bloei zou komen. Binnen deze kring werden onderwerpen afgesproken, gedichten geschreven en gezamenlijk besproken. Het accent lag daarbij eerder op de ontwikkeling van het gedicht en het onderlinge gesprek dan op publieke provocatie.
Het bestaan van zulke verschillende verbanden laat zien dat de Delftse poëziecultuur niet tot één artistieke stroming kan worden teruggebracht. Naast het romantische en existentiële karakter van De Jonge Honden bestonden andere opvattingen over poëzie, met andere werkwijzen en een andere verhouding tot het publiek. De onderlinge contacten waren reëel, maar hun betekenis moet niet worden overdreven. Het ging om culturele eilandjes, die elkaar soms naderden, tijdelijk met elkaar verbonden raakten en vervolgens weer hun eigen weg vervolgden.
In 1988 was het Nederlandse literaire klimaat merkbaar veranderd. De opkomst van de Maximalen had een polemiek teweeggebracht over de richting waarin de Nederlandse poëzie zich zou moeten ontwikkelen. Tegenover een als terughoudend en hermetisch ervaren poëtische traditie werd een directere, expressievere en soms provocerende vorm van poëzie geplaatst. De discussie speelde zich niet alleen af in literaire tijdschriften en kranten, maar kreeg ook een publiek karakter tijdens voordrachten en manifestaties.
Op vrijdag 30 september 1988 vond in het Floratheater opnieuw een poëziefestival plaats. De bijeenkomst droeg de toepasselijke titel Delft dicht en was bedoeld om een overzicht te bieden van jong dichterlijk talent. Het programma richtte zich voornamelijk op dichters onder de vijfendertig jaar en bood ruimte aan uiteenlopende poëtische opvattingen. Ook de uitreiking van een literaire debuutprijs maakte deel uit van de avond. De prijsuitreiking was al op 25 augustus aangekondigd in De Volkskrant.
De avond bracht verschillende stromingen samen, waaronder vertegenwoordigers van de Maximalen. De sfeer was bij tijden rumoerig. Niet alle aanwezigen leken uitsluitend voor de poëzie naar het Floratheater te zijn gekomen, zo blijkt uit een terugblik die op 14 oktober 1988 in Het Vrije Volk verscheen. Het voormalige kerkgebouw, dat inmiddels een bewogen geschiedenis als theater achter de rug had, bood het decor voor een bijeenkomst waarin literaire ambities en publieke onrust elkaar soms in de weg zaten.
Buiten Delft kreeg de avond vooral aandacht door een confrontatie tussen enkele Maximalen en een literair criticus. Aanleiding was een afwijzende bespreking van hun poëzie, waarin de uitdrukking een teil vol rotte vis was gebruikt. Tijdens een voordracht werd die beeldspraak letterlijk genomen en kreeg de criticus een hoeveelheid vis over zich heen. De voordracht werd afgebroken, waarna het festival zijn programma vervolgde.
Het incident werd in verschillende kranten beschreven en zou ook in latere terugblikken op de Nederlandse poëzie van de jaren tachtig een plaats krijgen. De polemiek overschaduwde daarmee gedeeltelijk de oorspronkelijke opzet van het festival: het bieden van een podium aan een nieuwe generatie dichters.
Voor De Jonge Honden van Delft was deze avond geen nieuwe gezamenlijke manifestatie. De betrokkenheid van het collectief was informeel en speelde zich meer op de achtergrond af. De samenhang die enkele jaren eerder rond Vlam en de Nacht van de Poëzie van 1986 was ontstaan, begon inmiddels te verwateren. De onderlinge verbanden werden losser, de gezamenlijke literaire activiteiten namen af en de dichters gingen geleidelijk hun eigen weg.
Daarmee kwam voor De Jonge Honden van Delft een betrekkelijk korte, maar betekenisvolle periode ten einde.
Terwijl sommige literaire initiatieven verdwenen of aan betekenis verloren, ontwikkelden andere vormen van experimentele cultuur zich verder. In 1988 beleefde Delft de eerste editie van Mooi Weer Spelen, een straattheaterfestival dat op 4 juni van dat jaar zijn officiële begin kende. Het festival richtte zich op theatrale vormen buiten de gebruikelijke schouwburgomgeving. De openbare ruimte werd een podium en de afstand tussen uitvoerenden en publiek werd bewust verkleind. Straattheater bood mogelijkheden voor absurdistische voorstellingen, visuele experimenten, improvisatie en directe confrontaties met het publiek.
In die zin bestond er een verwantschap met de experimentele poëzieperformances die enkele jaren eerder in Delft hadden plaatsgevonden. De overeenkomst lag niet noodzakelijk in een directe organisatorische verbondenheid, maar in de behoefte om buiten de gangbare presentatievormen van kunst te werken. De artistieke belangstelling verschoof daarmee deels van de kleine literaire publicatie naar de openbare ruimte. Het geschreven woord bleef aanwezig, maar stond niet langer vanzelfsprekend centraal.
Ook Stichting Kultus bleef zich op het grensvlak van verschillende kunstvormen bewegen. Aan het begin van de jaren negentig zijn nog duidelijke sporen terug te vinden van haar multidisciplinaire activiteiten. Een belangrijk voorbeeld is het kunstproject Morgen is gisteren, dat van 24 juni tot en met 15 juli 1990 plaatsvond in Museum Het Prinsenhof in Delft. De tentoonstelling droeg als inhoudelijke aanduiding Tijdelijke kunst in historische context. Het project bracht hedendaagse beeldende kunst in verband met de historische omgeving van het museum. De confrontatie tussen verleden en heden vormde daarbij een wezenlijk onderdeel van de artistieke benadering.
Stichting Kultus verzorgde een begeleidende catalogus met beschouwingen over de geëxposeerde werken en een toelichting op het bijbehorende symposium. Hier kwam de bredere belangstelling van de stichting voor beeldende kunst, filosofie en conceptuele vraagstukken opnieuw tot uitdrukking. Het ging niet langer uitsluitend om kleinschalige publicaties of tijdelijke manifestaties, maar ook om projecten waarin de relatie tussen kunst, geschiedenis en presentatie zelf ter discussie werd gesteld.
Een ander gedocumenteerd project, bekend onder de titel Projekt to Space and Beyond, omvatte een reeks performances en installaties uit de periode 1986 - 1991. De bijbehorende publicatie vormt een aanwijzing voor de voortzetting van het experimentele karakter van Stichting Kultus tot in het begin van de jaren negentig. De ontwikkeling laat zien hoe een lokaal initiatief dat in de jaren tachtig ruimte bood aan onafhankelijke literaire publicaties, tevens betrokken was bij conceptuele en multidisciplinaire kunstprojecten.
Toch is voorzichtigheid geboden bij het trekken van conclusies over de omvang en samenhang van deze activiteiten. Stichting Kultus was geen overkoepelende organisatie van de gehele Delftse underground. Zij vormde een van de platforms waarlangs bepaalde initiatieven zich konden ontwikkelen. Haar betekenis lag juist in het mogelijk maken van verbindingen tussen kunstvormen en mensen die elkaar anders wellicht niet op dezelfde manier hadden ontmoet.
Op 8 juni 1991 kreeg de Delftse experimentele theatercultuur opnieuw gestalte in de productie De Grote Ontluistering, verbonden aan Mooi Weer Spelen. De voorstelling is gedocumenteerd in de TheaterEncyclopedie en behoort tot de vroege geschiedenis van het Delftse straattheaterfestival.
De productie vormt een passend eindpunt voor deze terugblik op de Delftse undergroundcultuur van de jaren tachtig. Niet omdat zij het definitieve einde van een culturele beweging markeerde, maar omdat zij een verwante artistieke belangstelling zichtbaar maakt: die voor het experiment, de theatrale verbeelding en het doorbreken van conventionele presentatievormen. Van een rechtstreekse voortzetting van De Jonge Honden van Delft was daarbij geen sprake. De afzonderlijke initiatieven hadden hun eigen geschiedenis en ontwikkelden zich langs verschillende wegen.
In dezelfde periode liepen de gedocumenteerde multidisciplinaire projecten van Stichting Kultus nog door. De publicaties rond Morgen is gisteren en de performances en installaties uit de periode tot 1991 vormen enkele van de laatste duidelijk traceerbare sporen van haar activiteiten uit deze fase. Zij bewijzen niet dat de stichting daarna ophield te bestaan, maar markeren wel de uitloop van het culturele tijdvak dat hier wordt beschreven.
De kleine literaire collectieven die enkele jaren eerder nadrukkelijk van zich hadden laten horen, waren inmiddels grotendeels uiteengevallen. Nieuwe verbanden en andere kunstvormen namen een deel van hun plaats in. De cultuur verdween niet, maar veranderde van gedaante.
Van het alternatieve literaire circuit in Delft uit de jaren tachtig is betrekkelijk weinig systematisch bewaard gebleven. Veel van de oorspronkelijke publicaties behoren tot wat tegenwoordig grijze literatuur of ephemera wordt genoemd: kleinschalig en vaak tijdelijk drukwerk dat destijds niet met het oog op langdurige bewaring werd geproduceerd. Een deel bevindt zich nog in institutionele archieven, andere documenten zijn uitsluitend overgeleverd in particuliere verzamelingen. Juist die verspreide bronnen laten zien dat er naast de officiële Delftse cultuur een minder zichtbaar circuit bestond van dichters, kunstenaars en onafhankelijke initiatiefnemers.
Het zou overdreven zijn om deze kleine Delftse bewegingen achteraf een grote invloed op de Nederlandse literatuur toe te schrijven. Hun betekenis ligt eerder in de eigenzinnigheid waarmee zij, buiten de gevestigde instituties, vorm probeerden te geven aan een gedeelde behoefte aan artistieke expressie. Het waren geen hechte organisaties, maar afzonderlijke kringen die elkaar soms vonden en vervolgens weer uit elkaar dreven.
Wat resteert, is een klein maar herkenbaar hoofdstuk uit de Delftse cultuurhistorie. Een geschiedenis van romantiek, existentieel subjectivisme en artistiek experiment, uit een tijd waarin de poëzie voor sommigen nog een vanzelfsprekend middel was om zich tegenover de wereld te verhouden.
Misschien was dat wel de wezenlijke betekenis van die jonge honden: niet dat hun geblaf de literaire wereld veranderde, maar dat zij zich, in een grauwe tijd, het recht voorbehielden om in hun eigen woorden te spreken.
Bronnen en documentatie
Primaire bronnen
Het Orakel, 39e jaargang, nr. 6, februari 1984, p. 4. Onafhankelijk studentenblad van de Vereniging voor Studie en Studentenbelangen (VSSD), Delft. Publicatie van twee gedichten onder de noemer Het Romantisch Collectief.
Monte Negro / Vlam, eerste jaargang, nr. 1, april 1986. Vlam, literair katern van De Jonge Honden van Delft, opgenomen in Monte Negro, uitgave van Stichting Kultus, Delft. Met redactionele teksten en gedichten, waaronder Spreidt je vleugels en Mijn oog, pp. 8 - 9.
Delftsche Courant, vrijdag 27 juni 1986. ‘Ook in Delft “Nacht van de Poëzie”’, onder de kop ‘Dit weekeinde in Flora-theater’. Aankondiging van de eerste Delftse Nacht van de Poëzie op 28 juni 1986.
Nacht van de Poëzie, Floratheater, Delft, 28 juni 1986. Origineel affiche en programma, met vermelding van de performance Afgodenschemering en afzonderlijke poëzievoordrachten.
De Volkskrant, 25 augustus 1988, 67e jaargang, nr. 19466. Aankondiging van de uitreiking van een literaire debuutprijs tijdens het Delftse Poëziefestival van 30 september 1988.
Leeuwarder Courant, 1988. Eigentijds krantenverslag van het incident tijdens de poëzieavond in het Floratheater op 30 september 1988. Exacte verschijningsdatum nog niet vastgesteld.
Het Vrije Volk, 14 oktober 1988, 44e jaargang, nr. 12691. Terugblik onder de titel Delft dicht op het poëziefestival van 30 september 1988, geschreven vanuit het perspectief van de presentator.
Stichting Kultus, Morgen is gisteren, Delft, 1990. Catalogus bij het beeldende-kunstproject Tijdelijke kunst in historische context, Museum Het Prinsenhof, 24 juni - 15 juli 1990.
Stichting Kultus, Projekt to Space and Beyond. Documentatie van performances en installaties uit de periode 1986 - 1991. Titel verkort weergegeven.
Aanvullende historische bronnen
Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren (DBNL). Bibliografische documentatie uit 1986 over Stichting Kultus, waaronder een beschrijving van de doelstelling om het intellect in Delft te houden.
Boekhandel De Omslag, historische informatie over de oprichting op 7 maart 1987 en de literaire activiteiten aan de Wijnhaven in Delft.
Zwarte Inkt, retrospectieve documentatie en uitgave Delft - zwarte inkt, 2022, met informatie over de Delftse dichtgroep en haar activiteiten, vooral in de jaren negentig.
Mooi Weer Spelen, historische festivaldocumentatie betreffende het ontstaan van het Delftse straattheaterfestival in 1988.
TheaterEncyclopedie, registratie van De Grote Ontluistering, Mooi Weer Spelen, theaterseizoen 1990 - 1991, 8 juni 1991.
Verantwoording
Dit artikel is samengesteld aan de hand van oorspronkelijke literaire publicaties, programmamateriaal, eigentijdse persdocumentatie en secundaire historische bronnen door François Portais.
De beschreven gebeurtenissen zijn waar mogelijk getoetst aan onafhankelijke historische en bibliografische bronnen. De documenten uit de jaren tachtig bevinden zich deels in een persoonlijk archief.
De beschrijving van de informele contacten tussen de verschillende literaire kringen en het geleidelijke uiteenvallen van De Jonge Honden van Delft berust mede op persoonlijke herinneringen. Het artikel is bedoeld als een cultuurhistorische reconstructie van een aantal karakteristieke ontwikkelingen, niet als een uitputtende geschiedschrijving van het Delftse culturele leven.