De motorbeveiliging kunnen we opsplitsen in verschillende onderdelen
De detectie van overstroom (thermische effect) met bijbehorende instelling van Inom
De detectie van een kortsluitstroom (magnetisch effect)
De onderbreking van de hoofdstroom naar de motor (motor contacten)
De activatie van contacten voor stuur- en meld inrichtingen (hulpcontacten) met bijbehorende "trip" of "test" bediening.
Vorige combinatie vinden we vooral terug in gecombineerde motorschakelaars, waarbij het aan-en-uit schakelen van de motor en de beveiliging in één behuizing zitten.
Deze schakelaar kan nog verder aangevuld worden met een "nulspannings detectie" en extra hulpcontacten.
Wanneer er enkel een "detectie" dient te gebeuren van overstroom en de afschakeling wordt overgelaten aan de sturing, kunnen we gebruik maken van een thermische motorbeveiliging of "thermique".
In de hoofdkring wordt de stroom gemeten dmv de thermische detectie, die mechanisch de hulpcontacten bedient.
De hulpcontacten worden in de stuurkring gebruikt om de nodige acties te ondernemen voor het afschakelen van de motor en de detectiemelding van een overstroom.
Deze detectie is op zich geen beveiliging, maar een meetsysteem waarrond de beveiliging wordt opgebouwd door een bijpassende hoofd- en stuurkring.